Hoe kan je van de nood een deugd maken:
vervang de ‘d ‘door een ‘t’ en haal de notenkraker
weer tevoorschijn? Immers, in de ‘noot’ leert men z’n voorkeur
kennen: liever overleven op noten dan op fruit.
Het is nu eenmaal het nootlot der noten om gekraakt
te worden en dat vraagt noot-zakelijkerwijs enige behendigheid:
aanzetten bij de naad van de noot en langzaam druk opbouwen.
Ik weet inmiddels hoe ik de uitdaging aan moet gaan,
om die kronkelige hersenachtige pit geheel blank te krijgen.
Hoe huiveringwekkend verrukkelijk, wanneer dat vliesje zich
in één kronkelende beweging laat losmaken, als een soort lopend vuurtje.
En hoe lekker dan, die blanke pit, ontstolen aan de harde bolster.
De woorden notenboom & oktober zijn al poëzie op zichzelf: elke letter
ervan als een dichtregel, wat zou je daar nog aan toe moeten voegen?
Ooit is mij in mijn kindertijd pijnlijk verweten bevriend
te zijn met mijn beste vriendinnetje, omwille van de begeerde zak
verse okkernoten die ik in de herfst van haar kreeg. Maar ik
herinner mij vooral die legendarische notenboom, waaronder wij
als een troep bevriende buurtkinderen ‘potteke stamp’ speelden,
en ‘Schipper, mag ik overvaren, ja of nee?’
Vroeger kon ongeveer elk verhaal nog verteld worden in een notendop.
Dat is inmiddels quasi onmogelijk geworden. De wereld krijgt
z’n harde noten haast niet meer gekraakt, er is teveel geweld voor nodig
om ze open te krijgen, waardoor de inhoud verbrijzeld dreigt te worden.
Zo wordt de ‘t’ dan toch weer opnieuw vervangen door de ‘d’
en breekt nood weer wet, of is het eerder andersom?



















































