ALLEEN AL DE BOMEN

Ter sprake, alsook reeds ter zake gekomen,
de eeuwige eindigheid van het bestaan.
Hoezeer ook de zeerte, alleen al de bomen,
ze vangen de vogels, de wind & de maan.

Ze troosten het trieste van wat is geweten:
dat mensen veel eerder verdorren dan zij.
De bomen, ze zien ons hen zien, maar ze weten,
één ding is zeker, ook dat gaat voorbij.

Al worden wij ooit achterovergeslagen,
al komt er een einde aan zijn & aan zien:
de bomen vertragen, de bomen verdagen
wat wij in hen zagen, voor nog lang nadien.

OH HAPPY DAY

Zit m’n strikje goed, zit m’n masker goed, vrouwmens gaat op stap. Want wat vond ik het die dag weer een feest om een mens te mogen zijn. Ik had er dan ook mijn haar voor gewassen & me mooi gemaakt, want ik wou het waard zijn, en dat bewijzen met alle erkentelijkheid van dien. Wetend, daar spring ik sowieso nooit vér genoeg mee: het zou met mijn hakken zijn en niet met mijn tenen. Maar het zou hoe dan ook te zién zijn & te méten, hoe dankbaar ik ben.

Ik werd onverwacht uitbundig verwelkomd, bedankt voor mijn komst en zelfs gefeliciteerd. Nochtans, ik verjaarde in de verste verte niet. Had ook niets speciaals gepresteerd noch ruimhartig gevrijwilligd, of enig ander verschil gemaakt. Niettemin werd ik behandeld als een ereburger. Kreeg zowaar een denkbeeldige medaille voor moed opgeprikt. Het leek de omgekeerde wereld.

Blijkbaar kreeg ik het er koud van, in plaats van warm. Hoe dan ook, mijn graden raakten niet in een getal omgezet. Noch aan het voorhoofd, noch aan de pols. Er werd dus besloten door een juichende man van dienst: in ieder geval géén koorts! Bazuingeschal, het klonk als de feestelijke uitreiking van een diploma. Dat had ik dus blijkbaar maar weer eens goed gedaan. Mijn masker jeukte ervan.

Vervolgens werd ik de Nekkerhal ingeblazen, op weg naar AstraZeneca. Overal wuivende & wegwijzende armen, die van mij een verbaasde V.I.P. maakten. En vervolgens, in stroomversnelling, de legendarische ontmoeting met een inmiddels wellicht murwgespoten dokter Prikkevrouw. Mijn stevige bovenarm kreeg -op een troon gezeten- z’n prik alsof hij een pasgeboren kuikentje was.

Een prik? Noem het liever een kick. Alsof amor er z’n pijltje in had afgeschoten. Dus zwevend van tevredenheid de geschiedenis & een nieuw lieven in. Onder de indruk. Smeltend van dankbaarheid voor zoveel gratis goede zorgen. Voor dat wervelend feest van menselijkheid. Voor al die levende steunpilaren, onder die hoge koepel van de Nekkerhal. Een belevenis die mij ontroerde, in al zijn facetten. Ik ben er daarna met plezier een dag & een nacht groggy van geweest.

TSJILP!

In deze plotse kou, drie gram hulpeloos leven. Daar is dus het woord ‘weerloos’ voor uit gevonden, want begin er maar aan. De jonge musjes zijn ongeveer zo ver, maar april is eens te meer niet mals voor hen. Nergens nog een insect te bespeuren, daar is het weer te koud voor. Voorlopig dus weinig of geen eten?

Kijkend naar die wonderlijke sneeuwvlokken was me dat toch weer een doorn in het oog. Het mussenvolkje staat sowieso al op de rode lijst genoteerd als ‘kwetsbaar’ en ‘achteruitgaand’. Hun afname in aantal wordt ‘zorgelijk’ genoemd, las ik. De eveneens kwetsbare fruitbloesems kunnen bij zoveel grilligheid eventueel nog op vuurkorven rekenen, maar vogels staan er dus alleen voor.

Dames & heren, het wordt onderschat:
wij missen bescherming & een vogelbad!
Al kraken wij ’s winters soms keiharde noten,
wij hebben gelukkig geen bloed in de poten!

