ME-TOO-SALEM

goose_2017_logoanimaton

Voor één of andere hoofdredacteur met trots de eerste, voor mij met ongeloof veeleer de laatste, en zelfs dàt niet. Ik wil het gewoon niet geweten hebben: zoveel voor zo weinig. Is dit een grap of om te huilen? Mijn hoed had sowieso al vier deuken, maar droeg ik nog klompen, ze waren gebroken, net zoals mijn gekrulde tenen. Alsof ik in een deeltjesversneller vol steenharde oogballen & wapperende handjes terecht ben gekomen. De exacte nabootsing van de oerknal kan niet ver af meer zijn, te horen aan het wervend geschater dat in heel het heelal is te horen dezer dagen.

Mie toe? Mijn benen desnoods & mijn deur. En ja weg wildebeest, ja weg gnuivende gnoe. Maar zie je die fronsen onder mijn frou-frou? Want waar zal die inmiddels verzuurde melkweg ons naartoe leiden: mannen naar de Mieke’s, vrouwen naar de Moeke’s? Wie pakt daar welke koe eigenlijk bij de horens? Het lijkt wel of Vrouwe Justitia zich een schuilnaam heeft aangemeten.

En wat zei Justificatia ook alweer? Just wait and see, er zit nog wat aan te komen..? Maar waarom in godsnaam zag die aankondiging er zo ongepast popelend uit, vraag ik mij zo eerlijk mogelijk af.
“Bijna tien al”, zei de schuilnaam ook nog. Daar is er dus ééntje bij die blijkbaar nog geboren moet worden. Dat zijn er dan toch (bijna) vijf per borst: nou Moe, it’s all up to you.
Maar waarvoor of voor wie heeft Anton van Wilderode ooit zulk een mooie zin verzonnen als ‘meer binnenwaarts dan met gebaar naar buiten’? Alvast niet voor de vrouw van dit jaar, zou hij zeggen.

Emancipatio, met Me-too-salem als zelfverklaarde hoofdstad? Zelf verkies ik alleszins om daar weg te blijven. Ware emancipatie heeft geen klaagmuur nodig, geen eindeloze sliert ‘ik-ookjes’ en geen vrouwmensen die, eenmaal aan het woord, hun onrustige bovenlijven tot halfweg op het tafelblad gooien, god mag weten waarom.
Je kunt ze kussen, mannen, maar ik zou het niet doen.

 

 

DAG VADER

tumblr_lqhtogdf9j1qm6y1co1_500

Dag vader in ’t donker ik denk er aan,
gij zakt steeds dieper in de grond.
Uw as in ’t plantgat op moeders graf,
één regenbui volstond

om mijn dorre gedachte ’t is mooi geweest,
te doen stinken naar stank voor dank.
Ik ween, ik wuif maar geraak niet meer
boven de vensterbank.

’t Werd moeilijk nog steeds iemands kind te zijn,
daar lag ik wakker van?
Thans tilt gij, dag vader, mij meer dan ooit
naar een hoger plan.

 

EN TOCH

birds_on_a_wire_by_kiwikero-d4qgxil

Van hak op tak gesprongen,
gekwaak versus gekweel;
volkomen schor gezongen,
de vogels in mijn keel.

Gekortwiekt & ontvleugeld,
door god mag weten wie;
hun zoet gezang beteugeld,
goodbye, close harmony?

En toch, ze blijven zingen,
extreem daartoe gebekt:
een lied vol hunkeringen,
een lied dat weemoed wekt.

 

 

VOIX GRAS

mg_goose_lasers_002

Ik ben een gans in ’t diepst van mijn gedachten?
Achternagezeten door dolle teerlingen en alzo in de vergeetput geraakt
of in de gevangenis, wachtend op verlossing? Nee, niet van het ganzenbord
afgelopen en ook geen vette gans die zichzelf bedruipt.

°

Ik voel me eerder dwangmatig gevoed met een veelal misselijkmakende
maïspap van berichten, meningen & opmerkingen, via de mondiale trechter
die me telkens opnieuw in de strot wordt geramd. Vetmesters van allerlei
slag die me komen vertellen wat ik overal van moet denken of moet vinden,
mijn kolkende hals in hun ijzeren greep.

