PEN NUMMER 11

131205xTestPen 2

Pen slechts amper pen te noemen,
met die zelf gesneden punt;
in de schacht de taaie ader
van een doodgestoken rund?

Pen voor kreten & gefluister,
voor gesop in eigen bloed;
pen voor mocht mij inkt ontbreken,
doch hoe euvel is mijn moed.

Voor wat ik niet wil verzwijgen
scherp ik mijn Pen nummer elf;
al wat ik niet durf te zeggen
spreekt gelukkig voor zichzelf.

 

TO KILL THE MOCKINGBIRD?

Art02

Vogeltje gij zijt gevangen,
in een kooitje zulde gij hangen?

Spaar de Spotvogel!
Ga hem nu niet braden, of zet hem niet terug in z’n kooi,
hij weet dat uw houten namaakvinger geen boomtak is,
laat staan een tekenpotlood.

Alzo geen roze eitjes met zwarte stipjes,
geen gevarieerd liedje meer vol vogelimitaties.
Geen grappig nasaal gefluit, kortom, geen lieve lust meer,
alleen nog een vogel die zal sterven voor uw aanschijn.

”Diedeloi? Diedeloi?”

Hush little baby, don’t say a word,
mama cannot buy you a mockingbird!

To-Kill-Mockingbird

Remember it ’s a sin to kill a mockingbird.

*LACHEN MAG VAN GOD*

Scan 76

Als je jezelf niet kietelt, lach je nooit? Misschien heb je integendeel de lach wel aan je kont hangen, en is het altijd lachen, gieren, brullen. Of ben je meestal die lachende derde, of liever steevast de laatste, want die lacht het best. Maar of het nu de slappe is of de homerische, de sardonische of de satanische lach: het zal altijd schreien zijn met het ene oog & lachen met het andere. Lachen in jezelf, in je baard of in je vuistje, of als de duivel tegen de dageraad, als een geit op een zinken dak, als een boer die kiespijn heeft: het lachen mag ons niet vergaan. Maar lachende mondekes, bijtende hondekes: lachen moet je leren, schreien komt vanzelf. En anders, lach je niet langer een aap, een bult of een beroerte: koop zo’n haak, en je hoeft er geen spier meer voor te verrekken. Zelfs die vijftien niet versus de meer dan honderd spieren die nodig zijn om te huilen.

LATEN WE SOWIESO ONS LACHJE PROBEREN TE REDDEN.

We werken er het stresshormoon cortisol mee weg, we maken er natural killer cellen mee aan die ons zuiveren van ballast. Overigens, de schrijver Maurits Sabbe zei het begin vorige eeuw al: ”Mijd u van degeen die geen lachen verstaan; ze zullen u spoedig doen schreien.”  Helaas, sommige mensen kan men alleen maar amuseren door uit te glijden op een bevroren trottoir of over een bananenschil, zoals Edgar Watson Howe vaststelde?

Tot besluit dus maar die Spaanse copla, in een vertaling van Hendrik de Vries:

DE HALVE WERELD LACHT OM DE REST;
OM ALLES LACHEN IS ’T ALLERBEST.

(*Lachen mag van God, naar het motto van Annie M.G.Schmidt*)

DE GEWONDE ENGEL

amaranth 2

Toch weer gewond geraakt, de kerstengel, toch weer in de vleugels geschoten? Maar zolang er mensen zijn die zich vervolgens over hem ontfermen, komt het wel weer goed?
”Hoop niet zonder wanhoop, en wanhoop niet zonder hoop” raadt Seneca ons aan. Allez, vooruit dan maar. Dat was overigens precies wat ook die gewonde engel ons kwam zeggen.

Maar jongens, waar brengen jullie hem nu naartoe? Hopelijk niet naar nergens, of het wordt nooit nog kerstmis.

