Voor nu, voor straks of voor vanavond. Om toch nog iets te beleven, nu het buiten veel te warm is om buiten te komen en het wereldnieuws al even verstikkend is als de ademloze hitte. Wetend weliswaar wat er in de wereld allemaal gaande is, nu we zelfs al niet meer schuldloos op een strand mogen zitten in de buurt van bosbranden.
Tussendoor, – eveneens als een soort guilty pleasure? – dan toch iets te beleven, onder de wervelende aanmoediging ‘Folow the light’ van ‘Veloscuro’, het audiovisuele project van de Australische kunstenaar Adam Brady. Gemaakt vanuit een passie voor beeldende kunst, klassieke muziek en compositie. Het combineert filmische muziek, surrealistische beelden en poëtische verhalen. Velo =sluier, curo = donker.
Dit doet hij inmiddels alvast niet meer: naar mij kijken & mij herkennen als zijn voedstermoeder, kauwen kunnen dat. Maar plots zag ik, dat hij geen hoogte meer kon halen, hooguit nog een uiterst onvleugelijke meter.
Hij verschool zich bang huppend onder de laurierstruiken. Ik vroeg me af: een jong, te vroeg uit het nest gevlogen? Zou ik eindelijk mijn kans schoon kunnen zien? Ik zag hem in gedachten al getemd op mijn schouder zitten.
Echter, dat bleek de volgende morgen geen optie meer: ik vond hem met gespreide vleugels op een hoopje bladeren, zwaar happend naar adem. Dus voorzichtig opgepakt en in een doos op een handdoek gelegd.
Zijn stervensuur, zoveel werd al gauw duidelijk. Ik probeerde nog met een pipetje wat water in zijn bekje te druppelen, doch daar schrok hij alleen maar van. Ik zag hoe zijn veren nog volop bezig waren zich te vernieuwen.
Niettemin verder nog helemaal intact. Dat bekende grijze kauwenpruikje op z’n kop bleek bijzonder dikharig & zacht. Even later lag hij ineens met een ver opengesperde blik en hoop je natuurlijk: gestorven van ouderdom.
Ik wist dat kauwen rouwen om een gestorven medestander, maar wou het tafereel niet afwachten gezien de hitte. De vleesetende vliegen waren meteen niet meer weg te slaan, dat kon ik niet goed verdragen. Toch spijt vanachteraf.
Dus begraven onder de laurierstruiken, doch niet zonder eerst een afgevallen blad over zijn opengesperde oog te leggen, zodat hij mij tot onder de grond zou kunnen blijven herkennen. Hem met aarde toegedekt, onder het gestolen motto: kauw van jou.
Het was lijf-ontluisterend. Spiegel-onterend & verleptica-liserend. Althans wat mijn door de hitte bovengespitte zielement betrof, ontdaan van bedekte termen, zoals ‘ware-schoonheid-zit-van-binnen.’
Echter, de overprikkelde hypothalamus aldaar kreeg het welvoeglijke nog nauwelijks klaargespeeld. Bovendien bleek dat binnenste vooral uit zweet te bestaan & de daarmee gepaard gaande onfatsoenlijkheden.
Het lijf dat nog nauwelijks kleren verdroeg. Het geboezemte dat de beugels weigerde en naar een verdieping lager wou. Om van de lichtschuwe ontreddering van armen & benen dan nog niet te spreken.
De hangende oogleden half neergelaten als ‘blaffeturen’ want dat is het juiste woord: om daar dan ’s nachts mee naar de maan te blaffen, als het lijf geen dek wil, maar het dek er niettemin om schreeuwt.
Terwijl naast het bed de draaiende torenventilator als een wachter-op-de-morgen het verdorde landschap overschouwde ter preventie van moord & brand, in een poging de ‘natteboltemperatuur’ te temperen.
En dan dat heikel punt: mogen wij het al dan niet een hittegolf noemen? Hoe of het ook heet, het zal ons zowel worst als dorst wezen! Al heette het Hitlergolf: je moet het sowieso zien te overleven, dat soort horror.