°

Het eigen povere gedacht is sowieso nooit het juiste,
want o zo onvolkomen. Niks nog op de eigen mensenmaat, mijn strot
bloedt er van, ik krijg de vette brij niet eens meer overgegeven:
het zàl & het moèt worden verteerd. Zoals Plato al zei:
alleen de doden hebben het eind van de oorlog gezien.

°

Mijn roodbruin gemoed van normaal gesproken 100 gram
weegt inmiddels meer dan een kilo, heeft zijn eigen kleur verloren,
en is in tegenstelling met de zieke levers van de Toulouseganzen, verre
van lekker, zelfs dàt niet. Een domme gans die als enige gelooft dat
de kiekens hooi eten, maar kijk, ze sterven nog liever van honger.

°

Vervolgens is het donker & koud geworden in mijn Galleria Lapidaria,
de onderaardse gedachtengang die mijn oude & nieuwe bevindingen
met elkaar verbindt. Mijn innerlijke schrijfmachine -macchina da
scrivere- begint zich stroef te gedragen en mist de ‘capitole’ letter u.
Heer dicht bij u wil ik kwaken?

MotteGeese-5682d36d5f9b586a9ef8a162

Vergeef het mij, Juno Moneta, mijn waarschuwende raadgeefster,
dat ik, hoewel gans een gans, uw tempel op uw zevende heuvel
niet efficiënt genoeg weet te ‘bekwaken’.
Een gans die niet eens weet hoe ze fatsoenlijk moet gaggelen,
die laat maar begaan, dus men valt aan, ik weet het.

Scan 233

Een gans blaast wel maar bijt niet, en men plukt haar zo lang
ze veren heeft? Ooit zal ik schrijven, wie weet, met mijn laatste veer,
verlost van elke vetmesterij: ik voel me zo moederziel alleen maar mezelf,
in een alfa-bed zonder u. Ook niet alles, nondedju.

 

VEERKRACHT

Pauweveren

Maar kom, we gaan ze toch niet zomaar weggooien,
die gekneusde pauwenveren? ‘The vibrant, almost neon
effect of the Peacock Palette is fascinating‘ en dat blijft zo,
er valt sowieso nog wat moois van te maken, ja toch?

Zoals een strik waar geen enkele valstrik nog tegenop kan,
of schoenclipsen om het laag-bij-de-grondse mee op te fleuren.
Oorhangertjes die je zullen doen lachen met onnozele praat,
en waaiers om ’t ongewenste wat vrolijker mee weg te wuiven.

Haarspelden die je ogen op de rug zullen bezorgen,
of hangers vol alziende ogen ter bescherming van je borsten.
Alsook een krans die er nog altijd een goed oog in heeft,
in de veerkracht van ‘ik-maak-er-graag-weer-iets-moois-van’.

 

KOM VAN DAT DAK AF?

pauw3

Vrouwen, hou er mee op, het moet anders.
We vervallen in het oeroude beeld
op de al even oude speelplaats van de lagere school:
-“Wacht maar manneke,
mijn franke zus zal u wel eens een poepke laten ruiken!”

Ja kom zeg, het hele land stinkt er inmiddels naar,
en mijn god, bespaar ons de geur van franke zussen hun poepkes.
Waar zijn we nu toch helemaal mee bezig, vrouwmensen?
Kunnen we nu echt geen beter verweer verzonnen krijgen
dan de boomerang?

De stapels branden, de palen schanden,
please computer, say “NO!”

 

KOUDE KERMIS

Will Barnet

Ineens verloor het huis onzer jeugd z’n laatste bewoner: onze vader.
Te weten, de verknochte bezitter ervan en de laatste van de tien die er onder dezelfde naam hebben gewoond.

En wat blijkt: het huis is er zo ziek van geworden als een hond. Het lekt plots van verdriet, het trekt de versleten linten kapot van de ‘blaffeturen’ en begint zichzelf zienderogen te verwaarlozen. Omdat het niet kan wenen, omdat het niet kan blaffen, omdat het zich zo verlaten voelt door zijn oude getrouwen.

Vaders dood, daar was niet tegenop te tornen. De nog doorstromende zorg om zijn broos geworden welzijn sloeg meteen als een vonkende kortsluiting over op het huis. Als een bliksem via een donderroede, tijdens het innerlijk onweer dat losbrak, op het moment dat vader er in volkomen weerloosheid werd buiten gedragen.

