RILKE’S ENGEL

angel_wallpaper_1920_x_1080_by_danielbemelen-d5f5rc5

“Wie, als ik riep, zou mij dan horen uit de rijen der engelen? En stel eens, één nam mij plotseling aan het hart: ik zou vergaan door zijn sterker bestaan. Want het schone is niets anders dan het begin der verschrikking, dat net nog te verdragen is. En wij bewonderen het zo, omdat het onaangedaan nalaat ons te vernietigen.
Iedere engel jaagt schrik aan. Daarom houd ik mij in en verkrop de lokroep van mijn donker gesnik. Ach, op wie kunnen wij staat maken? Niet op engelen, niet op mensen, en de schrandere dieren hebben al door dat wij niet zo thuis en vertrouwd zijn in onze verklaarde wereld.

h3pwnjzbk3b

Er rest ons misschien ergens een boom op de helling en ons dagelijks weerzien daarvan. Er rest ons de straat van gisteren en de blijvende trouw van een gewoonte die het bij ons beviel, en daarom bleef ze en ging niet.

wind_serenity

O, en de nacht, de nacht, als de wind vol van heelal ons schrijnt in het gelaat-, voor wie bleef hij niet, de verlangde, zacht teleurstellende, die het alleenstaand hart moeizaam te wachten staat. Is hij voor geliefden lichter? Ach, zij verbergen slechts voor elkaar hun lot. Weet je het nog niet? Werp uit je armen leegte de ruimte in die wij ademen; misschien dat de vogels de verruimde lucht voelen met inniger vlucht.”

afscheid

Rainer Maria Rilke: Die Erste Elegie, in een vertaling van Atze van Wieren.

ENGELENGEZANG?

89648ddc9aa0e8b2fb765476bb3427fa_medium

Er zit een engel in de toren, geketend, gevangen, ten einde engelengeduld, niet meer in staat om te zingen, te redden of te beschermen, noch om de klokken te doen luiden?
Haar vleugels liggen te koop in de Casa, haar witte jurk in de Kringloopwinkel, haar engelenhaar uiteen getrokken  over de kerstboomtakken?
Geen engelenmis meer voor de gestorven kinderen onder de zeven jaar, geen Vox Angelica die opstijgt naar de hoge gewelven, dus geen Hosanna meer in den hoge en de neergestreken duif die koert: alleen kan ik het niet?

In de Fides Implecita -het niet verplichte meegeloofde geloof- staat geschreven dat engelen meewerken aan alles wat goed is voor de mens. Hun hemelse gezangen echter zijn van omgekeerd plagiaat beschuldigd, en hun niet waar te nemen onstoffelijkheid wekt de meewarigheid van de wetenschap.
Voor wie vleugels heeft staat de hoogte open? Volgens Augustinus gebeurde de scheiding tussen goede & boze engelen op de vierde dag van de schepping toen god het licht scheidde van de duisternis.
Of is dit geketende wezen misschien de 17-jarige Lillith, die na haar dood verliefd werd op de Aartsengel Gabriël, in de novelle ’Engelenveer’ van Olga Hoekstra? Of wat zal de mens nog allemaal weten te verzinnen om zichzelf te troosten.

In vroegere tijden dacht men dat de vogels, met name de arenden, de ziel van de mensen terug bij God brachten, maar laten we stellen, dat was een misvatting: die klauwen & die bek, in combinatie met onze ijle zielen. Doch wat er ook van zij: in elk geval gevleugeld?
Volgens Thomas van Aquino zijn engelen zuiver geest, ze hebben lichaam noch gewicht en omdat ze zich niet in aardse tijd voortbewegen kunnen ze hun krachten uitoefenen op plaatsen die ver van elkaar verwijderd zijn. Dat klinkt alleszins fascinerend. Maar lichaam noch gewicht? Menselijk gezien zou een engel van 70 kg vleugels nodig hebben van twee meter lengte om te kunnen vliegen & borstspieren van zo’n tien kg. De gebruikelijke voorstelling klopt dus niet echt?

8879305-angel-wings-creative

Bovendien heeft het Vaticaan de engelen inmiddels eigenhandig de vleugels afgerukt, bij monde van Pater Renzo Lavatori. ”Engelen zijn als zonlicht dat op je schijnt doorheen een kristallen vaas”.
Maar zou het niet kunnen, dat engelen elke menselijke voorstelling moeiteloos krijgen ingevuld, en zelfs weten te overstijgen? Dat ze zijn zoals wij ze zien, en niet andersom?