RILKE’S ENGEL

angel_wallpaper_1920_x_1080_by_danielbemelen-d5f5rc5

“Wie, als ik riep, zou mij dan horen uit de rijen der engelen? En stel eens, één nam mij plotseling aan het hart: ik zou vergaan door zijn sterker bestaan. Want het schone is niets anders dan het begin der verschrikking, dat net nog te verdragen is. En wij bewonderen het zo, omdat het onaangedaan nalaat ons te vernietigen.
Iedere engel jaagt schrik aan. Daarom houd ik mij in en verkrop de lokroep van mijn donker gesnik. Ach, op wie kunnen wij staat maken? Niet op engelen, niet op mensen, en de schrandere dieren hebben al door dat wij niet zo thuis en vertrouwd zijn in onze verklaarde wereld.

h3pwnjzbk3b

Er rest ons misschien ergens een boom op de helling en ons dagelijks weerzien daarvan. Er rest ons de straat van gisteren en de blijvende trouw van een gewoonte die het bij ons beviel, en daarom bleef ze en ging niet.

wind_serenity

O, en de nacht, de nacht, als de wind vol van heelal ons schrijnt in het gelaat-, voor wie bleef hij niet, de verlangde, zacht teleurstellende, die het alleenstaand hart moeizaam te wachten staat. Is hij voor geliefden lichter? Ach, zij verbergen slechts voor elkaar hun lot. Weet je het nog niet? Werp uit je armen leegte de ruimte in die wij ademen; misschien dat de vogels de verruimde lucht voelen met inniger vlucht.”

afscheid

Rainer Maria Rilke: Die Erste Elegie, in een vertaling van Atze van Wieren.

ENGELENGEZANG?

89648ddc9aa0e8b2fb765476bb3427fa_medium

Er zit een engel in de toren, geketend, gevangen, ten einde engelengeduld, niet meer in staat om te zingen, te redden of te beschermen, noch om de klokken te doen luiden?
Haar vleugels liggen te koop in de Casa, haar witte jurk in de Kringloopwinkel, haar engelenhaar uiteen getrokken  over de kerstboomtakken?
Geen engelenmis meer voor de gestorven kinderen onder de zeven jaar, geen Vox Angelica die opstijgt naar de hoge gewelven, dus geen Hosanna meer in den hoge en de neergestreken duif die koert: alleen kan ik het niet?

In de Fides Implecita -het niet verplichte meegeloofde geloof- staat geschreven dat engelen meewerken aan alles wat goed is voor de mens. Hun hemelse gezangen echter zijn van omgekeerd plagiaat beschuldigd, en hun niet waar te nemen onstoffelijkheid wekt de meewarigheid van de wetenschap.
Voor wie vleugels heeft staat de hoogte open? Volgens Augustinus gebeurde de scheiding tussen goede & boze engelen op de vierde dag van de schepping toen god het licht scheidde van de duisternis.
Of is dit geketende wezen misschien de 17-jarige Lillith, die na haar dood verliefd werd op de Aartsengel Gabriël, in de novelle ’Engelenveer’ van Olga Hoekstra? Of wat zal de mens nog allemaal weten te verzinnen om zichzelf te troosten.

In vroegere tijden dacht men dat de vogels, met name de arenden, de ziel van de mensen terug bij God brachten, maar laten we stellen, dat was een misvatting: die klauwen & die bek, in combinatie met onze ijle zielen. Doch wat er ook van zij: in elk geval gevleugeld?
Volgens Thomas van Aquino zijn engelen zuiver geest, ze hebben lichaam noch gewicht en omdat ze zich niet in aardse tijd voortbewegen kunnen ze hun krachten uitoefenen op plaatsen die ver van elkaar verwijderd zijn. Dat klinkt alleszins fascinerend. Maar lichaam noch gewicht? Menselijk gezien zou een engel van 70 kg vleugels nodig hebben van twee meter lengte om te kunnen vliegen & borstspieren van zo’n tien kg. De gebruikelijke voorstelling klopt dus niet echt?

8879305-angel-wings-creative

Bovendien heeft het Vaticaan de engelen inmiddels eigenhandig de vleugels afgerukt, bij monde van Pater Renzo Lavatori. ”Engelen zijn als zonlicht dat op je schijnt doorheen een kristallen vaas”.
Maar zou het niet kunnen, dat engelen elke menselijke voorstelling moeiteloos krijgen ingevuld, en zelfs weten te overstijgen? Dat ze zijn zoals wij ze zien, en niet andersom?

Er zit een engel gevangen in de toren:
de engel die als opdracht kreeg, aanwezig te zijn bij mensen die niet kunnen slapen? Dat schraaft & dat schrikkelt, dat schriemt & dat schreeuwt om bevrijding.