’s Morgens gaan drinken is ons eerste werk,
er vrolijk op los tsjilpen, ons handelsmerk.
Wij melden u thans dat wij bij tussenpozen,
ook kruimels & kaas lusten & abrikozen!

Wij houden van tuinen, maar niet van het bos,
lees, mensen ’t boek ‘Mussenlust’ van Peter Vos!
But please, wat betreft al die mormels van katten:
leg ze -verdomme!- niet zo in de watten!

Toch wel plezierig om te weten: het mannetje -zie hierboven!- is te herkennen aan zijn zwarte bef. En hoe groter die is, hoe meer zaadcellen hij weet te produceren, dus hoe meer kans hij maakt bij de vrouwtjes. Mussen blijven levenslang samen, wat dat dan ook moge betekenen: in het wild hooguit 3 jaar, maar de oudste wildlevende mus heeft er niettemin 18 jaar van weten te maken.

Het mannetje begint al in januari met verschillende nestplaatsjes ‘halfsegat’ klaar te maken. Daar mag het vrouwtje er dan ééntje van uit kiezen, en dat maken ze dan samen verder in orde. In maart worden er gemiddeld een viertal eitjes gelegd. Daar kunnen, in de tien dagen ervoor, tot 40 paringen per dag aan vooraf zijn gegaan. De eitjes worden door het vrouwtje in 12 dagen uitgebroed.

Ik ben het meteen gaan opzoeken toen het plots zo begon te sneeuwen, en jawel hoor: begin april vliegen de jongen al uit. Ze worden nog een hele tijd door hun ouders gevoed met insecten, zoals vliegen en muggen. Maar dan moeten die er wel zijn natuurlijk. Die sneeuwvlokken, al vliegen die nog zo dartel in het rond, daar kun je als vogel niks mee aanvangen, wel integendeel. Tegenslag dus.

Terwijl het sowieso een bedreigende wereld is vol vijanden, sterven niettemin veel jonge vogels gewoon van honger & dorst. Kortom, van al die jonge musjes is er na drie maanden nog slechts de heft over. De soms uiterst grillige weersomstandigheden mogen dan normaal zijn in april, voor die aandoenlijke ‘driegrammertjes’ kunnen ze mede een kwestie worden van leven of dood.

Hoe dan ook, nooit zal ik blij gemaakt kunnen worden met een dode mus. Bij leven & welzijn weten zij met hun vrolijk gesjilp & hun aandoenlijke eenvoud de mens al van oudsher te inspireren. Daar kan geen ‘gevleugeld’ woord tegenop.

ALLELUIA?

De heer is waarlijk opgestaan,
tenminste, dat is maar te hopen.

De krokussen zijn alreeds opengegaan,
maar de lente is weer weggekropen?

’t Is pasen, dus weg met dat vies covid-ei,
waar blijven de Klokken van Rome?

Wanneer zitten wij -ooit nog eens!- zij aan zij,
los van, dat daar vodden van komen?

Een zalige Pasen en een dito wens,
te weten: een mens is een mens is een mens.

STABAT MATER DOLOROSA

Het blijft aangrijpend:
het niet te beschrijven verdriet
van deze moeder om haar gestorven zoon.

Stabat mater dolorosa,
iuxta crucem lacrimosa,
dum pendebat filius.

Naast het kruis, met wenende ogen,
stond de moeder, diep bewogen,
toen haar zoon te sterven hing.

En haar door het zuchtend harte,
overstelpt van wee en smarten,
’t zevenvoudig slagzwaard ging.

Als een zevenvoudig slagzwaard,
de zeven momenten van verdriet en pijn
in het leven van Maria.

