WINTERBLUES

Het huis te groot. Het bloed te dun. De neus te benig. Dat zijn alvast de bevindingen. Het haar te pluizig, het vel te perkamentig, het syndroom van Renaud in de vingers. Ze beginnen er uit te zien als slecht afgeschraapte schorseneren. Kortom: lelijk worden van de kou. De rode neus, nog net niet die van een cirkusclown. In de greep dus van de winterblues.

De angst van buik & flanken voor elke wc-gang, als dan die ijskoude pikkels zich onder de kleren moeten begeven voor de afstroping van ’t ondergoed. De schokken die dat teweeg brengt aan ’t diep verscholen vel, alsof er schrikdraad op staat. En ja hoor, terug van lang weggeweest: perniones, winterteentjes dus. De twee kleinsten beginnen er uit te zien als voos geworden kerstomaatjes. Je zou meteen zeggen: komaan, in de vuilbak ermee.

Er dient dus noodgedwongen ook ‘gesloefd’ te worden, en ook daar gaat veel zelfvertrouwen aan ten onder. Die fezelende voetstap, dat futloze geluid, die gestalte fnuikende schuiten die je doen besluiten: zo, de deur mag al op slot, ik ben in huis maar desalniettemin voor niemand thuis. De flauw geworden glimlachjes scheuren je de vellen van de mond. Bovendien van de ene bad-hair-day naar de volgende, met haren als gesprongen snaren van een oude mismeesterde viool. Zelfs de haarborstel schrikt ervan.

Het spiegelbeeld der herinneringen stelt zich bekken trekkend aan. Dat hooihopperig rondlopen binnenskamers – alsof er een klerencontainer over je heen is gekieperd – levert ook niet meteen een gunstig beeld op van Madam Lijf, op weg naar weeral een jaar ouder. Het verscholen gebeente schilfert zich te pletter onder al die noodzakelijke bedolvenheden, doch voorlopig is het veel te koud in het winterhuis voor tijdrovende opkalfateringen.

Zelfs de inkt der zwarte klik-Biccen vloeit minder soepel dan anders, als je daarmee de nacht noteert, terwijl de pegelneus aanvoelt als een jeukende winterteen op de verkeerde plaats. Echter, niet alleen het onder- maar eveneens het gedachtegoed heeft nood aan thermische omzwachtelingen, want ook de ziel bibbert, ook het inwendige raakt onderkoeld van ’s werelds wereldwijde winter. Terwijl buitenshuis out of the blue de dodelijke honger van de sperwer heerst, die het op de teergetinte tortels heeft gemunt. Laat de luiken geloken zijn? Maar tussendoor is er gelukkig ook nog wel wat ruimte voor vertroosting..

Een gloednieuw woord geleerd van een goede vriend, die knisperende zakjes vol dito lekkers had meegebracht, met de aanstekelige boodschap: ‘Voor een koekegoed jaar!’ Alom gebruikelijk blijkbaar in West Vlaanderen, maar vanaf nu dus ook in Mechelen. Het vrolijke labeltje hangt inmiddels ‘koekegoed’ aan de koffiekast in de ei zo na bevroren keuken.

Doch last but not least: drie in de bib veroverde Canetti’s in de schuif naast het bed, alsook eveneens het pas aangekochte ‘Boek tegen de dood’ van hem. ‘Voor honderd goden heb ik gestaan, en ik heb ze allemaal recht aangekeken, vol haat om de dood van de mensen.‘ En waarin hij tussendoor Soutine tot Emile Szittya laat zeggen: “Ik heb de dorpslager een keer de hals van een gans zien open kerven en hoe hij het bloed liet weglopen. Ik wilde schreeuwen, maar zijn vrolijke blik snoerde mij de keel. Die schreeuw voel ik nog altijd.”

Deprimerend? Toch niet. Als het beest goed gevoed wordt, vergeet het te bijten. Of om het met Canetti te zeggen: ‘Soms komen de dingen zo dicht bij elkaar in de buurt, dat ze elkaar in vuur & vlam zetten. Het is die plotselinge openbaring van nabijheid waarvoor je leeft.’

IK IS EEN ANDER?

Wie een fijne oude dag wil verkoopt zijn huis op tijd?
Slaapwandelen we ongemerkt naar een derde wereldoorlog?
India pikt de westerse dominantie niet meer?

Kortom, er ligt behoorlijk wat smurrie op Putteke Winter’s bodem.
Wie zou zich niet, net zoals ook de Portugese dichter Fernando Pessoa
soms willen afvragen: “Ik is een ander?”

Er zijn ziekten erger dan ziekten,
Er zijn pijnen die geen pijn doen, zelfs niet in de ziel,
Maar pijnlijker dan alle andere.