En daar zijn ook, in alle soorten, de vliegen weer. Alledaagser kan ik het niet maken. Alhoewel: 200 vleugelslagen per seconde, en 80 km per uur? Zelfklevende pootjes en duizenden kleine lensjes in hun ogen, waarmee ze in slow motion kunnen waarnemen, 360 graden in het rond?
Ik moet weer denken aan die vreselijke kleefrolletjes, die je vroeger her en der zag hangen, en waaraan ik als kind reeds een gruwelijke hekel had: de wanhopige onmacht van die nog levende verkleefde vliegen.
Terwijl ik als kind zo kon genieten van hun kriebelende pootjes op mijn huid. Geen vlieg kwaad willen doen, dat was toen al aan mij besteed. En nog steeds red ik de zwalpende fruitvliegjes uit mijn wijnglas, om ze daarna voorzichtig droog te deppen met de punt van een stuk keukenrol.
Cyrille Offermans noemde Elias Canetti in de Groene Amsterdammer ‘Een onfrustreerbare humanist’: ‘Van sommige schrijvers hoop je dat ze heel oud worden. Van Elias Canetti hoopte ik dat meer dan van wie ook. Hij had nog zoveel te zeggen, zijn werk hield nog zoveel beloften in (hield? over zijn werk moet nog haast alles worden gezegd).
Maar mijn hoop dat Canetti een oudtestamentische ouderdom zou bereiken werd toch vooral ingegeven door het verlangen dat hij erin zou slagen de dood blijvend op afstand te houden. Van de niet-religieuze moderne denkers is er niemand die de dood zozeer als een onacceptabele schande heeft gezien, niemand ook die zich zozeer tegen die schande heeft verzet. Als er ooit iemand in zou slagen aan de dood te ontglippen, dan was het Canetti.
Bij wijze van afleiding schreef hij dagelijks twee uur ‘Aufzeichnungen’ op. Twee selecties daarvan zijn in het Nederlands vertaald. Uit de laatste, Vliegenpijn, citeer ik het laatste aforisme, een zin die illustratief is voor Canetti’s onbreekbare en onfrustreerbare humanisme: ‘Wanneer hij zegt dat hij aan niets gelooft dan aan gedaanteverandering, betekent dit dat hij zich oefent in het ontglippen, wel wetend dat hij de dood nog niet ontglippen zal, maar anderen, ooit anderen.’ Tot daar Cyrille Offermans.
Nu ik ‘Vliegenpijn’ in eigen bezit heb, vond ik daarin dat beklijvende verhaaltje terug, waaraan de titel van Canetti’s boek later is ontleend:
‘Het verschrikkelijkste verhaal vond ik vandaag, in de herinneringen van een vrouw, Misia Sert. Ik noem het vliegenpijn en geef het letterlijk weer: ‘Een van mijn slaapgenootjes was een kampioene geworden in de kunst van het vliegen vangen. Geduldige bestudering van die diertjes had het haar mogelijk gemaakt precies de plaats te vinden waar je de speld doorheen moest steken om ze op te prikken zonder dat ze stierven. Zij vervaardigde op deze manier kettingen van levende vliegen en raakte in verrukking over het hemelse gevoel dat haar huid ervoer bij de aanraking van de wanhopige voetjes en trillende vleugeltjes.’
En daar ga ik het bij laten, opnieuw enigszins met verstomming geslagen. Bovendien, veel te warm voor meer. Zélfs voor de vliegen.
Waar nuttig of nodig
trek ik mij terug
in eigen behoeftig behelp.
Maar niet als een oester
die wordt losgerukt,
uit eigen geforceerde schelp.
Laat staan als een mossel,
door hitte vermurwd,
zich open puffend in een pot.
Hoewel, zelfs als stoffelijk
overschot nog lekker
gevonden worden: why not?
HIJ IS.