Tijdens de eerste nachten die daarop volgden -thuis in het eigen bed plots ver van huis- was de donkerte & de stilte in het nu zo verlaten vaderhuis
niet te verdragen, was er de onweerstaanbare drang om er in gedachten de vertrouwde dingen gerust te gaan stellen, en om er vaders rondzwervende ziel een beetje gezelschap te gaan bieden.

Doch het kwam veeleer neer op janken als een gewond dier, op geblaf tegen de maan achter de donkere ramen. Om uiteindelijk te merken, dat het huis er nog erger aan toe was dan het eigen bezeerde zelf, in de wetenschap: ze gaan mij verlaten, ze gaan mij afdanken. Vader had het daar bij leven al moeilijk mee want hij was terecht zeer gehecht aan zijn huis. Hoe klonk het uit oude kindermond, niet eens zo lang geleden?

-“De volgende bewoners gaan even blij zijn met dit huis als wij dat zijn geweest, en dat moeten we hen dan maar gunnen, hé vader…” Jaja, dat was mooi praten, indachtig de koude kermis die ons nu staat te wachten: leeg maken waar wij een leven lang vol van zijn geweest, daar timmer je toch een beetje je eigen kist mee in mekaar?

 

ZUSJE LIEF..

Scan 223.jpeg

Zijn ze van ons weg gevlogen,
al die jaren van weleer:
zwaluwen die zienderogen
stipjes worden, zonder meer?

Zie ze vluchten, zie ze vliegen,
het wordt koud in vaders huis:
er valt niet meer om te liegen,
we zijn ver van feestgedruis?

Maar het is zo goed om weten,
in de zucht naar schone schijn:
zwaluwen die nooit vergeten
waar hun oude nesten zijn.

Keren weder om te broeden,
keren weder, na de kou:
om ons gierend te behoeden
met hun hartenkreet: onthou!

HOME SWEET HOME

b4b7c7fceaddef0fe85037d3d3b9caa6

Hier is uw leven & daar is uw dood:
of ouwe taaie laat je broek maar waaien, want er zit geen elastiek meer in?
Sterven duurt maar één seconde, dat is 25 vleugelslagen van een kolibrie,
staat er te lezen in ‘Restletters’ van Jeroen Brouwers.
Doch het leven verklaart zich nader en de spiegels worden steeds kwader:
sterven duurt een leven lang, dat zijn miljarden vleugelslagen van miljarden
kolibries. Je zou van minder naar adem snakken:
sterf, en je mond gaat open.

Vader, zij die nog leven groeten u.
De denkbeeldige monniksgroet ‘porta patet magis cor ‘(de deur staat open,
het hart nog meer) lijkt niet meer van kracht, sinds jij als laatste getrouwe
ons huis voorgoed hebt verlaten? Dicht nu: de deuren, de ramen,
de gordijnen. Dichtgeslagen: de boeken, de dekens, de zorgmap van
Landelijke Thuiszorg. De hulpverleningslijst is sinds half augustus niet
meer afgevinkt, de ontlastingsstatus blijkt van geen enkel belang meer,
en dat hagelwitte spekvet in de koelkast, speciaal voor jou gesmolten,
wie lust dat nog, wie zal dat nog smeren?

Het huis is verbouwereerd, net zoals wij. Geen hartslag meer, geen getik
meer van de klok. Zoveel hout nog op het terras, zoveel vuur dat niet meer
zal branden. Wat zullen wij tegen de dingen zeggen, tegen elkaar
en tegen onszelf: hij zal er nooit meer zijn? Father has left the building,
na er 65 jaar lang te hebben vertoefd. Buiten gedragen op een smalle berrie,
in een donkerblauwe fluwelen zak met koorden er rond, want men moest
met hem langs de trap een verdiep naar beneden, daar had hij vast
van te voren al aan liggen denken.

Niets zal vergeten zijn? We stonden er ademloos bij, maar er ging een
schrijnende schreeuw door ons huis, onhoorbaar want voorbij de geluidsmuur.
De roffel als een ruwe schaaf: “Jos Martens is gestorven..”
De plaats waar ooit een mens is geweest, is nooit meer verlaten’
zei de dichter César Vallejo, toen wij naar woorden zochten om vaders
dood te begrijpen.