1.
De lijdensvoorzegging door Simeon
bij het opdragen van Jezus in de tempel:
“Dit kind is bestemd tot val en opstanding van velen.”
2.
De vlucht naar Egypte, en de engel die zei:
“Herodes komt het Kind zoeken
om het te doden.”
3.
Het verlies van haar zoon in de tempel:
toen Jezus 12 jaar oud was bleek hij
bij de terugkeer van het paasfeest plots vermist.
4.
De ontmoeting met haar vernederde zoon:
zelf zijn kruis dragend trok Jezus de stad uit
naar de Schedelplaats, ‘Golgotha’ in het Hebreeuws.
5.
Jezus sterft aan het kruis:
drie uren lang aanschouwde Maria de doodstrijd
van haar gekruisigde zoon.
6.
Maria omhelst haar gestorven zoon:
in diepe smart aanschouwde zij
het doorboorde hart van Jezus.
7.
Maria bij de graflegging:
omdat de sabbat aanbrak moest Jezus
in alle haast begraven worden.

Quis non fleret,
wie zou niet wenen.

IN WOORDEN GEWIKKELD

En alweer een pechvogel in de tuin. Deze keer, op het tuinpad, één van de torteltjes. Op de rug gelegen, de vleugels wijd onder het opengereten lijfje vol verscheurde ingewanden. Alsof men er, midden in een operatie, hals over kop mee was opgehouden. Zowel letterlijk als figuurlijk, een verscheurende dood.

De verstijfde pootjes & teentjes lieten meteen een aangrijpende indruk na: nooit daarmee nog landen op de takken van onze Atlasceder, nooit meer parmantig over het tuinpad wandelen. Fluweeltjes van vogels: hun kleur, hun geluiden, hun zwevende vlucht, en bovenal hun lieflijkheid. Ik krijg er altijd grote pupillen van.

Gaan dikke weldoorvoede katten zo verscheurend te werk? Het duivenborstje was tot op de ruggegraat leeg gehaald. Al het zacht was er uit weg. De rug en de vleugels bleken nog geheel intact. En meteen denk je dan: ach, het wederhelftje.

Zulk een veren-ravage liet er weinig twijfel over bestaan: dit moet een klamper zijn geweest, een sperwer, een duivendief. Weliswaar prachtige vogels, en ze moeten ook eten: maar vinkjes, roodborstjes, koolmeesjes & torteltjes, daar gaat mijn hand van naar het hart. Die wrede overmacht, ik kan dat moeilijk verdragen.

Omdat zo’n duif te zwaar is om mee te nemen, voltrekt de doodstrijd zich ter plekke: de duif wordt letterlijk levend gepluimd en verscheurd. Het kan tot een kwartier duren eer ze effectief dood is. Laat het mijn natuur dan maar zijn, om mij er in woord & in daad zoveel mogelijk over te ontfermen, tot in ’t diepst van mijn gedachten. Het bleef nog uren lang doodstil in de tuin, alsook in mijzelf.

Altijd opnieuw dat onlosmakelijk verband tussen leven & dood. Het helpt niet echt, te weten dat het erbij hoort, ik ervaar het telkens als een schokkende werkelijkheid: hier is je leven en daar is je dood. Het leven dat je klop zal geven, en de dood die je zal tracteren op ademnood. Ik weet het wel, het draait om evenwicht, maar ik gruw niettemin van het wrede systeem, hoe efficiënt ook.

Kortom, één grote ruilhandel: de voor- of de achterkant, de linker- of de rechterhand. Voor de ene van lieverlee, voor de andere no cure no pay. De boodschap blijft dezelfde: het ene bestaat bij gratie van het andere. Al zou je even goed kunnen zeggen: in weerwil van. Aldus harde wetten, korte metten.

Als ik vogels voer, zullen velen daarvan er wel bij varen, doch zal een aantal onder hen daar niettemin de prijs voor betalen. En wat de ongenadige sperwer betreft: dat blijkt hoe dan ook een indrukwekkende vogel te zijn. Weliswaar dag & nacht genoodzaakt tot een moordend bestaan. Ook dàt kan niet simpel zijn.

Bij deze heb ik Roosduifje in weerloze woorden gewikkeld en begraven onder de laurierstruik. De uitgerukte borstveertjes waaien er onweerstaanbaar overheen, maar ik zal sowieso altijd blijven weten waar mijn pechvogeltjes liggen. En vannacht zal eveneens de volle maan daar haar eeuwig licht over laten schijnen.

EEN HEILIGE DAG?