Er zit een engel gevangen in de toren:
de engel die als opdracht kreeg, aanwezig te zijn bij mensen die niet kunnen slapen? Dat schraaft & dat schrikkelt, dat schriemt & dat schreeuwt om bevrijding.

En ook al heeft in onze taal een engel niets te maken met een angel, wat zou het steken, als ze niet zouden bestaan. Als ze ons niet onder hun vleugels zouden nemen op onze hachelijkste momenten.

DE ZON ZIEN ZAKKEN IN DE ZEE?

_voo013200001ill0049

Hij die, uit vrije keus,
En in zijn achter kamer,
Met hoofdpijn als een hamer;
En volgestopten neus,
Met klemming op zijn water,
En lusten als een kater,
En met een stijven nek,
En vijf gebroken ruiten,
En deuren, die niet sluiten,
Met ’t Pootje in zijn kuiten,
Er uitziet als een gek;

Is min nog te beklagen
Dan hy, die drie paar dagen,
In ’t woelziek schoolvertrek,
De veestlucht en den drek,
De snotneus, d’ezelsvragen,
’t Afzichtlijk nagelknagen,
Het krabb’lend luis-verjagen,
De vuile witte kragen,
En ’t hartverduiv’lend plagen
Der Jonkheid moet verdragen.

 (De Schoolmeester, Gerrit van de Linde 1808-1858)

TRAPGEZANG

Sarolta_Ban(foto Sarolta Ban)

Die laatste trap naar boven,
zo’n trap, mijn god ik kan
mijn ogen niet geloven,
wat zijn ze hier van plan?

Dat die verlichte treden,
door feestvierders bedacht,
mij kunnen overreden,
jaja, je wordt verwacht.

Die laatste trap naar boven,
mag dat een lokroep zijn,
de taart nog in de oven,
veel volk & ’t huis te klein.

Dat ik, omhoog gevallen,
het trapgat op z’n kop,
haha, de kurk hoor knallen,
t is feest, komaan, kom op.

Blij, zonder hartekreten,
daarna weer thuis gebracht,
en ’s morgens niet meer weten,
’k ben dood gegaan vannacht.

MOEDER

Al_Sirat_by_najmo

 Al zeventien jaar aan de overkant,
al zeventien jaar ben jij die wuivende vrouw daar,
moeder, in jouw wonderlijk voortbestaan.

Al zeventien jaar lang kunnen wij maar niet geloven
hoe jij over die helse kabel bent geraakt,
hoog boven die vlammende zee van de eeuwigheid.

We staan er nog altijd vol ontzag naar te kijken,
en hoe onvoorstelbaar ook het feit
dat wij daar eveneens ooit overheen moeten,

we zullen weten wat ons te doen staat:
ons blijven vast ankeren in jouw blik,
moeder, geruststellende moeder.

15 november 1997 – 15 november 2014.

HET VELLEKE

sarolta_ban_02

Het velleke is geen zotje, het weet wanneer het rimpelen moet? Geen porie van mijn ‘rijpere huid’ die daar inmiddels niet weet van mee te spreken. En geen bacterie daarop -van de 8 miljoen per vierkante centimeter!- die niet bang is, om voorgoed klem te geraken tussen de diepe voren. Doch zwart van kleren, wit van vlees, van buiten gezond, van binnen gewond: elk moet met zijn eigen huid naar de looier. En daar sta je dan met je gewassen nek.

Ondertussen dan maar de rug aan ’t vuur, de buik aan tafel, en in de hand een goede wafel? Of ieder wat van ’t stokvisvel, de gootsteen moet er niet vet van worden? Met boven de plee het bedenkelijke opschrift: Hier rust & rot, de overschot van brood & middagpot? Echter, dan denk ik weer aan de broodmagere Stijn Streuvels, die opmerkte: ”Ik kan nog maar twee ziektes krijgen, een velziekte of een beenziekte.” Wat er ook van zij, mijn suikerpeertjes hebben alleszins hun beste tijd gehad.

En ook al zijn er grepen op mijn luit, die nog niet zijn bespeeld: de slagpennen zijn me uitgetrokken, en mooi aangekleed begint pijn te doen. Je kunt overigens wat horen als je niet doof bent: de zwartste rook zoekt altijd het blankste vel. Een mens zou van minder zo benauwd gaan kijken als een koe in een kersenboom. Maar bovenal: de liefde verandert met het vel. Abiistis, dulcis caricae, gij zijt verdwenen, zoete vijgen?