Er zijn gedroomde angsten, werkelijker
Dan die welke het leven met zich brengt, er zijn gevoelens
Die men voelt alleen door ze te denken
En die meer de onze zijn dan het leven zelf.

Er zijn zovele dingen die, zonder bestaan,
Bestaan, die tergend traag bestaan
En tergend traag de onze zijn, de onze en onszelf.

Boven het troebel groen van de brede rivier
De witte circumflexen van de meeuwen.
Boven de ziel de nutteloze wiekslag
Van wat niet was, ook niet kon zijn, en alles is.

°°°

Ik krijg wat ik mis –
zo niet hier,
dan elders, al is waar ongewis,
ik word toch
wat ik zelf beslis.

°°°

(Met dank voor de vertalingen van August Willemsen)

VAN OUD NAAR NIEUW

(EVEL ONTWERP)

De wensen van hoop, geloof & liefde zijn inmiddels al grotendeels over & weer gegaan, en al branden binnenshuis de oogverblindende lichtjes nog fulltime, in de winkelstraten zijn ze hun magische krachten al bijna geheel verloren. De ontnuchtering staat alweer te trappelen?

Met andere woorden: we hebben het weeral gehad? Wat er ook van zij: december heeft de winter als een kaneelkoek middendoor gebroken, en het hoopvol lengen der dagen weer in gang gezet, een mens zou al om veel minder verheugd kunnen zijn. De kerstengel is er om begrijpelijke redenen moe van geworden, maar heeft hij ons uiteindelijk toch niet een beetje opgepept gekregen? Laten we maar vinden van wel. Hij was sowieso onder ons, ja toch?

In ‘Thuis’ zag ik dat de kerstboom meteen al op tweede nieuwjaarsdag werd afgebroken: alsof het op slag een schande was geworden dat hij daar nog stond te staan. Voilà, kort & bondig afgewerkt, wat kan het ons nog schelen. Voorspel, naspel: niet meer van tel?

Het knallende vuurwerk, dat tussen oud & nieuw de boze geesten zou hebben verjaagd: dat valt helaas te betwijfelen, al geloofden de lallende bewonderaars wellicht van wel. Waar is de tijd van de eenvoudige vuurstokjes en dat feestelijk moment waarop ze joelend werden aangestoken boven de feesttafel. Toen je als kind nog moest leren om die venijnig prikkende gensters op je ver vooruit gestoken hand te durven verdragen, tot moeder ineens ontdekte, dat die gensters kleine schroeivlekjes maakten op het damasten tafelkleed.

Maar kijk, ook in het nieuwe jaar wordt de tijd onmiddellijk weer weggepikt, want geen minuut valt ervan te bewaren voor langer dan zestig seconden. Geen enkele hand of geen enkele horloge zal ooit groot genoeg zijn om het vorte voorbijgaan tegen te houden.

De nog lege agendas zoeken creatieve geesten voor een vrijblijvende, speelse of luchthartige flirt, affaire of avontuurtje? De keuze is geheel aan ieder voor zich. In ieder geval: nieuwe agendas schrijven goed. Het is deze keer een blauwe geworden, en uiteraard zoals van oudsher opnieuw een Paperbanks. Elke avond zal hij weer enkele lijnen afgetapte levensinkt van mij vragen. Echter, net zoals mijn bloed, reeds in hoge mate verdund.

En wat zullen wij er weer eens van gaan breien, van onze zelf gesponnen wol, in een poging om er zo weinig mogelijk steken bij te laten vallen, en anders dat ze alsnog zullen kunnen worden opgeraapt met een tevreden oefgevoel. Of wordt het toch weer een pannelap?

En belangrijker dan ooit: gaan we de vredesduif blijven behoeden voor verhongering, en eindelijk eens ophouden om duiven vliegende ratten te noemen? Wie zou niet willen dat zijn ziel een duif was die naar de hemel op kon stijgen uit z’n eenmaal ooit gestorven levenslijf.

En wat met ons hart, zal dat opnieuw weer als een soort zelfgemaakt speldenkussen worden doorprikt: handig, maar wel een beetje kneuzerig? Laat ons dan tenminste hopen dat het kopspelden mogen zijn met van die kleurrijke knopjes. Of van die lange met een hartje of een parel er bovenop. Hoe dan ook: prikken zullen ze. In ons doorzeefde hart.

Donkere wolken boven de wereldeconomie? Laten we elke witte wolk die we ons nog kunnen herinneren bewaren, in doorzichtige hars gegoten, als een hoopvol gegeven: dit zijn de wolken waar wij naar streven. Wolken als witte schapen met ingetrokken kop & poten.

En zullen we alstublieft, ten diepste gegriefd, de vogels hun steeds moeizamer grootbrengen der jonkies meer dan ooit blijven gunnen? Onze moordzuchtige katten binnen houden ’s nachts. De sperwers weg zien te houden van mijn tortels is al moeilijk genoeg.

