Vriend Noorderlicht

Ogen dicht, Vriend Noorderlicht,
je bent niet te beschrijven;
uw helle gloed, uw tegenlicht
zal steeds een raadsel blijven.

Wat is, wat was, wat blijven zal
doorploegt reeds dieper gronden;
op zoek naar al wat, bovenal,
nog niet heeft plaats gevonden.

Wat mij door jou werd toegekend
bleef steeds in goede handen;
en niets daarvan is, geen moment,
nog uit mij weg te branden.

Hier is ze dan: trage Mie Slak. Zich langzaam voortslepend onder haar huisje dat momenteel net iets te zwaar lijkt te wegen, want niezend & proestend, kniezend & hoestend alsof ze een lading zout over zich heen heeft gekregen. Niettemin de natte voelhorentjes bestoven met het geparfumeerde stuifmeel van de Blauweregen, want er staat een gouden cirkel rondom de dag van vandaag.

En de zon? Die lijkt nog slechts een schim te zijn van zichzelf: als een uiteen gespat duivenschijtsel op de plavuizen. De onvergelijkbare Sturkenboom had al de hele dag in vuur & vlam moeten staan, maar ook de zon zelve blijkt zodanig zwaar verkouden te zijn, dat een ultieme covid-test zich alsnog laat opdringen?

Ze proberen niettemin hun best te doen: Mie Slak sleept zich uit haar eigen slijm vandaan en de zon zoekt koortsachtig naar een gat om in de lucht te springen. Want ze willen vandaag allebei hetzelfde: een zichtbaar verschil maken met al de andere dagen van het jaar. Ter ere van hun eeuwige Vriend Noorderlicht: door de nood gedwongen, thans ver weg, maar buiten uur & tijd, altijd dichtbij.

Pur ti miro, pur ti godo, piu non peno, piu non moro: zolang ik je bewonder, zolang ik je omhels zal er geen pijn meer zijn, en geen verdriet. Monteverdi maakt er alleszins een onvergetelijk feest van, hetgeen ook de bedoeling is. Mooier kan het nauwelijks nog worden. Dus twee maal, voor nu & voor altijd.

ALLEEN AL DE BOMEN

Ter sprake, alsook reeds ter zake gekomen,
de eeuwige eindigheid van het bestaan.
Hoezeer ook de zeerte, alleen al de bomen,
ze vangen de vogels, de wind & de maan.

Ze troosten het trieste van wat is geweten:
dat mensen veel eerder verdorren dan zij.
De bomen, ze zien ons hen zien, maar ze weten,
één ding is zeker, ook dat gaat voorbij.

Al worden wij ooit achterovergeslagen,
al komt er een einde aan zijn & aan zien:
de bomen vertragen, de bomen verdagen
wat wij in hen zagen, voor nog lang nadien.