Al zijn mijn levensgeesten nog niet verteerd, en riek ik hopelijk nog niet naar de schop, ik ben mijn drol alvast gaan begraven, echter, niemand wou het kistje dragen. Het is nog geen avond, zei de kraaienvanger? Morgen schijt er al een kraai, die vandaag nog geen kont heeft. Mijn god, ik wil geen gezicht krijgen als een paardenvijg, waar de kippen in hebben gepikt. Ik zeg verder niks meer, maar god hoort mij brommen.

Scan 80

VARKENTIJNTJE

sc00003f71

Dat ruige roze tonnetje,
die oorflapjes, zo dul,
die dikke modderbeentjes en
dat staartje zonder krul,

dat ruw aai-ronde ruggetje,
zo beestig bestiaal,
die kleine drukknop-oogjes en
die blik, zo animaal,

die bobbelige billetjes,
dat biggig buikgebied,
dat malle moddermuiltje en
dat slachthuis in ’t verschiet?

Mijn parels voor dit varkentje,
mijn meesterlijke ham;
het mag mij altijd hekelen:
”Please, can I call you Mam..?”

MOMENT SUPRèME

IMG_1589

Lang na de 58.000 doden uit de Frans-Duitse oorlog,
en het besluit van de Franse katholieken
om op het hoogste punt van Parijs, de Montmartreheuvel,
een basiliek te bouwen ter herdenking van deze gevallenen,

dus lang na het uitgraven van de 83 putten van 45 meter diep,
volgestort met stenen om de grond te verstevigen,
alsook lang na het leggen van de eerste steen in 1875,
na de 6 miljoen euro aan bouwkosten & de 39 bouwjaren,

en denkend aan de zware tocht van de 28 paarden, die destijds
’La Savoyarde’ -de grootste klok ter wereld van zo’n 19 ton-
met een reusachtige kar de heuvel op hebben gesleurd,
ja, lang na dit onvoorstelbare alles

wisten ook deze twee, op een augustusavond anno 2014,
evenals de 8 miljoen andere toeristen van dat jaar,
de 222 prachtige treden op te klimmen van La Butte Montmartre,
oef, amai m’n voeten, maar wat een schouwspel, zeg.

En lijkt dit glinsterende travertijnen bouwwerk, opgetrokken
uit een witte steensoort die bij regen calciet uitstoot,
dat werkt als een soort bleekmiddel, inderdaad
op een romige ’suikertaart’ zoals de volksmond zegt?

De kleindochter heeft er even later met feestelijke ogen
alvast deze twee suikerbeeldjes bovenop gezet,
et voilà, le moment suprème,
dans la lumière de tout ce qu’on aime.

le_sacre_coeur_sous_la_neige_by_zanzafine-d34hupzLe Sacré-Coeur, deviantart.com

ALTIJD ALLEEN

pt58035

Treurende echtgenote, Vimy monument eerste wereldoorlog

Al zie ik u niet komen,
toch gekomen, toch bij mij,
als ik-sluit-soms-mijn-ogen
lijkt op ik-kijk-u-niet-aan,

ik zie uw ultraviolet
onzichtbaar uit u zinderen,
uw aan- en uw afwezigheid
in wezen nooit verminderen.

Al zoekt mijn blik de uwe niet,
in al wat niet te zien is
en ik toch zie, kijk ik u aan,

van hieruit en van binnen,
zoals ik, steeds daarin alleen,
altijd alleen ben en u zie.

DANKUWEL ALSTUBLIEFT

Scan 55

Ligt een vrouw bij de tandarts. Ze kermt:
-“Au, au, ik krijg nog liever een kind!”
-“Dat kan ook” zegt de tandarts” maar dan moet de stoel anders.”

Twee gekken zitten bij elkaar.
De ene zegt, terwijl hij in een spiegeltje zit te kijken:
-“Hé, die vent, die ken ik!”
Zegt de andere:
-“Laat mij eens kijken!”
Hij kijkt in het spiegeltje en zegt:
-“Natuurlijk kent gij die: dat ben ik!”

Een vrouw die op de tram staat te wachten, vraagt aan een voorbijganger:
-“Sta ik hier goed voor het ziekenhuis?”
-“Nee madam, dan moet ge tussen de rails gaan staan!”

Een gek loopt al voelend om een grote stenen pilaar. Hij voelt & voelt maar,
en loopt er telkens omheen. Geschrokken mompelt hij:
-“Verdorie, ik ben levend ingemetseld!”