HIJ BEWOONT EEN KURAS.
HIJ IS. HIJ BEVEELT.
GOOIT KASTANJES IN ANDERMANS VUUR.
LACHT IN ZIJN MODDEREN VUIST.
BEVEELT.
HIJ IS EEN STUIPENDE PRUIK
VAN GEWICHTIGHEID.
EEN BUIK.
BEVEELT:
AANSTAANDE LIJKEN IN HET GELID.
HIJ IS.
OOGSTENDE HEREBOER
OP ANDERMANS DODENAKKER.
BEVEELT.
HAND DIE ZICH SLUIT
ROND ANDERMANS STROT.
HIJ IS.
BLIJVEND.
ELLEN WARMOND (1930-2011)
Vannacht zou ik de volle maan willen toeschrijven aan de dichter Willem van Toorn, die vandaag twee jaar geleden de ‘Blue Planet’ heeft verlaten.
Daan Cartens blikte toen terug op het leven en werk van zijn goede vriend Willem van Toorn die ‘hartelijk en gul was, maar ook eigengereid en eigenwijs en trots was op zijn ijdelheid.’
‘Op 18 mei 2024 stuurde Willem zijn vrienden een mailtje: ‘Helaas moet ik het laten afweten bij de presentatie van 30 mei. Ik ben in het (uitstekend) ziekenhuis van Chateauroux beland. Pech, hè!‘
‘Die presentatie betrof zijn laatste werk: ‘Kafka voor beginners’, een aanstekelijke inleiding voor Kafkalezers, geschreven in de klare taal die Van Toorn eigen was. Hij heeft zijn boek nog in handen gehad, maar de eerste positieve kritieken heeft hij niet meer kunnen lezen. Hij overleed in de ochtend van 31 mei 2024, 88 jaar oud.’
Aldus Daan Cartens, hoewel die eerder ooit had gezegd: “Willem gaat niet dood, die leeft veel te graag.”
Moge de volle maan vannacht haar licht laten schijnen over Willem van Toorn zijn opmerkelijk nalatenschap, waarvan hieronder een bevestiging ‘ins blaue hinein’.
Een kraai bij Siena
Hoe een kraai vliegt over de heuvels bij Siena: een verkreukelde zwarte lap boven het koperen landschap. Werkt zich rot, denk je van onderaf, met die averechtse vleugels.
Door de kijker zijn slimme snavel, zijn eigenwijs hoofd: hij lapt het toch maar. Niet de begaafde vlechtwerken boven de stad van de zwaluwen — hij blijft een aardse
zitter, die heeft gedacht: waarom zij wel verdomme? en is opgestegen om zich verbaasd te begeven naar dit veel te grote blauw.
Hoe zich deze woorden bewegen ongeveer van mij naar jou.
Willem van Toorn (1935-2024) uit: Ik maak je hierin aanwezig (Querido, 2026)
En na het songfestivalgedruis, the sound of silence? Alsook de bedenking: wat is er mis met een gewoon mooi liedje? Zo’n liedje dat zich woord voor woord ontvouwt en je verwonderd doet opkijken. Gezongen door een stem die gerust mag kraken, mooie liedjes malen daar niet om.
Doch zonder windmachines, blote billen en uitzinnige aankleedsels hebben veel liedjes blijkbaar niet veel meer om het lijf. En daar horen, zo te horen, dampkring-ontvliedende kreten bij, alsof ze op elke planeet moeten worden gehoord: er mocht daar ook eens leven zijn..
Hijgende rond crossende zingmensen waarvoor men in katzwijm valt, onder een flikkerend uitspansel, zo groot als het heelal. Ik geef toe: mijn gezeur klinkt behoorlijk ouderwets. Maar ach, wou de merel nog maar zingen, je zou mij niet zo horen klagen.
