TO SEE OR NOT TO SEE

Het regent weer blauw, en de zon schijnt,
maar daar zit ‘duveltjeskermis’ voor niks tussen, hoewel ik
dat op zich ook altijd een fascinerend schouwspel vind,
die doorheen het zonlicht vallende regendruppels.

Maar de Blauwe Regen, daar gaan mijn ogen
pas echt van knipperen, ik mag zelfs zeggen: flipperen.
Want ze kunnen die betovering ervan niet aan. Ze kunnen mij
niet doen geloven wat ik zie: het ongelooflijke als het ware.

Ineens hangen die dorre takken vol blauwe trossen.
Alsook de bomen met hun uitwaaierend groen. En dan voelt
dat doodgaan toch weer aan als een afschuwelijk pijnlijke zaak:
er op een dag niet meer te zijn: to see or not to see.

En dus probeer ik bij wijze van hedendaags spreken
een reserve-tank aan te leggen van geziene pracht,
voor in het geval van? Want één aanval in
de ‘Straat van Pardoes’ en je bent er niet meer.

Zon plast weer in ven & vijver,
rimpels versus rimpeling:
‘t water schrikt, dus ik beijver
mij voor recht & regeling.

Staar verbluft naar Blauweregen,
graaf mijn moeder uit haar graf:
krijg voor twee te zien gekregen,
waartoe zij haar volmacht gaf.

Tracht mijn zien & zijn te ijken
als een dis- en deelgenoot:
kijk, gekregen, blijf ik kijken
voor de dagen na mijn dood.

Zoveel pracht niet te benoemen
in wat was, wat is, wat wordt:
veel te vol om te verbloemen,
‘t lijfse leven schiet te kort.

Ben, zelfs dàt valt niet te claimen,
slechts ten dele slechts diegeen
die terecht dient waar te nemen:
véél te mooi voor mij alleen.

LIEVE VRIENDIN

Dat liet me gisteren niet onberoerd,
die afspraak met jou in het park. Ik ben er nadien nog even
gaan rondfietsen met het kleine-meisje-in-jou achterop.
Hou je maar goed vast, heb ik gezegd.

Ik vond het, in uitgesteld relais, een ondraaglijke gedachte,
de manier waarop jij van kleins-af-aan je weg & jezelf moest
zien te vinden. Ik kan alleen nog maar omarmend aan jou
denken, voor al die keren dat dat niet is gebeurd.

De moeder, de vader en hun verlossende dood?
Omdat het was, wat het was. Omdat het is, wat het is:
wie zij waren en niet zijn geweest. Omdat het
niet is mogen worden wat je zo graag had gewild.

En zo is dit vogeltje uw kleine-meisjes-hart?
De vleugeltjes bijeengebonden, terwijl de hoogte wenkt
en de afgrond te diep is om veilig genoeg te kunnen landen?
Wat een aangrijpende machteloosheid.

Dat jij, ondanks alles, bent kunnen worden wie je bent,
dat wekt mijn ontzag. En als bij wonderlijk toeval kreeg ik
vanmorgen plots een gedicht van Ida Gerhardt onder ogen,
zo vlijmend trefzeker dat ik het bijna niet kon geloven.

Tristis imago

Wat staat gij naast mijn bed, Moeder van gene zijde?
Wat doet gij in mijn kamer in de zwarte nacht?
Kan mijn bestaan zich nooit van uw bestaan bevrijden,
dat gij mijn slaap nog met uw heimelijkheid bevracht?

Wat praat gij tegen mij, Moeder van gene zijde?
Ik wil niet wakker worden, als gij naast mij staat.
Het hart zal mij stukhameren, als ik moet lijden
het verschrikkelijk verwijt op uw gelaat.

Ida Gerhardt (1905-1997)

Echter, moge het inmiddels voor jezelf iets minder schrijnend zijn. Ik laat je bij deze omarmen door mijn eigen liefdevolle moeder.

VERRE-JAREN

Liefste Vader,

Wie het leven
heeft verworven,
zal op een dag
ook zijn gestorven.

Hoe dun is
die verbindingslijn,
’t zal vieren
of verstieren zijn?

Ik ben en blijf
uw eersteling,
en vader, wat een
zegening!

Vaders lievelingsmuziek

OSANNA IN EXCELSIS?