Een man loopt fluitend over de grachten van Amsterdam en hij ziet ineens een man gehurkt zitten, die wat grachtwater in z’n hand neem en het opdrinkt. “Niet doen, joh, dat is verschrikkelijk goor water!” schreeuwt de man. De drinkende man reageert: “Bitte?” waarop de ander zegt: “Mit zwei handen, ja! Zwei handen!”

Restaurant-gast tegen ober: “Mijn biefstuk stinkt naar Whisky!” De ober doet twee stappen terug en vraagt: “Nu nog steeds?”

Een olifant trapt midden in een mierennest. Woedend klimmen honderden mieren op zijn rug. De olifant begint ze haastig van zich af te schudden, maar één mier weet zich vast te klampen. De andere mieren op de grond schreeuwen: “Wurg hem! Wurg hem!”

 

OKTOBER

 

D107900-2

Oktober, gauw voor je alweer voorbij bent en ik Gezelle achterna ga zuchten, alsof je mijn moeder was: ”Ten is van u hiernederwaard, geschilderd of geschreven, Oktober ach, geen beeltenis, geen beeld van u gebleven…”
Gelukkig duren je dagen sinds kort weer een winteruur langer, al lijkt het eerder andersom, want wat gaan ze snel.
’Naar wat de dennen fluisteren, die buigen kruin aan kruin, zat ik zo vaak te luisteren, in ’t buntgras van het duin’ zoals in dat zo graag gezongen liedje van weleer? Genoeg geprikt in mijn dikke delen, dat buntgras. Eindelijk ’blaast de herfst weer op den horen’. Te zacht? Te ver weg? Er is ook nog de poëtische raad van Toon Tellegen:
”Zoek mij maar op, ik sta in alle gedichten.”

Oktober, mag ik een glas wijn van u?
Want wat een bevrijding. Geen slagnet meer, waaronder wij als vinken gevangen worden, om gekooid en -zoals tot in de 19de eeuw gebeurde- ieder met dichtgeschroeide oogleden ons eindeloos wedstrijdliedje te moeten zingen, op de vinkenzetting van Summerland.
Niet langer onder die theatrale volgspot van de zon, waar geen ontkomen aan was op die overbelichte vakantie-scene. Geen lichtbak meer, die ons dwong om als verblinde katten & konijnen voor ons uit te staren, naar een wereld waaruit alle diepgang leek uitgewist.
Weg met al dat scherpschutterslicht, dat zich tot diep in de gelaatsgroeven graafde en zoveel valse schaduwen wierp op de verzakkingen van kaaklijn en andere contouren. Voorbij, die hopeloos te verre ontbloting der tanden & decolletés. Eindelijk afgekoeld achter de vonkenvanger, die hitsige broeihaard van ongevraagde onthullingen. Goddank weer een beetje getemperd, dat stinkend gezweet op die afmattende Trappen van Vergelijking. Finito, dat blatend bloot en dat verbleekte blond. Evenals die ondraaglijke schoonheid van ’t jong vertoon.
Enfin, genoeg eigen gepruil versus andermans gepraal.
’De man die de wolken meet’ mag zich neerleggen in het zand, eveneens zowel pruilend als pronkend met andermans woorden op de lippen, in een legering van koper & silicium.

Geef mij maar dat overgelijkbare oktoberlicht.
Dat werpt zich niet, dat omgééft het verworpene. Dat schatert niet overal bovenuit, maar dat glimlacht in zichzelf. Dat meet noch de wolken noch de maat der dingen, want heeft een feilloos gevoel voor verhoudingen. Dat -net zoals Pablo Picasso- zoekt niet, maar vindt.
Dat wijkt & dat strijkt, dat boeit & dat gloeit, dat lijmt & dat rijmt… inderdaad op goudbrokaat.
Oktober? Je zou er de hele dag voor op een stoel bij het raam gaan zitten.
Was de zomerzon een veeleisende moeder, dan is ze nu een geduldige Oma Kaneel.

”Morgen koop ik zeven kannen olie en een nieuwe bril om in het boek te lezen. Deze winter ga ik nog niet dood” zei Edmond André Coralie Schietekat jaren geleden al in één van zijn verzen.
En inderdaad, Paul Snoeck, je bent er nog altijd.