“Het hoort een heilige dag voor u te zijn als één van u sterft -een heilige dag als een ziel wordt vrijgelaten en terugkeert naar huis. De dood beëindigt niet alleen het leven, hij verleent het ook een stilzwijgende compleetheid, ontrukt aan de hachelijke veranderlijkheid waaraan alle mensen zijn onderworpen” aldus de bekende filosofe Hannah Arendt. Een heilige dag? Hoe troostvol bekeken.

Niettemin betreur ik het nog altijd: dat het grote lijden bezig, maar ik daarbij afwezig was. Toen hij de wereld ging verlaten. Toen er werd omgeroepen: he has left the Blue Planet. Als een schreeuw, doch onbetwist ter afronding -negen dagen later- zo welgekozen: de witte sneeuw, de zwarte kist, de rode rozen.

Ondertussen dus al acht jaar in het hiernamaals. Niet te geloven? Toch wel. Want geen dag ervan die niet heeft meegeteld. Of zich gelijk heeft gesteld aan de dagen toen hij er nog was. Geen dag ervan zonder de kloppende zweer van hij-is-er-niet-meer. Hij was een optiller. Hij blies een gouden gloed in mijn gemoed. Al was het wel letten op zijn woorden & de scherpte van zijn geest.

Stof op het kadertje van waaruit hij mij aankijkt. Stof op zijn bril, dat ik op tijd & stond weer wegblaas. Hij houdt nog altijd zijn oogje in mijn zeil, zowel als ik in de keuken kom, als wanneer ik ga slapen. Onmisbaar als hij was, en is gebleven. Geen losgekomen wegwaaihout dus, mijn denken aan hem. Eerder een magische geneeskrachtige maretak in mijn reeds verweerde meidoornkruin.

De koestering is nog altijd groot, en overvleugelt moeiteloos het gemis, dat zich niettemin met een penwortel in mijn bestaan heeft geboord. De rest -alta mente repostum- wordt diep in de ziel bewaard. Ik wil niet blind worden voor het onzichtbare. Het blijft sowieso een feest, te beseffen hoe mooi het is geweest.

DE ACHTSTE DEZER MAAND

Vergéét het, suikerzieke suikertangen,
de achtste dezer maand weert zoet beleg.
Al joeg Vic Nees graag vrouwen op hun stangen,
de vrouwendag stond hem nooit in de weg.

Hij leerde mij te zwijgen & te zweten,
in weerwil van veel innerlijk gekwek.
En, ontoereikend om zijn maat te meten,
het hoofd te buigen spijts een stijve nek.

Al liep zijn leven in de dood verloren,
-reeds hakt reeds maalt de tijd ook mij reeds fijn-
ik weet, ik zie, ik kan hem zelfs nog horen,
nee, ‘minimaler’ dood kan niemand zijn.

Die dag, die man, ik zal hem blijven vieren,
op duizend zegevierende manieren.

OP VINKENSLAG

Daar is de lente, daar is de zon? Nog niet echt een heteluchtkanon, maar meer moest dat niet zijn voor een zaterdagmorgen in februari. Dus weg met die verfomfaaide varens rond de vijver, waar is de heggeschaar, ik ga ze knippen.

En daar lag je dan plots: vinkje, gods klein pinkje. Met gespreide vleugeltjes op een bedje van klimop. Nog maar juist voorbij de hongersnood, en nu ineens op vinkenslag dood. Te pletter gevlogen tegen het gepantserde raam van de veranda, van waarachter wij jou -behendig zwierend boven de dagelijkse aanvoer van gepelde zonnebloempitten- de hele winter verrukt hadden gadegeslagen.

Je had je wijd open gespreide vleugeltjes blijkbaar niet eens meer kunnen dicht vouwen. Ik zag je oogspleetjes nog een beetje blinken: de prachtige pas begonnen dag bleek ineens je laatste te zullen zijn. Net nu het langzaamaan weer beter ging worden, met de belofte van de beloofde lente weerspiegeld in de ruiten. Nochtans, ze waren vuil, de blauwe lucht kon er zich maar amper in herkennen. En jij jezelf blijkbaar ook niet. Je moet er vanuit zijn gegaan, dat je er dwars doorheen kon vliegen, maar dat bleek echter wraakroepend onmogelijk.