En dan hier nog een kleine glinsterende wens, ver weg van kaswitvliegen & bonenspintmijt: mogen uw zelfgekweekte tomaten weer een mooie oogst worden, na succesvol te zijn gespeend, gediefd & afgehard, alsook door u behoed te zijn geworden voor meeldauw, neus-& wortelrot. Tomaten met alles tussen zuur & zoet, uw bord & uw welzijn tegemoet.

Maar bovenal: moge de rode draad die door ons aller levens loopt zowel een houvast blijven als een hersteldraad voor de geschondenheid van losgekomen verbondenheid. En dat de naald die daarvoor nodig is zich niet in een hooiberg bevindt, maar in de eigen naaidoos.

KERSTMIS

Is dit niet de warmte
waar mensen van dromen:
zo’n engel die op zulke
gedachten zou komen?

Met voor ieder hart en
huis op deze aarde:
zo’n hemelse omarming
van hogere waarde.

Laat hij in ’t licht daarvan
nog op zich wachten:
hou deze engel
toch maar in gedachten.

LEG NEER DIE BAL

Veel van ditte, niks van datte,
weer geen witte, weer een natte?
Zou allicht toch zijn gedooid,
sneeuwbal vooraleer gegooid.

Jij te ver voor het lukrake,
ik te onverricht ter zake?
Bommenregens, zwarte sneeuw,
Munch z’n wereldwijde schreeuw.

Niks konfijten, niks confetti,
doch ik dank Elias Canetti:
voor ‘Het Boek tegen de Dood’
op mijn nachtelijke schoot.

DE WIJSHEID VAN HET NIET WETEN

De Poolse dichteres, Wislawa Szymborska, geboren op 2 februari 1923 en gestorven op 1 februari 2012, is goddank dus toch 89 mogen worden. In 1996 ontving ze de Nobelprijs voor Literatuur, en werd ze door de jury geheel terecht ‘de Mozart van de Poézie’ genoemd.

‘Mooi portret van een gerimpeld, fijnzinnig, bescheiden oud besje… zo hebben we ze graag!’
Met die boodschap kreeg ik dit gedichtenbundeltje van Szymborska op mijn verjaardag toegestuurd door mijn Zusje Intimusje, en wat was ik er blij mee. Er zat ook een hartveroverende DVD bij waarop je haar aan het woord kunt horen. En zo fascinerend.

Zo is het genoeg? Hoe mooi ook die titel: voor mij is het alleszins nog lang niet genoeg. Die vierhonderd wereldberoemde gedichten van haar, in 40 talen, vol met ‘de wijsheid van het niet weten’, ook die wil ik graag nog allemaal onder ogen krijgen. Dat wordt sowieso een boeiende zoektocht, al was dat gisteren in de bib nog niet echt een succes. Wislawa, waar ben je, en hoe zet ik dat grappige streepje door jouw letter L? Ik wil er allemaal achter komen, het is gelukkig nog niet te laat. Hieronder het gedicht ‘De spiegel’ dat als een drone over de verwoeste steden van Oekraïne zweeft, op zoek naar die éne nog héle spiegel?

Ja, ik herinner me die wand
in onze verwoeste stad.
Hij stak bijna zes verdiepingen omhoog.
Op het vierde zat een spiegel,
die spiegel, niet te geloven,
was niet verbrijzeld, zat stevig vast.

Hij spiegelde niet meer iemands gelaat,
noch iemands haren schikkende handen,
geen enkele deur ertegenover,
niets dat de naam verdient
van ‘plaats’.

Het was net vakantie –
een levende hemel die zich erin spiegelde,
beweeglijke wolken in een wilde lucht,
door glinsterende regens gewassen puinstof,
vogels op de trek, sterren, zonsopgangen.
En zo, als elk goed gemaakt voorwerp,
werkte hij feilloos,
met een professioneel gebrek aan verwondering.

°°°°°°°

AAN MIJN EIGEN GEDICHT

In het beste geval
word je, gedicht van me, aandachtig gelezen,
becommentarieerd en onthouden.

Tref je het minder,
dan alleen gelezen.

De derde mogelijkheid is dat
je weliswaar wordt geschreven
maar even later in de prullenmand gegooid.

Je hebt nog een vierde uitweg tot je beschikking:
je verdwijnt ongeschreven,
tevreden mompelend in jezelf.

°°°°°°°

HET BOEK TEGEN DE DOOD

Vanmorgen wakker geworden, precies op hetzelfde uur als toen ik vijfentwintig jaar geleden uit mijn slaap werd gebeld met de boodschap: ‘Het gaat niet goed met uw moeder, het is best om zo vlug mogelijk naar het ziekenhuis te komen..’ Het woord dood werd niet uitgesproken, maar onderweg werd mijn ‘zielenzak’ alsmaar zwaarder, en voelde ik dat zij er niet meer was, onze begenadigde moeder. Ik ben toen in de trein al meteen aan haar doodsprentje begonnen. Om het op til zijnde verdriet nog even op afstand te houden?