Niettemin: ze zijn er nog wel, die mooie liedjes voor des levens eeuwigheid. Alsof gezongen in de stilte van de nacht, zoals bijvoorbeeld Frank Vander Linden dat kan, of Robert Long, Stef Bos, Jan De Wilde…. Je moet er alleen wat langer voor willen wakker blijven.Of slapeloos, desnoods.
Hoe kun je ooit blij zijn met een dode mus. Wat een contradictio in terminis. Ik vond er plots eentje bovenop de opgerolde tuinslang in het tuinhuis.
Al zou het ook een mereljong kunnen zijn, te zien aan dat scherpe snaveltje? Maar veel maakt dat uiteindelijk niet uit, ik kromp er hoe dan ook van ineen.
Die lijdensweg, dat ver open gesperde bekje, dat bijna afgestorven pootje, waarmee het hopeloos bleek te zijn vast geraakt tussen de tuinslang-windsels.
Ook de vleugeltjes stonden nog open, er was geen plaats geweest om ze in te trekken. Van honger, van dorst en van kou dus. En van een niet in te beelden schrijnende eenzaamheid.
Het is niet, omdat het vogeltje geen mens was, dat het mij minder zou raken: dat maakt voor mij geen wezenlijk verschil op zulke verbijsterende momenten.
Lijden verdwijnt niet omdat het voorbij is. Het blijft boven de aarde hangen. Het is door niets nog weg te cijferen.Tijd is een verzonnen begrip, vrees ik: er is alleen het eeuwige nu.
Ik weet mij geen raad met het lijden op de wereld: brein is daarvoor te klein. Ogen te bang van doornen. Gemoed te binnenskamers. Hart teveel eigenzuchtig gepomp.
Te onoplettend, te kwakkeldoof of te traag geweest? Ach, mereltje-mus, ik hou me met jou verbonden. Het spijt me, o zozeer, dat ik je niet eerder heb gevonden.
Wär ich ein Vögelein, wollt ich bald bei dir sein, scheut Falk und Habicht nicht, flög schnell zu dir; schöss mich ein jäger tot, fiel ich in deinen Schöss; sähst du mich traurig an, gern stürb ich dann.
De maan was er vannacht weer gloeiend bij, en vandaag wens ik iedereen een zonnig 1 mij?
Mocht brein het mij gunnen: schrap het woord ‘geschrei,’ dat zou zomaar kunnen, maar ’t blijft bij rijmelarij.
Buiten zoveel schoonheid, doch in het binnenstebuiten gekeerde lijf heerst de weggekwijnde versie daarvan? De zon is een volgspot geworden om daarvan het bewijs te kunnen leveren?
Gaan we wentelteven, ja? Draai jezelf liever nog eens om in die veel te hete pan, zodat je na de volle zon, ook de volle maan weer kan zien.
Een opening naar het heelal, of een zilveren polkadot op des hemels nachtgewaad? Maar wat blijkt: ook de maan bleef niet onaangeroerd.
Tussen 1969 en 1972 lieten Apollo-astronauten 96 zakken menselijke uitwerpselen en wel 70 ruimtetuigen achter op het maanoppervlak, alles bijeen bijna 200 ton!
Bestaande uit meer dan 800 objecten, zoals delen van maanlanders, diverse cameras, 12 paar laarzen, 5 Amerikaanse vlaggen, de bijbel van astronaut David Scott, een foto van Charles Duke’s familie, het Belgische kunstwerk ‘Fallen astronaut’ van Paul Van Hoeydonck…
En, jawel, ook een schijf met de vredesboodschap van 73 gewezen wereldleiders. Wat ligt die daar in godsnaam te doen?
Is dàt dan wat ik wilde weten, voor het dempen van mijn zielekreten, die rijmen op voor-wie-ik-liefheb-wil-ik-heten?
De maan is weer vol, maar niet van zichzelf, daar kan ik dus nog wat van leren.
Verdonkeremaan mij nog niet, volle maan, ook al is er op een dag geen ontkomen meer aan.
Al weet niemand nog dat ik ooit dood ben gegaan, dan nog zou ik je graag aan de hemel zien staan.
