En daar zijn ook, in alle soorten, de vliegen weer. Alledaagser kan ik het niet maken. Alhoewel: 200 vleugelslagen per seconde, en 80 km per uur? Zelfklevende pootjes en duizenden kleine lensjes in hun ogen, waarmee ze in slow motion kunnen waarnemen, 360 graden in het rond?
Ik moet weer denken aan die vreselijke kleefrolletjes, die je vroeger her en der zag hangen, en waaraan ik als kind reeds een gruwelijke hekel had: de wanhopige onmacht van die nog levende verkleefde vliegen.
Terwijl ik als kind zo kon genieten van hun kriebelende pootjes op mijn huid. Geen vlieg kwaad willen doen, dat was toen al aan mij besteed. En nog steeds red ik de zwalpende fruitvliegjes uit mijn wijnglas, om ze daarna voorzichtig droog te deppen met de punt van een stuk keukenrol.
Cyrille Offermans noemde Elias Canetti in de Groene Amsterdammer ‘Een onfrustreerbare humanist’: ‘Van sommige schrijvers hoop je dat ze heel oud worden. Van Elias Canetti hoopte ik dat meer dan van wie ook. Hij had nog zoveel te zeggen, zijn werk hield nog zoveel beloften in (hield? over zijn werk moet nog haast alles worden gezegd).
Maar mijn hoop dat Canetti een oudtestamentische ouderdom zou bereiken werd toch vooral ingegeven door het verlangen dat hij erin zou slagen de dood blijvend op afstand te houden. Van de niet-religieuze moderne denkers is er niemand die de dood zozeer als een onacceptabele schande heeft gezien, niemand ook die zich zozeer tegen die schande heeft verzet. Als er ooit iemand in zou slagen aan de dood te ontglippen, dan was het Canetti.’
Bij wijze van afleiding schreef Canetti dagelijks twee uur ‘Aufzeichnungen’ op. Twee selecties daarvan zijn in het Nederlands vertaald. Uit de laatste, Vliegenpijn, citeer ik het laatste aforisme, een zin die illustratief is voor Canetti’s onbreekbare en onfrustreerbare humanisme: ‘Wanneer hij zegt dat hij aan niets gelooft dan aan gedaanteverandering, betekent dit dat hij zich oefent in het ontglippen, wel wetend dat hij de dood nog niet ontglippen zal, maar anderen, ooit anderen.’ Aldus Cyrille Offermans.
Nu ik ‘Vliegenpijn’ in eigen bezit heb, vond ik daarin dat beklijvende verhaaltje terug, waaraan de titel van Canetti’s boek later is ontleend:
‘Het verschrikkelijkste verhaal vond ik vandaag, in de herinneringen van een vrouw, Misia Sert. Ik noem het vliegenpijn en geef het letterlijk weer: ‘Een van mijn slaapgenootjes was een kampioene geworden in de kunst van het vliegen vangen. Geduldige bestudering van die diertjes had het haar mogelijk gemaakt precies de plaats te vinden waar je de speld doorheen moest steken om ze op te prikken zonder dat ze stierven. Zij vervaardigde op deze manier kettingen van levende vliegen en raakte in verrukking over het hemelse gevoel dat haar huid ervoer bij de aanraking van de wanhopige voetjes en trillende vleugeltjes.’
En daar ga ik het bij laten, opnieuw enigszins met verstomming geslagen. Bovendien, veel te warm voor meer. Zélfs voor de vliegen.























