Haar plotse nachtelijke dood in het ziekenhuis, een man & acht kinderen hebbend, maar niemand daarvan in de buurt om haar bij te staan tijdens dat fatale uur. Die bloedklonter die haar het leven benam, die twintig minuten durende reanimatie in haar dodelijke eentje.

En zo lag ze daar toen, ondraaglijk weerloos, de strijd verloren. Haar laatste wanhopige hap naar adem hing nog boven haar open gevallen mond, alsof bevangen door een dodelijke verbazing. En niks meer kunnen zeggen tegen ons. Vandaag, vijfentwintig jaar later, zijn zij & ik precies even oud, maar vanaf morgen zal ik alleen verder moeten met mijn zich schuldig voelende leeftijd. Vanaf morgen zal ik schaamtelijk ouder zijn dan zij ooit mocht worden.

Een paar nachten geleden noteerde ik uit het boek ‘Alptraum’ van Koos Van Zomeren (hetgeen blijkbaar misleidend ‘nachtmerrie’ betekent in het Duits): ‘Misschien komt het doordat ze hun naam behouden, dat we ons zo moeilijk kunnen voorstellen, dat de doden zich niet bewust zijn van hun dood.‘ En uitgerekend vandaag viel mijn geestesoog plots op een titel die mij uitermate fascineerde: ‘Het boek tegen de dood’, van Nobelprijswinnaar Elias Canetti. In meer dan tienduizend handgeschreven bladzijden geeft hij, zo te lezen, nauwgezet verslag van zijn streven om grip te krijgen op het ongrijpbare. ‘Lees, kind, lees!’

De dood was prominent aanwezig in Canetti’s leven. Toen hij zeven was, stierf zijn vader en hij heeft diens dood nooit willen accepteren. Als Jood tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft hij ook meer dan genoeg dood en verderf gezien. Hij heeft er een levenslange aversie aan overgehouden voor mensen die elkaar om wat voor reden dan ook doden: ‘Alsof het nog niet genoeg is dat mensen sterven, alsof ze elkaar een handje moeten helpen.’ Voilà. Enfin.

‘Prachtige observaties, verbeelding die hoge toppen scheert, indringende notities over de menselijke zucht naar onsterfelijkheid, over God en dood en dat die misschien één en hetzelfde zijn, over religie als een manier om ons in contact te stellen met de doden. Een weergaloze meditatie over de schaduwzijde van het leven’, zo lees ik in de bespreking ervan. Dat lijkt me dus echt wel een boek, waar ik aan toe ben, liefst meteen al vanaf morgen.

Liefste moeder, in elk woord dat ik zal lezen in ‘Het boek tegen de dood‘, zal ik jouw leven omarmen, maar weet, dat ik evenals Canetti al jaren lang ‘op zoek ben naar woorden om ze de dood in het gezicht te slingeren.‘ Echter, ik weet nu al, dat jij mij alsnog gerust zult stellen, want jouw vijfentwintigjarige dood, milde moeder, is zoveel meer dan ‘een korreltje niks’.

LIEFSTE ROB

Bert ging je altijd voor,
Bert was de vaandeldrager.
Gaf hij zijn vaandel door,
aan jou, de doodverjager?

De eindeloze knoop
van Bert z’n eeuwig leven,
blijft buiten tijdsverloop
met die van jou verweven.

Trekt zo een dubbel spoor,
een vlugger & een trager.
Bert leeft nu achterstevoor,
jij bent zijn trommelslager.

***

GOUDZOEKER

Vaarwel Oude Vertrouwde. Ik doe het nu met een nieuwe. Jij was te traag geworden, maar meer dan acht jaar ben je mijn trouwe bondgenoot geweest, mijn go-between tussen droom & daad. En ook al stonden er eveneens vaak wetten in de weg & praktische bezwaren, alsook weemoedigheid die niemand kon verklaren, je wist mijn wenken & mijn woorden hun recht te geven of, indien nodig, hen geduldig terecht te wijzen. Doch mijn actie & jouw reactie bleken niet langer compatibel, dus daar viel niet veel heil meer van te verwachten. Maar, oude weerspiegelende Lieverd, je bent me niettemin zeer dierbaar geweest.

De Nieuwerd echter stelde zich in eerste instantie uitermate ontoegankelijk op. Dat leidde onvermijdelijk -zo ben ik dan wel- tot belachelijk gedrag, te horen aan mijn jankerige kreten & te zien aan de uitgerukte haren rondom mijn vergulde toetsenbord. Elk woord dat ik op wilde schrijven raakte omsingeld door bemoeizuchtige kaders, wie zou niet jammeren als een karikatuur van zichzelf.