Even later vonden wij een witte roos op zijn hoofdkussen, in plaats van
zijn hoofd dat wij niet meer konden kussen.
Wanneer zullen wij in staat zijn om die roos daar weg te nemen?

IMG_7028

Laat het zijn?

OldeRose (1)

In zijn beste kostuum, zo ondraaglijk mooi uitgedost
door z’n laatste ringetje gehaald, zeg me waarom:
-“Awel, vader, waar moet ge naartoe?”
Geen antwoord. Koud zweet op zijn voorhoofd.
Doch zijn aanblik lijkt te zingen: zit m’n dasje goed,
zit m’n jasje goed, vader gaat op stap.

Naar café ‘Den Engel’ allicht, dat wordt een lange nacht
dus niet meer uit de kleren vandaag.
Hij wacht op vervoer zeker? Hoe voorbeeldig, hoe geduldig.
Maar zo bleekjes, vader, heb je d’r eigenlijk wel zin in,
blijf anders toch gezellig thuis.
Niettemin, hij is gegaan, hopelijk was er Kirr Royal.

Donkerte, gij slaap van het licht, maak hem onvindbaar
voor de dief in de nacht, die denkt
dat er niemand thuis is. Een engel duwt nu de klok,
sinds vader er, bedolven onder rode rozen,
tot stof & as is wedergekeerd.
Sinds een greepje daarvan als zeezand in een doosje zit.

VADERS STAMBOOM

Monsoon

 

Zijn dat kraaien daar in de kruin van vaders stamboom, de enige vogels die naar het hiernamaals kunnen vliegen en weer terug? Die ons alzo helpen kijken in de Andere Wereld, doch die in hun jacht een bondgenootschap aangaan met wolven, dus dan weet je ’t wel? En ook al hebben klavecimbelbouwers vroeger hun veren nog gebruikt als ‘pennetjes voor het aantokkelen der snaren’, wie kent niet de gevreesde uitdrukking: als een kraai op een kreng. En brengen de beruchte kraaienpootjes de weg naar graf niet jaren lang van tevoren reeds feilloos in kaart? Kraaien voelen zogezegd de verandering in de atmosfeer met hun vleugels, maar ze kraaien niet bepaald victorie in onze oren. Overigens, ruziënde mensen om een erfenis worden ook kraaien genoemd.

Maar geef ze vertrouwen en je krijgt het? Vaders stamboom kan ze blijkbaar goed verdragen in zijn kruin, zo te zien. Misschien is het toch waar: ‘dat ze ons dwingen om in het duister ons eigen licht te ontdekken’.

Vader was niet bepaald een boom van een vent, maar hij had er wel de sterkte van. Op laatst leek hij wel gemaakt van kraakporselein, doch dat paste perfect bij zijn 98ste levensjaar. Maar ineens legde vader z’n mondharmonica opzij, zette het plastieken kermistrompetje van z’n achter-achterkleinzoon aan de lippen en blies de kraaienmars. Proust zei het al: in het ene jaargetij tref je vaak een verdwaalde dag aan uit een andere. Zoals dit jaar, midden in de zomer: de dag dat vader stierf?

Want wat een omwenteling sinds hij op een berg ijs is gelegd.

 

 

GEBAKKEN PEREN

64d838948be1d522971676bbfa7d610b

Het hangt in de bomen, het hangt in de lucht:
gij zegt er valt niets meer te zeggen?
Ik weet het, die gaping raakt niet overbrugd
door mij daarop toe te gaan leggen.

Beoog ik de middelpuntzoekende kracht,
de vliédende lastert mijn streven.
’t Gaat duizelingwekkend ver boven mijn macht,
die zoektocht naar u op te geven.

Doch vaak loopt het leven op zulk een manier,
dat niets nog die loop kan doen keren.
Tot hier & niet verder, het zit mij tot hier,
toch blijf ik ze bakken, mijn peren.

 

(Illustratie Rébecca Dautremer)

 

ONVINDBAAR?

i1014

Welk woord van de zovelen,
als ’t maar één woord mag zijn?
’t Wordt schuilevinkje spelen,
’t wordt zeker niet ‘verdwijn’.