En ook al heeft in onze taal een engel niets te maken met een angel, wat zou het steken, als ze niet zouden bestaan. Als ze ons niet onder hun vleugels zouden nemen op onze hachelijkste momenten.

DE ZON ZIEN ZAKKEN IN DE ZEE?

_voo013200001ill0049

Hij die, uit vrije keus,
En in zijn achter kamer,
Met hoofdpijn als een hamer;
En volgestopten neus,
Met klemming op zijn water,
En lusten als een kater,
En met een stijven nek,
En vijf gebroken ruiten,
En deuren, die niet sluiten,
Met ’t Pootje in zijn kuiten,
Er uitziet als een gek;

Is min nog te beklagen
Dan hy, die drie paar dagen,
In ’t woelziek schoolvertrek,
De veestlucht en den drek,
De snotneus, d’ezelsvragen,
’t Afzichtlijk nagelknagen,
Het krabb’lend luis-verjagen,
De vuile witte kragen,
En ’t hartverduiv’lend plagen
Der Jonkheid moet verdragen.

 (De Schoolmeester, Gerrit van de Linde 1808-1858)

TRAPGEZANG

Sarolta_Ban(foto Sarolta Ban)

Die laatste trap naar boven,
zo’n trap, mijn god ik kan
mijn ogen niet geloven,
wat zijn ze hier van plan?

Dat die verlichte treden,
door feestvierders bedacht,
mij kunnen overreden,
jaja, je wordt verwacht.

Die laatste trap naar boven,
mag dat een lokroep zijn,
de taart nog in de oven,
veel volk & ’t huis te klein.

Dat ik, omhoog gevallen,
het trapgat op z’n kop,
haha, de kurk hoor knallen,
t is feest, komaan, kom op.

Blij, zonder hartekreten,
daarna weer thuis gebracht,
en ’s morgens niet meer weten,
’k ben dood gegaan vannacht.

MOEDER

Al_Sirat_by_najmo

 Al zeventien jaar aan de overkant,
al zeventien jaar ben jij die wuivende vrouw daar,
moeder, in jouw wonderlijk voortbestaan.

Al zeventien jaar lang kunnen wij maar niet geloven
hoe jij over die helse kabel bent geraakt,
hoog boven die vlammende zee van de eeuwigheid.

We staan er nog altijd vol ontzag naar te kijken,
en hoe onvoorstelbaar ook het feit
dat wij daar eveneens ooit overheen moeten,

we zullen weten wat ons te doen staat:
ons blijven vast ankeren in jouw blik,
moeder, geruststellende moeder.

15 november 1997 – 15 november 2014.

HET VELLEKE

sarolta_ban_02

Het velleke is geen zotje, het weet wanneer het rimpelen moet? Geen porie van mijn ‘rijpere huid’ die daar inmiddels niet weet van mee te spreken. En geen bacterie daarop -van de 8 miljoen per vierkante centimeter!- die niet bang is, om voorgoed klem te geraken tussen de diepe voren. Doch zwart van kleren, wit van vlees, van buiten gezond, van binnen gewond: elk moet met zijn eigen huid naar de looier. En daar sta je dan met je gewassen nek.

Ondertussen dan maar de rug aan ’t vuur, de buik aan tafel, en in de hand een goede wafel? Of ieder wat van ’t stokvisvel, de gootsteen moet er niet vet van worden? Met boven de plee het bedenkelijke opschrift: Hier rust & rot, de overschot van brood & middagpot? Echter, dan denk ik weer aan de broodmagere Stijn Streuvels, die opmerkte: ”Ik kan nog maar twee ziektes krijgen, een velziekte of een beenziekte.” Wat er ook van zij, mijn suikerpeertjes hebben alleszins hun beste tijd gehad.

En ook al zijn er grepen op mijn luit, die nog niet zijn bespeeld: de slagpennen zijn me uitgetrokken, en mooi aangekleed begint pijn te doen. Je kunt overigens wat horen als je niet doof bent: de zwartste rook zoekt altijd het blankste vel. Een mens zou van minder zo benauwd gaan kijken als een koe in een kersenboom. Maar bovenal: de liefde verandert met het vel. Abiistis, dulcis caricae, gij zijt verdwenen, zoete vijgen?