Goede Gezel vroeg zich wellicht af: wat was dat voor een schreeuw, wordt ze geëlektrocuteerd? Hij snelde toe als een éénmanse reddingsbrigade, maar het bleek gelukkig minder erg, voor hém dan toch. Hij wist het oerwoud van computerale inmenging aardig weg te snoeien, zodat ik eindelijk weer een weg zag doorheen al die overbodige mogelijkheden. Dit scenario heeft zich niettemin ettelijke malen herhaald, een perpetuüm mobile gelijk. Uitermate confronterend.

Hoe dan ook: Nieuwerd ziet er prachtig uit, ik heb hem Goudzoeker genoemd. Hij lijkt te mooi om waar te zijn, te mooi om die morsige zoektocht naar de juiste woorden met mij aan te gaan. Zijn honinggeel muteert vanzelf naar goud en wat een zonnige aanblik. Zeker nu er vandaag nogal wat grijs achter de ruiten hangt lijkt hij de werkelijkheid te overklassen als een fata morgana, en doet hij mij prevelen: heer ik ben niet waardig. Laat ik het niettemin toch maar proberen?

Er klotst voorlopig een zilveren zee over mijn bureaublad, met in de verte een horizonbrede zwarte rots, als een soort buffer tegen de ellende van de wereld daarachter, zo lijkt het wel, al is dat natuurlijk maar zinsbegoocheling, zoveel is zeker. Ik zal er allicht niet naartoe zwemmen: enige terughoudendheid zit mij in het bloed. Maar komaan, Goudzoeker, laat je niet tegenhouden door dit mens.

Het eerste bericht dat op Nieuwerd binnenliep was dat van een zeer nabije vriend, wiens oudste broer die namiddag gestorven was: ‘na het licht het donker in’. Daar heeft Goudzoeker zich meteen ten diepste over ontfermd. De vriend & zijn verdriet, de broer & zijn voorbije leven: daar kan geen enkel wachtwoord nog tegenop. Dit eerste overrompelende bericht maakte er meteen ontegensprekelijk een mij toegeëigende computer van. Opgestart, wit op zwart, na aan het hart.

BIJ ZONDERTJE

Zonder angel, te ontduiken,
onnodig haar weg te slaan.
Blijft uw naam naar nectar ruiken,
zal haar dat wel niet ontgaan.

Zal haar korf niet meer verlaten,
laat stuifmeel onaangeraakt.
Doch verzegeld in de raten
wordt uw honingdauw bewaakt.

Acht de hoornaar niet bij machte,
noch de honingslingeraar,
om haar zoemende gedachten
weg te roven van aldaar.

Bij genaamd, nabij te noemen,
mensvormig, antropomorf?
Laat Bij Zondertje maar zoemen,
in haar honingzoete korf.

LIEDJE VOOR LATER

– “Dag lieverds, wij blijven in Gent dit weekend, we zijn heel moe. We gaan morgen lekker eten maken en naar het Smak om onze 3 jaar samen te vieren..”

Aldus het sms-je van kleindochter Engelina, vanuit hun gezamenlijk kot in Gent. Een berichtje als een dansend ééndagsvliegje in de najaarszon. Ik werd er blij van, maar tevens ook wat weemoedig. Drie jaar alweer? Alsof ik er in een flits de film van mijn eigen leven in zag herhalen. Hoe dan ook, het sms-je ontroerde mij, zowel wat betreft het feestelijke ervan, als het immer, immer voortschrijdende.

En hoe wij meegesleurd worden in de tijd, tot wij er elke seconde van bewust zijn geworden dat het niet zal blijven duren. Dat wij niet bij machte zullen zijn om onze nakomelingen levenslang bij te staan. Dat wij vanaf (on-)zekere datum niet meer op de hoogte zullen zijn van hun reilen & zeilen. Want geen sms-jes meer.

Dus heeft, bij leven & welzijn, deze melige Omi-Pomi daar maar al te graag op geantwoord met haar zoekende wijsvinger, nu het nog volop kan: “Al drie jaar samen? Dat mag inderdaad worden gevierd! Geen wonder dat de zon zo uitbundig hangt te schijnen als een gouden slinger van verrukkelijk licht!” Leef, kind, leef!

En toen moest ik denken aan dat prachtige liedje van Robert Long: Weet je nog, Gent? Alsook aan het feit dat Long zelf ook al lang niet meer op de hoogte is van de-dag-van-vandaag, maar dat maakt zijn liedje juist nog zoveel mooier. Een liedje over vroeger, dat klinkt als een liedje voor later. Oktober weet er alles van.