Je leek nog volledig intact, en van een perfectie die mij deed huiveren. Dat wonderlijke kleurenspel van je verrassend zachte veertjes, je tengere pootjes met die vier ragfijne teentjes daaraan, die flinterdunne nageltjes: had ik ooit iets mooiers in mijn hand? Hoeveel ‘kunst & kunst-matigheden’ moet de mens niet verzinnen, om de pracht van nog maar één vinkenveertje te kunnen evenaren? Het onbeschrijfelijke bestaat wel degelijk, en zeker bij gewaarwordingen, die de dampkring der zintuigen voorbij schieten. Want inderdaad, dat doen ze soms.

Hier is uw leven & daar is uw dood? Maar o die denkbeeldige stalen plaat daar tussen, die plots als de valbijl van een guillotine naar beneden valt. Genadeloos, ook al beweerde de arts Joseph-Ignace Guillotin destijds, dat de ‘patient’ daarbij nauwelijks ‘een gevoel van koelte’ in de hals zou merken. En in volle vlucht te pletter vliegen tegen een raam? Het was me alleszins geen troost, vinkje, dat je ’t misschien nauwelijks hebt gevoeld: je neer gestuikte aanblik was verpletterend.

Liefste Suskewiet, hoe betreur ik je mort subite. De winter nauwelijks afgevinkt moest jij het loodje leggen. Bonk, en het was voorgoed gedaan. Van de ene harteklop op de andere. Ik voel me beschaamd & schuldig voor de dubbelglazige ramen waarachter ik mij verschuil. En maar zonnebloempitten strooien. Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht? Wie heeft dat in godsnaam verzonnen.

Doch hoe dan ook voel ik altijd veel ontzag voor het gestorvene, voor de van het leven beroofden, en voor het mysterie daarvan. Steeds fluister ik dan als vanzelf: “O.. mijn.. god..” Met telkens in mijn achterhoofd die eeuwige vraag geloof-jij-in-het-bestaan-van-God, echter nooit zonder het meest goddelijke antwoord (!) ter wereld daarop: dat van Gerard Reve. “Bestaan, dat heeft God niet nodig.”

OPEN KAART

Zou hij in ’t licht van een ander bestaan
dus niet als mijn broer zijn geboren:
ik had hem wellicht aan mijn haak willen slaan,
en verliefd zijn tot over mijn oren.

Was hij in feite dus toch niet mijn broer,
ik zou het wel hebben geweten:
ik zou hem, al bleek het een heksentoer,
achterna willen hebben gezeten.

Maar ’t was niet nodig, dus geen billen bloot,
er zijn zo van die godsgeschenken:
met hem levensgroot als een broer op mijn schoot,
dichterbij zijnd viel niet te bedenken.

Eendere genen, alsook eender bloed,
en waar ’t niet kan gaan zal het kruipen:
dus hem tegemoet dat voelt steeds o zo goed,
als honing die mij blijft bedruipen.

Geeft hem dat kriebels of iets van dien aard,
geen woord waar ik hem mee ontriefde:
thans vier ik hem vurig -ik speel open kaart-
als een soort Valentijnse geliefde.

VRIEZEMAN

Ja hoor, ineens was hij daar. Niet de jonge vrolijke Jack Frost-versie, maar de strenge oude Vriezeman. Hij vroor ons huis uit de grond, tot het ervan kraakte en hield het in zijn ijselijke handen. Probeer dan maar eens op temperatuur te blijven. Maar nee hoor, we laten ons niet gaan, we gaan er duchtig tegenaan.

Vriezeman houdt blijkbaar absoluut niet van gewelfde lichaamslijnen, laat staan van blootpadden. Hij wil ons bedolven weten onder een wirwar van groezelige breisels. Maar wat had hij dan gedacht: dat we ons bloot zomaar aan hem zouden laten zien? Nee hoor, we hebben elkander niet veel meer te vertellen.

Maar des te harder schreeuwt de kou, en ook het bibberlijf zet zich meteen luidruchtig aan de klaagmuur, als het moet worden omwikkeld: te dun! te kort! te somber! te bloot aan de nek! De februari-kleerkast wordt er horendul van, en weet niet wat aan te reiken, want wat een rommeltje, zeg. Niet dat ik als een glinsterende ijskoningin doorheen deze noordoostelijke dagen wil, maar toch.

