LICHTWERPSEL

Ruben Monakhov

Vannacht zou ik de volle maan willen toeschrijven
aan de dichter Willem van Toorn, die vandaag
twee jaar geleden de ‘Blue Planet’ heeft verlaten.


Daan Cartens blikte toen terug op het leven en werk van zijn
goede vriend Willem van Toorn die ‘hartelijk en gul was, maar ook
eigengereid en eigenwijs en trots was op zijn ijdelheid.’

‘Op 18 mei 2024 stuurde Willem zijn vrienden een mailtje:
Helaas moet ik het laten afweten bij de presentatie van 30 mei.
Ik ben in het (uitstekend) ziekenhuis van Chateauroux beland.

Pech, hè!

‘Die presentatie betrof zijn laatste werk: ‘Kafka voor
beginners’, een aanstekelijke inleiding voor Kafkalezers,
geschreven in de klare taal die Van Toorn eigen was.
Hij heeft zijn boek nog in handen gehad, maar de eerste
positieve kritieken heeft hij niet meer kunnen lezen.
Hij overleed in de ochtend van 31 mei 2024, 88 jaar oud.’

Aldus Daan Cartens, hoewel die eerder ooit had gezegd:
“Willem gaat niet dood, die leeft veel te graag.”

Moge de volle maan vannacht haar licht laten schijnen over
Willem van Toorn zijn opmerkelijk nalatenschap, waarvan
hieronder een bevestiging ‘ins blaue hinein’.

Een kraai bij Siena

Hoe een kraai vliegt over de heuvels
bij Siena: een verkreukelde zwarte lap
boven het koperen landschap.
Werkt zich rot, denk je van onderaf,
met die averechtse vleugels.

Door de kijker zijn slimme snavel,
zijn eigenwijs hoofd: hij lapt
het toch maar. Niet de begaafde
vlechtwerken boven de stad
van de zwaluwen — hij blijft een aardse

zitter, die heeft gedacht: waarom
zij wel verdomme? en is opgestegen
om zich verbaasd te begeven
naar dit veel te grote blauw.

Hoe zich deze woorden bewegen
ongeveer van mij naar jou.

Willem van Toorn (1935-2024)
uit: Ik maak je hierin aanwezig (Querido, 2026)

MOOIE LIEDJES

En na het songfestivalgedruis, the sound of silence?
Alsook de bedenking: wat is er mis met een gewoon mooi liedje?
Zo’n liedje dat zich woord voor woord ontvouwt
en je verwonderd doet opkijken. Gezongen door een stem
die gerust mag kraken, mooie liedjes malen daar niet om.

Doch zonder windmachines, blote billen en uitzinnige
aankleedsels hebben veel liedjes blijkbaar niet veel meer om het lijf.
En daar horen, zo te horen, dampkring-ontvliedende kreten bij,
alsof ze op elke planeet moeten worden gehoord:
er mocht daar ook eens leven zijn..

Hijgende rond crossende zingmensen waarvoor
men in katzwijm valt, onder een flikkerend uitspansel,
zo groot als het heelal. Ik geef toe: mijn gezeur klinkt
behoorlijk ouderwets. Maar ach, wou de merel nog maar
zingen, je zou mij niet zo horen klagen.

Niettemin: ze zijn er nog wel, die mooie liedjes
voor des levens eeuwigheid. Alsof gezongen in de stilte van
de nacht, zoals bijvoorbeeld Frank Vander Linden dat kan,
of Robert Long, Stef Bos, Jan De Wilde…. Je moet er alleen
wat langer voor willen wakker blijven.
Of slapeloos, desnoods.

BLIJ MET EEN DODE MUS?

Hoe kun je ooit blij zijn met een dode mus.
Wat een contradictio in terminis. Ik vond er plots eentje
bovenop de opgerolde tuinslang in het tuinhuis.

Al zou het ook een mereljong kunnen zijn, te zien aan
dat scherpe snaveltje? Maar veel maakt dat uiteindelijk
niet uit, ik kromp er hoe dan ook van ineen.

Die lijdensweg, dat ver open gesperde bekje,
dat bijna afgestorven pootje, waarmee het hopeloos bleek
te zijn vast geraakt tussen de tuinslang-windsels.

Ook de vleugeltjes stonden nog open, er was geen plaats
geweest om ze in te trekken. Van honger, van dorst en van kou
dus. En van een niet in te beelden schrijnende eenzaamheid.

Het is niet, omdat het vogeltje geen mens was, dat het mij
minder zou raken: dat maakt voor mij geen wezenlijk verschil
op zulke verbijsterende momenten.

Lijden verdwijnt niet omdat het voorbij is. Het blijft boven
de aarde hangen. Het is door niets nog weg te cijferen.Tijd is
een verzonnen begrip, vrees ik: er is alleen het eeuwige nu.

Ik weet mij geen raad met het lijden op de wereld: brein is
daarvoor te klein. Ogen te bang van doornen. Gemoed te
binnenskamers. Hart teveel eigenzuchtig gepomp.

Te onoplettend, te kwakkeldoof of te traag geweest? Ach,
mereltje-mus, ik hou me met jou verbonden. Het spijt me,
o zozeer, dat ik je niet eerder heb gevonden.

Wär ich ein Vögelein, wollt ich bald bei dir sein,
scheut Falk und Habicht nicht, flög schnell zu dir;
schöss mich ein jäger tot, fiel ich in deinen Schöss;
sähst du mich traurig an, gern stürb ich dann.

VOLGSPOT

De maan was er
vannacht weer gloeiend bij,
en vandaag wens ik
iedereen een zonnig 1 mij?

Mocht brein het mij gunnen:
schrap het woord ‘geschrei,’
dat zou zomaar kunnen,
maar ’t blijft bij rijmelarij.

Buiten zoveel schoonheid,
doch in het binnenstebuiten gekeerde lijf heerst de
weggekwijnde versie daarvan? De zon is een volgspot
geworden om daarvan het bewijs te kunnen leveren?

Gaan we wentelteven, ja? Draai jezelf liever nog eens
om in die veel te hete pan, zodat je na de volle zon,
ook de volle maan weer kan zien
.

Een opening naar het heelal,
of een zilveren polkadot op des hemels nachtgewaad?
Maar wat blijkt: ook de maan bleef niet onaangeroerd.

Tussen 1969 en 1972 lieten Apollo-astronauten 96 zakken
menselijke uitwerpselen en wel 70 ruimtetuigen achter
op het maanoppervlak, alles bijeen bijna 200 ton!

Bestaande uit meer dan 800 objecten,
zoals delen van maanlanders, diverse cameras,
12 paar laarzen, 5 Amerikaanse vlaggen, de bijbel van
astronaut David Scott, een foto van Charles Duke’s
familie, het Belgische kunstwerk
‘Fallen astronaut’ van Paul Van Hoeydonck…

En, jawel, ook een schijf met de vredesboodschap
van 73 gewezen wereldleiders. Wat ligt die daar
in godsnaam te doen?

Is dàt dan wat ik wilde weten,
voor het dempen van mijn zielekreten, die rijmen op
voor-wie-ik-liefheb-wil-ik-heten?

De maan is weer vol, maar niet van zichzelf,
daar kan ik dus nog wat van leren.

Verdonkeremaan mij
nog niet, volle maan,
ook al is er op een dag
geen ontkomen meer aan
.

Al weet niemand nog dat
ik ooit dood ben gegaan,
dan nog zou ik je graag
aan de hemel zien staan.