MEEDOGENLOOS UNANIEM

Geachte De Vadder, Brink- & Beeckman,

Geachte blijf ik sowieso een gepaste aanspreking vinden, echter wat betreft de Afspraak van vrijdag 30 september laat ik voor deze keer de voornamen liever achterwege. Op politiek vlak voel ik mij eerder ongebonden, maar ik heb u tijdens die betreffende uitzending niettemin alle drie met stijgende ergernis aanhoord. Ik waande mij zowaar in een rechtszaal: daar zitten de rechters ook zo met z’n drieën naast elkaar, hoog boven de rooster der beklaagden.

Echter, deze keer leek het eerder een rooster te zijn van een heet geblakerde barbecue: hoe had u uw vlees graag gehad? Drie maal saignant, zoals bleek. En zo kreeg ik het dus ongevraagd eveneens op mijn bord: bloedend. Quasi rauw.

Vervolgens moest de hele CD&V, en vooral diens voorzitter, blijkbaar hoognodig onder de scanner, waarna de vermeende diagnose op uiterst gevoelloze wijze werd meegedeeld: “Ongeneeslijk, we dachten het al.” Meedogenloos unaniem.

Op zeker moment moest ik zelfs denken aan het Orakel van Delphi, waar de Pythia haar godsspraak pleegde te verkondigen op haar Drievoet. Doch hoe zangerig ook, het werd een onthoofdend betoog. Als een mes op de keel.

Beste hooggeachten, ik kan niet anders zeggen, dan dat mijn vrijdagavond zowat naar de knoppen was, en dat ik die ongenade van jullie tenenkrommend vond. Wat zeg ik: het leek wel alsof de Parketschavers van Caillebotte door mijn maag kropen. Toevallig ook met z’n drieën. De schilder echter had een veel effectievere aandacht voor de benadering van het onafwendbare ‘tegenlicht’.

DE KRANTENCOMMENTAREN?

Toegegeven, er schiet mij steeds frequenter iets in het verkeerde keelgat, en dat verwekt -sorry- onaangename geluiden. De leeftijd? Er vallen niettemin zowel op lijfelijk als op geestelijk vlak soms behoorlijk veel stekeligheden door te slikken: van glasscherpe stokbroodkorsten tot niets of niemand ontziende oordelen van quasi Jan & Alleman. Even stuitend als een gans die kunstmatig wordt gevoed.

Op sommige dagen begint dat al voor dag & dauw op de wekkerradio met ‘de krantencommentaren’, zeker als er weer eens iets gaande is in de Wetstraat. Ik ervaar ze vaak als regelrechte ‘stemmingmakerijen’ die me aan braakballen doen denken. En hoe ze vervolgens op onsmakelijke wijze uiteen worden gepeuterd, omdat wij er blijkbaar mordicus van op de hoogte moeten worden gebracht om ‘wiens overblijfselen’ het precies gaat. En vooral: waarom die domme prooi zich heeft laten pakken door de dus zoveel wijzere uilen-van-dienst & hun epigonen.

Zeker als het héle persoverzicht zich over diezélfde nog warme braakbal buigt: wie heeft de felste zaklamp of het beste vergrootglas op zak, wie weet het meest origineel of gevat uit de hoek te komen? Het lijkt soms wel een heuse wedstrijd slam-poézie, onder het meeslepende motto: je moet het maar kunnen?

Stront aan de knikker, zegt de pennelikker? Alleszins blijkbaar woorden genoeg ter beschikking om de stank ervan beschreven te krijgen, of de ruige roep te lanceren: “Stront, wie heeft je gescheten?” Eerlijk gezegd, ik hoef het niet te weten, dus weg ermee. Al krijg ik hem soms zo maar moeilijk doorgesjast.

Vooral het genadeloze ervan geeft mij een uiterst onaangenaam gevoel om de dag mee te beginnen. There is method in this madness? Ik hoor er het ergerlijke getik in van hijgende computers, een geluid dat mij zelfs voor de mooiste woorden sowieso al op de zenuwen werkt. Echter: zo weet ik tenminste ‘gefundeerd’ wat ik overal van moet denken? Ik ben Marie Huana, en dit waren mijn sowieso overbodige randcommentaren van donderdag 29 september.

DES DUIVELS WOORDENBOEK

Weg met de gezelligheden, weg met de sentimenten? Of hoog tijd voor – zoals ik in de Groene Amsterdammer lees – ‘een feestelijke fanfare van de provocerende definities van Ambrose Bierce, die nog steeds herkenbaar zijn’? Hij vocht tijdens de burgeroorlog voor de Noordelijken, raakte gewond en bleef zijn hele leven lang rondlopen met een kogel in zijn kop. Een mens zou van minder ‘duivels’ worden, zou je kunnen denken.