Al strooiden de paasklokken dit jaar vooral windeieren
en aprilse grillen in het rond, laat de haan maar kraaien,
laat de wind maar waaien, Pasen haalde sowieso weer
mooie woorden uit de mond van de ochtendstond.

Want ‘wedergeboorte’, wat een pasen-lijk woord,
en wat een jubelende betekenis: opstaan uit de dood.
Is dat niet waar wij allemaal van dromen, geprangd tussen
vroeger & heden, tussen de zachte krachten & de wrede?

Echter, wij mensen kunnen ons hoogstens ontdoen
van ‘dode cellen’. Niet alleen wat betreft huid & haren,
maar ook aangaande ons schilferig gemoed. Een ander soort
verrijzenis zit er voor ons niet in, ondanks mitsen & maren.

Al zou je er wel van dromen, voor al wie door geweld
is omgekomen. Dat ook zij vandaag hun graf mochten
verlaten, als een terechte ‘wiedergutmachung‘ voor
al wat hen niet mis-te-verstaan is aangedaan.

En hebben die astronouten op weg naar de maan dan
die doornenkroon niet gezien rondom onze bloedende
Aarde, zoals die ook door God’s zoon is uitgezweet,
als een hemeltergende hartekreet?

Hopelijk krijgen wij op deze verheven dag allemaal
een nieuw ei gelegd in ons innerlijk nest, en komt daar iets
uit tevoorschijn dat het bebroeden waard was: in ieder geval
iets dat rijmt op ‘sui generis’ of op ‘Spiegel der Behoudenis’?

DAAR IS DE LENTE?

Kom laat ons vrolijk zijn?
In Israël dan toch: “Laat de champagnekurken
maar knallen, we mogen voortaan mensen
waar-we-vanaf-willen nu weer gaan ophangen!”

En ja, wettelijk vastgelegd:
Taliban staat mannen toe hun vrouw te slaan
“tot zolang er geen botten breken
of blijvende zichtbare (!)wonden ontstaan.”

Ardeat vita: laat het leven bruisen?
Eerst mobiel internet, nu VPN-verbindingen:
Rusland legt internetgebruik van de bevolking
verder aan banden.

Nooit gingen zoveel bedrijven
failliet in de provincie Antwerpen,
met 6.000 banen op de tocht: “Ik zie geen licht
aan het einde van de tunnel.”

Het begrip ‘eer’ bevindt zich
tussen de benen van de vrouw in het hele
Middellandse Zeegebied. Clandestiene
maagdenvliesherstellers doen er gouden zaken.

‘Als je op zoek gaat naar de waarheid achter je
drijfveren en motieven, kom je niet altijd in
sprookjesland terecht. Het is niet altijd leuk wat je
van jezelf aan de weet komt’
aldus Connie Palmen.

Of Nietzsche: ‘Hij die met monsters vecht
moet erop toezien dat hij zelf geen monster zal worden.
Als je te lang in de afgrond staart, zal de afgrond
zich in jou weerspiegelen.’

‘In de klassenstrijd draagt het woord der poëten
lang niet zo ver als tien werkmansscheten’
aldus
Henk Spaan, die daarmee geen spaan heel laat van
het dichterswerk der bevlogenen.

Of de ultieme wens van Hans Vlek: ‘Als ik sterf,
dan liefst zoals Sarah Berhnhardt:
theatraal, groots, ontroerend. En dan weer
opstaan voor de bloemen’.

Maar ook Julian Barnes mag niet ontbreken:
“Elk verhaal van liefde is een potentieel verhaal
van verdriet.”
Doch volgens Flaubert is ‘verdriet niet
ongezond, het voorkomt dat we verdorren.’

‘Als we maar goed ons best doen,
kunnen we gemakkelijk rampspoeden verdragen.
Die van anderen dan, bedoel ik.’

Aldus Mark Twain, de koning van de One-liners.

‘Om kwaad te zijn op de juiste persoon,
in de juiste mate en op het juiste moment, met de
juiste bedoeling en op de juiste manier: dat valt

niet mee’, wist Aristoteles eeuwen geleden al.

Doch zolang ik adem, zing ik: “Daar is de lente,
daar is de zon… bijna, maar ik denk dat ze weldra
zal komen! De Fallus Impudicus staat al in bloei,
en de blaadjes krijgen bomen!”