Het regent weer blauw, en de zon schijnt, maar daar zit ‘duveltjeskermis’ voor niks tussen, hoewel ik dat op zich ook altijd een fascinerend schouwspel vind, die doorheen het zonlicht vallende regendruppels.
Maar de Blauwe Regen, daar gaan mijn ogen pas echt van knipperen, ik mag zelfs zeggen: flipperen. Want ze kunnen die betovering ervan niet aan. Ze kunnen mij niet doen geloven wat ik zie: het ongelooflijke als het ware.
Ineens hangen die dorre takken vol blauwe trossen. Alsook de bomen met hun uitwaaierend groen. En dan voelt dat doodgaan toch weer aan als een afschuwelijk pijnlijke zaak: er op een dag niet meer te zijn: to see or not to see.
En dus probeer ik bij wijze van hedendaags spreken een reserve-tank aan te leggen van geziene pracht, voor in het geval van? Want één aanval in de ‘Straat van Pardoes’ en je bent er niet meer.
Zon plast weer in ven & vijver, rimpels versus rimpeling: ‘t water schrikt, dus ik beijver mij voor recht & regeling.
Staar verbluft naar Blauweregen, graaf mijn moeder uit haar graf: krijg voor twee te zien gekregen, waartoe zij haar volmacht gaf.
Tracht mijn zien & zijn te ijken als een dis- en deelgenoot: kijk, gekregen, blijf ik kijken voor de dagen na mijn dood.
Zoveel pracht niet te benoemen in wat was, wat is, wat wordt: veel te vol om te verbloemen, ‘t lijfse leven schiet te kort.
Ben, zelfs dàt valt niet te claimen, slechts ten dele slechts diegeen die terecht dient waar te nemen: véél te mooi voor mij alleen.
Dat liet me gisteren niet onberoerd, die afspraak met jou in het park. Ik ben er nadien nog even gaan rondfietsen met het kleine-meisje-in-jou achterop. Hou je maar goed vast, heb ik gezegd.
Ik vond het, in uitgesteld relais, een ondraaglijke gedachte, de manier waarop jij van kleins-af-aan je weg & jezelf moest zien te vinden. Ik kan alleen nog maar omarmend aan jou denken, voor al die keren dat dat niet is gebeurd.
De moeder, de vader en hun verlossende dood? Omdat het was, wat het was. Omdat het is, wat het is: wie zij waren en niet zijn geweest. Omdat het niet is mogen worden wat je zo graag had gewild.
En zo is dit vogeltje uw kleine-meisjes-hart? De vleugeltjes bijeengebonden, terwijl de hoogte wenkt en de afgrond te diep is om veilig genoeg te kunnen landen? Wat een aangrijpende machteloosheid.
Dat jij, ondanks alles, bent kunnen worden wie je bent, dat wekt mijn ontzag. En als bij wonderlijk toeval kreeg ik vanmorgen plots een gedicht van Ida Gerhardt onder ogen, zo vlijmend trefzeker dat ik het bijna niet kon geloven.
Tristis imago
Wat staat gij naast mijn bed, Moeder van gene zijde? Wat doet gij in mijn kamer in de zwarte nacht? Kan mijn bestaan zich nooit van uw bestaan bevrijden, dat gij mijn slaap nog met uw heimelijkheid bevracht?
Wat praat gij tegen mij, Moeder van gene zijde? Ik wil niet wakker worden, als gij naast mij staat. Het hart zal mij stukhameren, als ik moet lijden het verschrikkelijk verwijt op uw gelaat.
Ida Gerhardt (1905-1997)
Echter, moge het inmiddels voor jezelf iets minder schrijnend zijn. Ik laat je bij deze omarmen door mijn eigen liefdevolle moeder.
Al strooiden de paasklokken dit jaar vooral windeieren en aprilse grillen in het rond, laat de haan maar kraaien, laat de wind maar waaien, Pasen haalde sowieso weer mooie woorden uit de mond van de ochtendstond.