‘De 19de eeuwse Amerikaanse satiricus, schrijver, criticus, uitgever & journalist Ambrose Bierce werd geboren op 24 juni 1842 als tiende van dertien kinderen in een blokhut in de nederzetting Horse Cave in Ohio. Zijn ouders omschreef hij als ‘ongewassen wilden. Hij legde zich toe op de journalistiek en verwierf faam met zijn vilein geslepen & genadeloze pen. Op de vraag welke klassieke auteur bestudeerd moest worden als het ging om de opvoeding van kinderen antwoordde hij: ‘Bestudeer Herodus, mevrouw! Bestudeer Herodus!’

Samengevat: verontwaardiging was zijn motor, ‘nothing matters’ was zijn lijfspreuk, beschimping was zijn vak. Hij liet een oeuvre na van 5 miljoen woorden. Zijn meest bekende boek is ‘The Devil’s Dictionary’, een vademecum voor de cynicus, zoals het wordt aangeprezen, met daarin 1.851 duivelse lemma’s. Deze bijbel voor de cynicus, deze geruststelling voor de sarcast, kon eigenlijk uitsluitend vertaald worden door Bindervoet & Henkes. Aldus de achterflap.

De tijd lijkt me rijp om eens even een voortvluchtige blik te werpen in dat Duivelse Woordenboek van Bierce. Kwestie van ons te wapenen tegen de ongenadigheid van de tijd, of om ons alvast te ontdoen van onze overgevoeligheden? Hoe dan ook, deze stelling zou wel eens zijn meest rake kunnen zijn: ‘In elk menselijk hart huist een tijger, een varken, een ezel & een nachtegaal. Het verschil in karakter is het gevolg van hun ongelijke activiteit.’

AANHANKELIJK?
‘Volledig ingesteld dus op het lastigvallen van anderen. Het aanhankelijkste dier op aarde is een natte hond.’ Met andere woorden: ik schud mijn natte pels, tot verschrikking van.

AANGEHOUDEN?
Op heterdaad betrapt zonder genoeg geld op zak om de politieman tevreden te stellen.

AFFECTIE?
Voor de zedenleer, een gevoel; voor de artsenij, een ziekte.

BEROEMD?
Er in het oog springend ellendig aan toe zijn.

KAT?
Een zachte, onverwoestbare automaat die de natuur heeft verschaft om een schop te geven als er iets misloopt in huis.

MILLENNIUM?
De periode van duizend jaar waarin het deksel dichtgeschroefd wordt, met alle moraalridders en fatsoensrakkers eronder.

OCEAAN?
Een watermassa die ongeveer twee derde in beslag neemt van een wereld die gemaakt is voor de mens – die geen kieuwen heeft.

OPPERHUID?
Het dunne velletje dat net buiten de huid en net binnen de viezigheid ligt.

PA?
Een vader die door zijn vulgaire kinderen niet gerespecteerd wordt.

PERS?
Een machtige vergrootmachine die met behulp van ‘wij’ in drukkersinkt het gepiep van een muis verandert in het gebrul van een redactionele leeuw aan wiens uitingen de natie (vermoedelijk) hangt met ingehouden adem.

PLEZIER?
De minst verschrikkelijk vorm van neerslachtigheid.

POEZIE?
Een expressievorm die aangetroffen wordt in het Land voorbij de Tijdschriften.

POLEMIEK?
Een veldslag met spuug of inkt ter vervanging van de krenkende kanonskogel en de onachtzame bajonet.

PRESIDENTSCHAP?
De ingevette big van het volksvermaak op het veld van de Amerikaanse politiek. In sommige, beschaafdere landen is het een spreekwoordelijke paling in een emmer snot.

PRIJS?
Waarde, plus een redelijk bedrag voor de slijtage aan het geweten voor het vragen ervan.

REBEL?
Een voorstander van nieuw wanbestuur, die er niet in geslaagd is dat te vestigen.

ROESTIG?
Het zwaard van Vrouwe Justitia.

RUS?
Iemand met een Kaukasische huid, een Mongoolse ziel en Tartaars vlees.

SPIJT?
Dat schijnt ‘het bezinksel in de mok des levens’ te zijn.

STEM?
Het instrument en het symbool van het vermogen der vrije burgers om zichzelf belachelijk te maken en van zijn land een puinhoop.

VOLHARDING?
Bescheiden deugd waarbij de middelmaat een onbeduidend succesje haalt.

VOORGEVEL?
Uitsteeksel op het menselijk gezicht dat begint tussen de ogen en negen van tien keer eindigt in andermans zaken.

HOOGZOMER, OF ALLES ONDER VOORBEHOUD?

Mijn god, met welke jurk krijg ik heden ten dage het zwetende lijf nog enigszins gefatsoeneerd? Want lap, te krap, de ene jurk na de andere. Buik heeft z’n huik blijkbaar naar de wind gehangen: eet, kind, eet, Hoogstraatse aardbeien zijn een feest, daar moet slagroom bij. En koffie-met-blote-kont, daar houden wij niet van.