Van Dale loopt te zeuren,
de taal heeft tol geëist;
de hooiberg staat te geuren,
de naald is gepolijst.

Eén woord, mocht hij het zeggen,
hij, die dat nooit zou doen?
De lat zo hoog niet leggen,
straks bijt de schorpioen.

ZUSJES

dyn009_original_430_334_pjpeg__2281a599078fb386fba700a4424b8761

Als kind had ik een fiets, waarvan de rechter trapper
altijd tegen de metalen beschermplaat sleepte en dat gaf hetzelfde
geluid als de zingende vleessnijmachine van Marieke Strijbos
als we daar om ossenvlees gingen, heerlijk rul in dunne flinters gesneden.
Dus eenmaal op onze fietsen gezeten,
deed mijn jongere zusje altijd haar denkbeeldige bestelling bij mij.
Ik heb er honderden hespen op versneden voor haar.

Ook ’s avonds in bed werd er nog volop gebeenhouwerd.
We fileerden elk om beurten elkanders dichtst bijzijnde been
in fijne schellen, maar als er om biefstuk werd gevraagd of gehakt,
diende er deugddoend op los te worden gekapt, hetgeen een welgekomen
afwisseling was na al ’t gekriebel van de charcuterieverkoop.

300d4775dc027b625c443c251833c8ae

Voor dit grovere werk gingen we dan in gedachten naar Sooi Hoek,
met zijn te korte verkeerd aangezette armpje en met in zijn enigszins
verkrampte hand, dat immer vervaarlijke slagersmes,
hetgeen hij tijdens het verkopen van gebraden lulkoek & bij wijze van rust,
altijd pal voor zich uitstak op z’n borst.
Zijn kwebbelende echtgenote wist precies in welke bochten
zij zich diende te plooien om niet te worden opengeritst.
-” Ge weet”, zei Sooi,” ons gehakt, daar moet niks meer bij..”
Dacht ik van beteren huize te zijn en dus te moeten zeggen:
-„ Ja, maar wij doen daar nog eieren bij & chapelure..”
-„ Nieje, dat moet nie! Aan ons gehakt kan niks verbeterd worden!”

Dan kwam dus scherpgevooisde kwebbelina weer aan ’t woord:
-” Zwijg toch, dat is immers om den hoop te vergroten!”
Vervolgens stond de Sooi daar in z’n kipkapperig universum,
mes vooruit, als een mislukte eenhoorn te wachten op een vervolg
dat niet kwam, want ik voelde mij in m’n kalfslappen gebeten
en zweeg, net zoals hij.
-” Allee Sooi, maak voort, ne kilo!”
Stel je voor, dat ik om hersentjes had gevraagd.

Maar om terug te komen bij onze bedse beenklieverijen:
het kon ineens genoeg worden.
De wederzijdse kapblokken verloren hun aantrekkingskracht
want er was vlees versneden voor een hele school en waar
moest je daar mee naartoe onder die warme dekens?
Dus als we te moe werden om onze beenwinkel nog langer open te houden,
draaiden we onze zusterlijke ruggen naar elkaar,
met steeds dat éne, zelfde zinnetje:
-”Niks nimmer zeggen tegen mij.”
Alzo geschiedde dan, uitgebeend & tot gehakt vermalen,
een code die absoluut niet meer mocht worden gekraakt.

Als een ongewild signaal aan de duivel:
ha, ik kan aan mijn rondgang beginnen.

batman_by_roweig

Wisten wij veel.

ZELFWOORD

Slider-Beach-Bag-promotion-1300x526px-mobile (1)

Pas in het pashok ontdekt het ontdane
lijf niets om ’t lijf meer: het zit mij tot hier.
Node beseft die voortijds half vergane
ikkel kramikkel: dit spit mij tot pier.

Niets dat nog pas geeft of past als gegoten,
niets dat niet tegen de borst wordt gestuit.
Spiegelbeeld staat op zijn achterste poten,
het vege lijf deinst verschrikt achteruit.

Hult zich opnieuw in de oude gewaden,
waarvan gedacht werd die draag ik niet meer.
Al voelt het Zelf zich belast & beladen,
ha, zegt de spiegel, zo ken ik je weer.