 

HET WINTERUUR

Michal-Karcz-Photography-25-640x640Michal-Karcz-Photography

Waar zou het zich al die tijd hebben opgehouden, dat wonderlijke Uur Minder met zijn gouden staart? Zat het misschien opgesloten in de Tower of Song van Leonard Cohen, ‘standing bij the window where the light was strong’? Dan zal het ons elk etmaal opnieuw weer een waar genoegen zijn om z’n verhaal te aanhoren. Als een lichtrand rondom een donkere deur.
Of heeft de zomer het bij zijn aanvang misschien uitgespuwd in het diepste punt van de oceaan, het Challenger Deep, gewoon om er vanaf te zijn? Dan heeft het zich blijkbaar weten te verdampen,  om zich alzo weer in de tijd te laten regenen.
Het kan natuurlijk ook zalig hebben liggen slapen, bijvoorbeeld in het hemelrijk van de vogels, in Wolkenkoekoeksheim. In dat geval zal de leeuwerik er wel voor iets tussen zitten, want nee, niet de visarend.
Of was het misschien al die tijd ’ver langs de hillen, ver door de dillen, een zwerveling’ om het op z’n Geerten Gossaert’s te zeggen? Laten wij het dan omarmen en mee onder de fleece-dekens nemen, want dan is het in ieder geval teruggekomen, als een kat die een half jaar onderweg is geweest om terug thuis te geraken.
Wat er ook van zij, het is terug en het heeft ons nodig. Of andersom.

HOMO SAPIENS

imagination-keyjpg

Niet slechts onder mijn rokken te verrukken,
ben ik steeds meer nooit minder slechts een vrouw.
Geheeld door Komrij’s kapitale stukken,
verzoen ik mij met elke sabelhouw.

Zijn booreiland bezocht en zicht gekregen
op plunjerpomp, gasvondst en vlammenzee.
In bed met hem graag lik op stuk gelegen,
verguld onder zijn knoet en goud op snee.

Al bleef zijn aanblik daarbij onontgonnen,
– door vraagtekens nochtans mij toegewenst,
door uitroeptekens echter zwaar begrensd –

ik raffineer mij naar zijn oliebronnen,
schatplichtig sinds hij, mans op zijn inmenst,
punt komma in mij Homo Sapienst.

ng2019182

DE MOSSELMAN

In een emmer water stonden de mosselen te wachten op de brute schoonmaak van de vader, want die moest het doen: erop stompen met een stok tot ze proper waren.
Een luguber ritueel. Hij stroopte er zijn hemdsmouwen voor naar omhoog en wreef er het haar voor uit z’n ogen. De kinderen keken gewichtig toe. Vijf zachte, waarvan drie helblond, één donker en één vlammend ros.  Het zesde, het zevende en het achtste kind waren toen nog de vader z’n toekomstig zaad. De reeds bestaanden stonden met schoftjes van wantrouwen bij de grote emmer te wachten op wat gebeuren ging en ze voelden de dreiging van vaders zo zeldzaam blote armen, waar dikke aders overheen liepen en waar lange haren op groeiden.

333946_1(Fabuloserie-collectie, Jehan de Villiers)

In de emmer was het alsof er nu en dan een mossel bellen blies, met het geluid van een borrelend scheetje in water gelaten.
-“Zo’n lieve mosseltjes…”
De kinderen stelden vervelende vragen, maar de vader had honger, hij was er helemaal klaar voor. En jawel hoor, het werd een woeste gebeurtenis. Hij beukte in de emmer als een gek, het leek wel of hij de mosselen tot moes wilde slaan. Alsof hij een persoonlijke vete had uit te vechten met de bende schaaldieren, want o dat dreigend geroffel!
Vaders nageslacht kneep de ogen half dicht.
-“Ze zijn bang, ze springen uit den emmer!” Het klonk verscheurend.
-“Brutzak!” gilde het jongste kind, dat nog maar 1 jaar oud was, en al schrok het van zichzelf, het keek z’n woeste verwekker aan met onvergetelijke ogen.
Doch het oudste kind, dat een praktisch verstand had en dat als eerstgeborene al het langst van de vader hield, zegde dat het zo moest, omdat de mossels anders maar bleven leven en leven in hun harde schelpen, en dat je ze dan nooit op kon eten. Het keek de vader niet aan, maar vertrouwde hem onvoorwaardelijk en liet hem angstvallig doen wat blijkbaar gedaan moest worden.
Ja, de vader. Hij kon alles. En al had het oudste kind daar geen twijfels over, het tweede oudste kind wilde van de vaders goddelijke almacht al gauw iets afknijpen.
-”Eén ding kan hij toch niet en het is een groot ding: kindjes maken, want dat doet Jezus.”
Doch hoe slim zij haar jongere broertje ook vond, het oudste kind heeft dat nooit echt geloofd.