Al zijn mijn levensgeesten nog niet verteerd, en riek ik hopelijk nog niet naar de schop, ik ben mijn drol alvast gaan begraven, echter, niemand wou het kistje dragen. Het is nog geen avond, zei de kraaienvanger? Morgen schijt er al een kraai, die vandaag nog geen kont heeft. Mijn god, ik wil geen gezicht krijgen als een paardenvijg, waar de kippen in hebben gepikt. Ik zeg verder niks meer, maar god hoort mij brommen.

Scan 80

VARKENTIJNTJE

sc00003f71

Dat ruige roze tonnetje,
die oorflapjes, zo dul,
die dikke modderbeentjes en
dat staartje zonder krul,

dat ruw aai-ronde ruggetje,
zo beestig bestiaal,
die kleine drukknop-oogjes en
die blik, zo animaal,

die bobbelige billetjes,
dat biggig buikgebied,
dat malle moddermuiltje en
dat slachthuis in ’t verschiet?

Mijn parels voor dit varkentje,
mijn meesterlijke ham;
het mag mij altijd hekelen:
”Please, can I call you Mam..?”

MOMENT SUPRèME

IMG_1589

Lang na de 58.000 doden uit de Frans-Duitse oorlog,
en het besluit van de Franse katholieken
om op het hoogste punt van Parijs, de Montmartreheuvel,
een basiliek te bouwen ter herdenking van deze gevallenen,

dus lang na het uitgraven van de 83 putten van 45 meter diep,
volgestort met stenen om de grond te verstevigen,
alsook lang na het leggen van de eerste steen in 1875,
na de 6 miljoen euro aan bouwkosten & de 39 bouwjaren,

en denkend aan de zware tocht van de 28 paarden, die destijds
’La Savoyarde’ -de grootste klok ter wereld van zo’n 19 ton-
met een reusachtige kar de heuvel op hebben gesleurd,
ja, lang na dit onvoorstelbare alles

wisten ook deze twee, op een augustusavond anno 2014,
evenals de 8 miljoen andere toeristen van dat jaar,
de 222 prachtige treden op te klimmen van La Butte Montmartre,
oef, amai m’n voeten, maar wat een schouwspel, zeg.

En lijkt dit glinsterende travertijnen bouwwerk, opgetrokken
uit een witte steensoort die bij regen calciet uitstoot,
dat werkt als een soort bleekmiddel, inderdaad
op een romige ’suikertaart’ zoals de volksmond zegt?

De kleindochter heeft er even later met feestelijke ogen
alvast deze twee suikerbeeldjes bovenop gezet,
et voilà, le moment suprème,
dans la lumière de tout ce qu’on aime.

le_sacre_coeur_sous_la_neige_by_zanzafine-d34hupzLe Sacré-Coeur, deviantart.com

ALTIJD ALLEEN

pt58035

Treurende echtgenote, Vimy monument eerste wereldoorlog

Al zie ik u niet komen,
toch gekomen, toch bij mij,
als ik-sluit-soms-mijn-ogen
lijkt op ik-kijk-u-niet-aan,

ik zie uw ultraviolet
onzichtbaar uit u zinderen,
uw aan- en uw afwezigheid
in wezen nooit verminderen.

Al zoekt mijn blik de uwe niet,
in al wat niet te zien is
en ik toch zie, kijk ik u aan,

van hieruit en van binnen,
zoals ik, steeds daarin alleen,
altijd alleen ben en u zie.

DANKUWEL ALSTUBLIEFT

Scan 55

Ligt een vrouw bij de tandarts. Ze kermt:
-“Au, au, ik krijg nog liever een kind!”
-“Dat kan ook” zegt de tandarts” maar dan moet de stoel anders.”

Twee gekken zitten bij elkaar.
De ene zegt, terwijl hij in een spiegeltje zit te kijken:
-“Hé, die vent, die ken ik!”
Zegt de andere:
-“Laat mij eens kijken!”
Hij kijkt in het spiegeltje en zegt:
-“Natuurlijk kent gij die: dat ben ik!”

Een vrouw die op de tram staat te wachten, vraagt aan een voorbijganger:
-“Sta ik hier goed voor het ziekenhuis?”
-“Nee madam, dan moet ge tussen de rails gaan staan!”

Een gek loopt al voelend om een grote stenen pilaar. Hij voelt & voelt maar,
en loopt er telkens omheen. Geschrokken mompelt hij:
-“Verdorie, ik ben levend ingemetseld!”