Hoe dan ook: graag een béétje convenabel in de kleren, dankuwel alstublieft? Zolang het vuurtje op de badkamer brandt, en elk item daaraan kan worden voorverwarmd, begaat bibbermans telkens opnieuw de fout om alle hogere warmte-eisen meteen weer te laten varen. Vriezeman denkt er het zijne van?

Want eenmaal daarvan weg, blijkt het toch al gauw niet voldoende te zijn, en moet er toch weer van alles overheen, om die warmbloedige zevenendertig op peil te houden. Het kan niet pluizig & dik genoeg zijn, en hoe opgewolder hoe liever. Laag na laag worden de hogere pretenties één na één de kop ingedrukt en ontstaat er in de spiegel een ontevreden gedrocht, vol groezelige plakpluizen.

En daar zitten we dan: te klein voor de warmte, te groot voor de kou. Als een hooihopper van wol & wemels. Als een vormeloze textielberg vanwaaruit het moeilijk is handig te blijven, want alles hangt en sliert en belet je. De betere versie – de oude kapel die zich ’s morgens nog had laten versieren op hoop van zegen- voelt zich teleurgesteld: wat baten bloes & strik, onder truien lelijk & dik?

‘Niks, nulkommaniks nog van te zien’ tikken de vingers vanuit de veel te dikke mouwboorden, van waaruit ze als dunne uitgestoken nekken tevoorschijn komen. Als verbleekte tengels die zich het syndroom van Raynaud op de hals dreigen te halen: vingers die er plots zo wit uitzien als die van een lijk, en die aanvoelen alsof ze de mijne niet meer zijn. Het oude vel als van perkament.

Maar ook dàt gaat weer voorbij. M’n vingers raken net niet bevroren en moeten dus niet worden afgezet, zoals echter wel moest gebeuren met de afgevroren pootjes van deze Siberische straatkat Dymka. Gelukkig kreeg ze speciale 3D-geprinte prothese-pootjes, waarmee ze moeiteloos elke vrieskou kan trotseren.

En ja natuurlijk, het kan ook uitzonderlijk mooi zijn. Je kan prachtige ‘freezing bublles’ blazen in de vrieskou. Of je strooit gepelde zonnebloempitten in de tuin en je krijgt een ballet van dansende vogeltjes, die je bevroren netvlies doen smelten als sneeuw voor de zon. Vriezeman vindt dat we binnen moeten blijven, verscholen als wolluizen in een schapenvacht? Nee hoor, want daar is de zon, en deze hooihopper moet dringend naar de Veritas voor een stopnaald. Catch me, Old Man Winter, if you can, ik ga zonder dralen de lente halen, en jou onderuit!

IN DE STILTE

Het is alweer drie februari. En elk jaar opnieuw denkt Maria Lichtmis: ofwel ben ik te vroég, ofwel is hij te lààt. Het zal altijd een raadsel blijven tussen die twee.

Ondertussen is ‘zij’ alweer voorbij, en zit ‘hij’ op zijn tijdloze werkkamer. Hij houdt er de stilte meestal als een mantel om zich heen geslagen. Dat kriebelende etiket in zijn nek ‘afwezigheid van verkeer, vertier en drukte’ heeft hij eraf geknipt. Alleen al het gekrab deed de stilte samenkoeken tot ongewenste pluisbolletjes.

En dit is het vertrouwde beeld: een gebogen gestalte in z’n eigen stilte, op het versleten gezeten gestoelte van z’n multi-functionele werkkamer vol virtuele werelden. Twee schermen, en het hadden er nog dubbel zoveel mogen zijn. Nochtans, ten dienste van maar één oog, want het tweede is verblindend lui.

Hoe dan ook: altijd weer op zoek naar ‘das Schöne’ zoals geformuleerd door Rainer Maria Rilke: ‘Denn das Schöne ist nichts als des Schrecklichen Anfang, den wir noch grade ertragen, und wir bewunderen es so, weil es gelassen verschmäht uns zu zerstören’. Op zoek dus naar het geheim van het schone, ‘als het verschrikkelijke begin van wat wij nog net kunnen verdragen, en waar we zoveel bewondering voor hebben, omdat het zo gelaten nalaat om ons te vernietigen.