phpThumb_generated_thumbnail

-“De selder!” riep de vader, weer tot z’n zinnen gekomen, en hij lachte als een boosdoener die een gestolen kip ging braden. Nog immer waren de kinderen wantrouwig.
Een beetje sprakeloos volgden ze de resolute bewegingen van hun anders zo nestwarme vader, die nu met een bijna brutaal genoegen de reuze pot met de murw geslagen mosselen op het vuur zette en er slordig de selder bij gooide. Er hing een vreemde spanning in de keuken.
-“Nu gaan ze pijn krijgen..”
-“Ik vind het zo erg voor die mossels..”
-“Ik wou dat de mensen dat niet mochten van Jezus..”
Ineens waren daar de eerste sappige seldergeuren.
-” Maar ik denk wel, dat ze graag selder lusten…” zei het oudste kind, voor deze geruststellende woorden eventjes de rechter duim uit haar mond halend.
De sissende pot begon te dampen en te bruisen. Het was alsof de mosselen wakker werden van eigen geur, alsof ze honger kregen in zichzelf. Een vreemd gefezel ving aan. De schelpen braken zuchtend open.
-“Ze leven nog, ik hoor ze piepen!” riep het oudste kind geschrokken.
Stilte na de helle kreet. Slechts het puffend geluid dat uit de pot opsteeg als een klaagzang.
-“Vader?”

-“Ze zijn van hun sus nu”, zei de vader humaan.
Met benauwde ogen stonden de kinderen vervolgens naar de hoge pot te staren, waar binnenin iets bezig was van ik-weet-toch-niet. Ontkiemende frustraties kozen al dan niet het vrije sop.
-“Maar ze kunnen nog wel bijten, als ze niet genoeg gekookt zijn”, zei het donkertje.

 

11096f26-e193-11e3-b04c-898a60fafecd_web_scale_0.4_0.4__

 

De dampende pot werd midden op tafel gezet. Ook de klanten in de horlogewinkel van voren wisten meteen hoe laat het was: hier ging gesmuld worden! Moeders ‘kleinmannen’ hadden het blijkbaar naar hun zin, daar vanachteren, dat kon ze horen.
En eindelijk konden de kinderen een echte blik werpen in de mysterieuze pot. Ze keken nieuwsgierig toe hoe de vader z’n grote bord helemaal vol schepte, de hemdsmouwen nog altijd strijdvaardig naar omhoog gerold. En hoe hij vervolgens bedreven begon te eten: met een lege schelp rukte hij de dampende dikke mosselen uit de volle. De lege schalen pasten in elkaar als vouwstoelen. De vader legde uit dat de dikke gele de beste waren, de vetste. Het jongste kind was ondertussen in slaap gevallen, het vierde kroop boven op tafel om één en ander beter te kunnen zien, terwijl het derde kind het spijtig vond, dat de mosselen zo’n vieze lippen hadden en zo’n dikke groene buik. Het tweede meest kritische kind van de vijf was onmiddellijk begonnen aan een mossel-vivisectie, terwijl het oudste kind het kookvocht uit de pot slurpte met een lege schelp, en de witte tand daarin probeerde los te wrikken om hem op te eten. Taai maar lekker. Als ze jaren later voor ’t eerst krab te eten krijgt, zal ze denken: hé, dat smaakt een beetje naar mosseltanden..’
-“Dat is geen tand”, heeft de vader vervolgens uitgelegd, “dat is een spiertje waarmee de mossel zich vasthoudt binnenin haar schelp.

Elk kind wou vervolgens z’n eigen buit van de lege schelpen, nadat de vader met vier vettige lippen en naar vis stinkend had vastgesteld:
-” Ze zijn op.”

 

51VA6GHEECL

 

EEUWIGE SECONDENWIJZER

klokken

Hoe kan ik u tegenhouden,
tijd, gij die tezelfdertijd
voor mijn Smidje van de Wouden
zowel klok- als hartslag zijt?

Zegen hem, die uitgerekend
ieder stilgevallen uur
voor ontvangst heeft gehandtekend
en hersteld tot eender duur.

Eeuwige secondewijzer,
teken aan mijn vaders wand,
koel uw heet geworden ijzer,
hij stond altijd aan uw kant.