Afspraken maken om elkaar nog eens te zien? De voorgestelde data jagen elkaar als verhitte mobilhomes achterna naar nergens & overal. De hamvraag ‘zal het weer niet te broeierig worden voor zo’n zitgatterig bijbabbelgebeuren’ is de maat der dingen geworden. Toch niet binnenskamers bij de ventilator zeg.

De verandadeuren al dan niet laten openstaan? Ook dat blijkt deze zomer niet echt een optie. Sinds Kattekop er niet meer is, raakte de focus verlegd naar het lokken van vogels en strooi ik daartoe ruimhartig granen in het rond. Daar zijn vinnige veldmuisjes aan ontsproten, en die wil ik liever niet binnen krijgen.

Groen wat hou ik van je groen, groen de wind en groen de takken? Dankuwel, Garcia Lorca, maar men spreekt reeds van een vervroegde herfst. De bomen krijgen de regenwolken niet meer aan hun kruin geregen, de varens smeken om genade, en het slakkenvolk aast radeloos op stukjes komkommer of watermeloen. Ik doe mijn best, maar veel goede punten krijg ik daar niet voor.

En conditio sine qua non: moeten we vroeger dan ooit deze zomer een gordel van kruidnagels aangespen, ter afschrikking van de wespen? Men noemt ze picknickterroristen, en ze worden dood geslagen waar je bij zit, terwijl ze al honderd miljoen jaar langer op aarde vertoeven dan de bijen. Bovendien zijn ze veel slimmer & net zo onmisbaar voor het evenwicht op aarde. Niks aan te doen.

Een gemiddelde wespennest vangt zo’n 5.000 kilogram insecten per jaar, om hun larven mee te voeden. Die scheiden op hun beurt een zoetstof af, waaraan de wespen zich te goed doen. Vanaf augustus zijn er minder larven, dus minder zoetstof, en gaan de wespen op zoek naar andere zoetigheden. Dus zet ik een bordje met confituur in een verloren hoekje, en daar zitten ze tot het donker wordt geobsedeerd bovenop. Ik ga er op mijn beurt gefascineerd boven hangen.

Elk voorjaar moet ik op de naaikamer een wespenkoningin uit de gordijnen bevrijden, op weg naar buiten. Altijd even een zenuwmomentje, zowel voor mij als voor haar, maar er is de vaste belofte: we gaan elkander geen pijn doen, hé.

Maar gelukkig zijn er op tijd & stond wat wolken, die de Koperen Ploert een beetje proberen te temperen, of een zomerzusje dat verjaart tot in al mijn vezels. Alsook de koffiezolder van boekhandel De Zondvloed, alwaar ik meteen gecharmeerd raakte van ‘Het hart van de schorpioen’ alias dat van Paul Claes. Om een paar dagen later met veel vreugde zijn ‘Glimpen’ en zijn ‘Honderd notities van een alleslezer’ te mogen ontlenen aan de zegeningen van de bib.

Om maar niet te moeten spreken over al die festivals, al dat gesport & gespartel, alsook dat eeuwig gekampioen: het zou zonder niet echt zomer zijn, naar ’t schijnt? Dan toch liever die lekkere geuren, die uit de omringende tuinen opstijgen, ook al roepen ze de bedenking op, dat de buren wellicht lekkerder gaan eten dan wij. Lag er niet nog zo’n lekkere coeur de boeuf in de koelkast?

Hoogzomer dus, maar waarlijk niets nog zonder voorbehoud. De soep wordt zuur waar je bij staat. Ik die mij bovendien sprakeloos heb gemeld aan wie ik graag woordgetrouw had willen blijven, waardoor het hart thans kriebelend overwoekerd wordt, als door een horde mieren op een schijf watermeloen, die voor de slakken was bedoeld. Zodat er alleen nog maar een rozig verdroogd vel van overblijft. Daar komen zelfs in de vuilbak geen fruitvliegjes meer op af.

Kortom, noch het lijf noch de ziel weten blijf met zichzelf in deze ploertige dagen vol bedreigend wereldnieuws & dito droogte. Met de glimmende neus op de klamme feiten, een hart van melkchocolade in de lamslagende hitte, en met het bloed hoewel verdund als vloeibaar lood in de aderen. Amai, zucht de hangmat.

But thank heaven, there’s always music in the air? Voor zowel de sprakelozen als voor de niet meer aangesprokenen, bijvoorbeeld uit Mozart’s Cosi fan Tutte: ‘Suave sia il vento, moge de winden zacht zijn & de golven rustig, en moge elk element ingaan op onze wensen…’ En voilà, we zijn al weer vertrokken.