Kortom, begin er maar aan. Maar hij dappert er zich doorheen, weliswaar als ‘een stille in den lande’. Elke dag opnieuw, nadat niettemin elke ochtend het zoveelste bananenschijfje zich weer van hem heeft afgekeerd, richting het laag-bij-de-grondse. Echter, de dag is dan nog lang, hoewel toch nog te kort, dus doe er de halve nachten ook nog maar bij voor een zacht prijsje, want waar het stil is, is het goed haver zaaien: in de heerlijk stille nachten dus, sinds de avondklok.

Sowieso, in de stilte. Zowel letterlijk als figuurlijk. Soms in een vredige, dan weer in een diepe, en soms zelfs in een doodse of een ondraaglijke. Hoe dan ook, tot stilheid geslagen, aldus ‘zijn hoedanigheid niet openbarend’. De stilte is van glas. Alles weerspiegelend: zowel zak & as, als Deo Gratias, voor viool & contrabas.

Soms stolt de stilte in zijn schrijfwerkerij als een bloedkorst boven een wonde: wanneer je er aan begint te pulken, gaat het plots toch weer bloeden. “Van zo’n dikke roven moet je afblijven” zeg ik dan. Men kan zich nu eenmaal aan een vuile paal niet schoon wrijven. En soms hoort hij in de oorverdovende stilte zijn muizenissen zo luidruchtig aan hem knagen, dat het veeleer ratten lijken te zijn.

Als hij tussendoor vol stijfselpap komt te zitten-zitten-zitten, dan loopt hij een paar korte wijlen als een John Cleese rond de tafel, met hoge groteske stappen, om de ‘stessel’ er weer uit te krijgen. Maar al gauw citeert hij vervolgens zuchtend zijn geliefde Gezelle-zin: ‘Scheef is de poorte, van oudheid geweken…’

Ook ‘The Ministry of Silly Walks’ vindt dat het beter kan. Tot zijn broek ervan scheurt, zodat we om een nieuwe moeten, als het weer mag? En hij op de roltrap naar boven weer zal meesmuilen: “Allez, waar is hier de afdeling meelzakken?” Tot even later: “Die spiegels moesten korter zijn, zodat mijn kop niet te zien is!” Of: “Nee, niet te doen, beurzensnijders! En wat een lijf, kom, we stoppen ermee!”

Enfin, dat geworstel met die ‘schrechlichen Anfang’, daar weet hij inmiddels alles van. Het kriebelt hem onophoudelijk onder de voetzolen, amper te verdragen. Echter, vermits het ‘onaangedaan zal nalaten hem te vernietigen’, durf ik dat vandaag op zijn verjaardag in stilte vieren met een vrolijk gezang. The rest is silence. Niettemin, van rijmdwang tot dadendrang: hij leve lang, hij leven lang!

CARTA FANTASMA

Ach, zijn de dichterbij-tjes
met uitsterven bedreigd?
’t Blijkt hoe dan ook een soort te zijn,
die ’t zwaar te verduren krijgt.

Laat ons de gaten dichten,
die hen ten gronde richten.

ZULK GELUK


Wat een wonderlijke wezens,
viermaal zus & driemaal broer.
Soms tot schrijvens, soms tot lezens,
ruggespraak bij rep & roer.

In dezelfde buik gezeten,
van dezelfde makelij.
Borst-gevoederd, ongeweten,
later werd dat koek & ei.

Vonkelingen, helle vlammen,
gensters van hetzelfde vuur.
Mysterieuze cryptogrammen,
eendracht versus rust noch duur.

Zingen, zwijgen, prutsen, praten,
elk z’n eigen zelfportret.
Het geboortehuis verlaten,
reeds in erfrecht omgezet.

Weg de moeder, weg de vader,
zo vilein, die stervenspijn.
In ons aller hoofdslagader
blijft ons bloed het hunne zijn.

Al geraakt het niet omschreven,
zulk geluk, van meet af aan:
’t blijft een wonderlijk gegeven,
bloed dat kruipt waar ’t niet kan gaan.