OPEN BOEK

Een zeer inspirerend boek meegebracht uit de Bib. Een éigen aankoop meer dan waardig, zoals ik al gauw mocht vaststellen. Ik vond het meteen aantrekkelijk: alleen al die wonderlijke titel, en het daaraan verbonden concept. Echt een boek voor naast mijn bed, dacht ik, toen ik het opensloeg en de korte items daarin zag van telkens een paar bladzijdes. Al was er een lichte aarzeling: is dit niet een schrijver die gaatjes gaat boren in mijn bange bewustzijn? Maar ik wou & ik zou.

‘Odes’ dus, van David Van Reybrouck. Als een fascinerende buit naar mijn nest gesleept. Tot hoog in het huis. Tot naast mijn bed. En eenmaal opengeslagen, als een dak boven mijn hoofd. En inderdaad, mijn eerste indruk werd meteen volkomen ingelost: ik vond het prachtig. Alles er van. Alles er aan. Alles er in. Elke ode een ‘lichtdrukmaal’ om het op z’n Gezelleaans te zeggen. Korte stukjes, maar van lange duur. Zinnens om zich voorgoed te verankeren in mijn gemoed.

Wel werd ik er wat weemoedig van. Dat ‘grote’ Reybrouckse leven op mijn borst, boven dat ‘kleine’ leven van mijzelf. Onder die berg zachte dekens vol uitgestelde belevenissen, waar ik in mijn stervensuur sowieso nog spijt van zal krijgen? De lichtwerper versus de schaduwplant. Het contrast werd steeds schriller, bij wijlen irritant zelfs. In mijn schulp, in mijn schulp, in mijn overgrote schulp.

Hij heet dan ook David, dacht ik, naar de gezalfde koning allicht. En bovendien ook Van Reybrouck: met zo’n naam blijf je uiteraard niet thuiszitten, nomen est omen. Maar zelfs honkvast, en opgerold als een slak in haar huisje, herkende ik de glans & de gloed -waarmee die odes zijn geschreven- maar al te goed. Die infrarode warmte ervan, die zo onzichtbaar diep in je weet door te dringen.

En hoe hélend dat kan zijn voor het onooglijke waarvoor ik zelf schijn te leven: op z’n huisjesslaks, zeg maar. Strooi wat zout op mij en ik ben weg. Ik weet er inmiddels alles van, de tuin zit er van vol, ik ben één van hen. Ik mis alleen hun geduld, alsook die dappere aanvaarding van de eigen slakheid. To be or not to be me, that’s not anymore the question, it’s juist a foregone conclusion. Niettemin, zelfs opgedroogde slijmsporen kunnen glinsteren. Men moet er uiteraard wel oog voor willen hebben. Op een ultra sensitief steeltje bovendien.

Maar nee, er was geen ode bij aan de huisjesslak, zo stelde ik uiteindelijk vast. Een beetje spijtig wel, maar anderzijds heb ik in de regenachtige stilte van de nacht al die heerlijke odes van Koning David naar binnen kunnen knabbelen, zonder daarin mijzelf te moeten tegenkomen om op te vreten. Overigens, is het sowieso ook niet een heel klein beetje indrukwekkend: een slak die kan lezen…?

HOE LANG NOG

Hoe lang nog, hoe lang
dat gevreesde nooit meer:
tot àlles voorbij zal zijn,
streng in de leer?

Ik blijf onderhevig
aan elk déjà vu:
tot daar & niet verder
werd tot hier & nu.

Gekraterd, als ware
ik de Krakatau,
barst ik uit mijn woorden,
blijft slechts: ik onthou.

Mijn zompige ziel bij
u binnen gesleurd,
het hart op de tong maakte
geen goede beurt.

Toch hoop ik, toch zoek ik
mijn ware gelaat
bij u terug te vinden,
bij u, inderdaad.