Want ‘wedergeboorte’, wat een pasen-lijk woord, en wat een jubelende betekenis: opstaan uit de dood. Is dat niet waar wij allemaal van dromen, geprangd tussen vroeger & heden, tussen de zachte krachten & de wrede?
Echter, wij mensen kunnen ons hoogstens ontdoen van ‘dode cellen’. Niet alleen wat betreft huid & haren, maar ook aangaande ons schilferig gemoed. Een ander soort verrijzenis zit er voor ons niet in, ondanks mitsen & maren.
Al zou je er wel van dromen, voor al wie door geweld is omgekomen. Dat ook zij vandaag hun graf mochten verlaten, als een terechte ‘wiedergutmachung‘ voor al wat hen niet mis-te-verstaan is aangedaan.
En hebben die astronouten op weg naar de maan dan die doornenkroon niet gezien rondom onze bloedende Aarde, zoals die ook door God’s zoon is uitgezweet, als een hemeltergende hartekreet?
Hopelijk krijgen wij op deze verheven dag allemaal een nieuw ei gelegd in ons innerlijk nest, en komt daar iets uit tevoorschijn dat het bebroeden waard was: in ieder geval iets dat rijmt op ‘sui generis’ of op ‘Spiegel der Behoudenis’?
Kom laat ons vrolijk zijn? In Israël dan toch: “Laat de champagnekurken maar knallen, we mogen voortaan mensen waar-we-vanaf-willen nu weer gaan ophangen!”
En ja, wettelijk vastgelegd: Taliban staat mannen toe hun vrouw te slaan “tot zolang er geen botten breken of blijvende zichtbare (!)wonden ontstaan.”
Ardeat vita: laat het leven bruisen? Eerst mobiel internet, nu VPN-verbindingen: Rusland legt internetgebruik van de bevolking verder aan banden.
Nooit gingen zoveel bedrijven failliet in de provincie Antwerpen, met 6.000 banen op de tocht: “Ik zie geen licht aan het einde van de tunnel.”
Het begrip ‘eer’ bevindt zich tussen de benen van de vrouw in het hele Middellandse Zeegebied. Clandestiene maagdenvliesherstellers doen er gouden zaken.
‘Als je op zoek gaat naar de waarheid achter je drijfveren en motieven, kom je niet altijd in sprookjesland terecht. Het is niet altijd leuk wat je van jezelf aan de weet komt’ aldus Connie Palmen.
Of Nietzsche: ‘Hij die met monsters vecht moet erop toezien dat hij zelf geen monster zal worden. Als je te lang in de afgrond staart, zal de afgrond zich in jou weerspiegelen.’
‘In de klassenstrijd draagt het woord der poëten lang niet zo ver als tien werkmansscheten’ aldus Henk Spaan, die daarmee geen spaan heel laat van het dichterswerk der bevlogenen.
Of de ultieme wens van Hans Vlek: ‘Als ik sterf, dan liefst zoals Sarah Berhnhardt: theatraal, groots, ontroerend. En dan weer opstaan voor de bloemen’.
Maar ook Julian Barnes mag niet ontbreken: “Elk verhaal van liefde is een potentieel verhaal van verdriet.” Doch volgens Flaubert is ‘verdriet niet ongezond, het voorkomt dat we verdorren.’
‘Als we maar goed ons best doen, kunnen we gemakkelijk rampspoeden verdragen. Die van anderen dan, bedoel ik.’ Aldus Mark Twain, de koning van de One-liners.
‘Om kwaad te zijn op de juiste persoon, in de juiste mate en op het juiste moment, met de juiste bedoeling en op de juiste manier: dat valt niet mee’, wist Aristoteles eeuwen geleden al.
Doch zolang ik adem, zing ik: “Daar is de lente, daar is de zon… bijna, maar ik denk dat ze weldra zal komen! De Fallus Impudicus staat al in bloei, en de blaadjes krijgen bomen!”