Het regent weer blauw, en de zon schijnt,
maar daar zit ‘duveltjeskermis’ voor niks tussen, hoewel ik
dat op zich ook altijd een fascinerend schouwspel vind,
die doorheen het zonlicht vallende regendruppels.
Maar de Blauwe Regen, daar gaan mijn ogen
pas echt van knipperen, ik mag zelfs zeggen: flipperen.
Want ze kunnen die betovering ervan niet aan. Ze kunnen mij
niet doen geloven wat ik zie: het ongelooflijke als het ware.
Ineens hangen die dorre takken vol blauwe trossen.
Alsook de bomen met hun uitwaaierend groen. En dan voelt
dat doodgaan toch weer aan als een afschuwelijk pijnlijke zaak:
er op een dag niet meer te zijn: to see or not to see.
En dus probeer ik bij wijze van hedendaags spreken
een reserve-tank aan te leggen van geziene pracht,
voor in het geval van? Want één aanval in
de ‘Straat van Pardoes’ en je bent er niet meer.
Zon plast weer in ven & vijver,
rimpels versus rimpeling:
‘t water schrikt, dus ik beijver
mij voor recht & regeling.
Staar verbluft naar Blauweregen,
graaf mijn moeder uit haar graf:
krijg voor twee te zien gekregen,
waartoe zij haar volmacht gaf.
Tracht mijn zien & zijn te ijken
als een dis- en deelgenoot:
kijk, gekregen, blijf ik kijken
voor de dagen na mijn dood.
Zoveel pracht niet te benoemen
in wat was, wat is, wat wordt:
veel te vol om te verbloemen,
‘t lijfse leven schiet te kort.
Ben, zelfs dàt valt niet te claimen,
slechts ten dele slechts diegeen
die terecht dient waar te nemen:
véél te mooi voor mij alleen.













