Een man loopt fluitend over de grachten van Amsterdam en hij ziet ineens een man gehurkt zitten, die wat grachtwater in z’n hand neem en het opdrinkt. “Niet doen, joh, dat is verschrikkelijk goor water!” schreeuwt de man. De drinkende man reageert: “Bitte?” waarop de ander zegt: “Mit zwei handen, ja! Zwei handen!”

Restaurant-gast tegen ober: “Mijn biefstuk stinkt naar Whisky!” De ober doet twee stappen terug en vraagt: “Nu nog steeds?”

Een olifant trapt midden in een mierennest. Woedend klimmen honderden mieren op zijn rug. De olifant begint ze haastig van zich af te schudden, maar één mier weet zich vast te klampen. De andere mieren op de grond schreeuwen: “Wurg hem! Wurg hem!”

 

OKTOBER

 

D107900-2

Oktober, gauw voor je alweer voorbij bent en ik Gezelle achterna ga zuchten, alsof je mijn moeder was: ”Ten is van u hiernederwaard, geschilderd of geschreven, Oktober ach, geen beeltenis, geen beeld van u gebleven…”
Gelukkig duren je dagen sinds kort weer een winteruur langer, al lijkt het eerder andersom, want wat gaan ze snel.
’Naar wat de dennen fluisteren, die buigen kruin aan kruin, zat ik zo vaak te luisteren, in ’t buntgras van het duin’ zoals in dat zo graag gezongen liedje van weleer? Genoeg geprikt in mijn dikke delen, dat buntgras. Eindelijk ’blaast de herfst weer op den horen’. Te zacht? Te ver weg? Er is ook nog de poëtische raad van Toon Tellegen:
”Zoek mij maar op, ik sta in alle gedichten.”

Oktober, mag ik een glas wijn van u?
Want wat een bevrijding. Geen slagnet meer, waaronder wij als vinken gevangen worden, om gekooid en -zoals tot in de 19de eeuw gebeurde- ieder met dichtgeschroeide oogleden ons eindeloos wedstrijdliedje te moeten zingen, op de vinkenzetting van Summerland.
Niet langer onder die theatrale volgspot van de zon, waar geen ontkomen aan was op die overbelichte vakantie-scene. Geen lichtbak meer, die ons dwong om als verblinde katten & konijnen voor ons uit te staren, naar een wereld waaruit alle diepgang leek uitgewist.
Weg met al dat scherpschutterslicht, dat zich tot diep in de gelaatsgroeven graafde en zoveel valse schaduwen wierp op de verzakkingen van kaaklijn en andere contouren. Voorbij, die hopeloos te verre ontbloting der tanden & decolletés. Eindelijk afgekoeld achter de vonkenvanger, die hitsige broeihaard van ongevraagde onthullingen. Goddank weer een beetje getemperd, dat stinkend gezweet op die afmattende Trappen van Vergelijking. Finito, dat blatend bloot en dat verbleekte blond. Evenals die ondraaglijke schoonheid van ’t jong vertoon.
Enfin, genoeg eigen gepruil versus andermans gepraal.
’De man die de wolken meet’ mag zich neerleggen in het zand, eveneens zowel pruilend als pronkend met andermans woorden op de lippen, in een legering van koper & silicium.

Geef mij maar dat overgelijkbare oktoberlicht.
Dat werpt zich niet, dat omgééft het verworpene. Dat schatert niet overal bovenuit, maar dat glimlacht in zichzelf. Dat meet noch de wolken noch de maat der dingen, want heeft een feilloos gevoel voor verhoudingen. Dat -net zoals Pablo Picasso- zoekt niet, maar vindt.
Dat wijkt & dat strijkt, dat boeit & dat gloeit, dat lijmt & dat rijmt… inderdaad op goudbrokaat.
Oktober? Je zou er de hele dag voor op een stoel bij het raam gaan zitten.
Was de zomerzon een veeleisende moeder, dan is ze nu een geduldige Oma Kaneel.

”Morgen koop ik zeven kannen olie en een nieuwe bril om in het boek te lezen. Deze winter ga ik nog niet dood” zei Edmond André Coralie Schietekat jaren geleden al in één van zijn verzen.
En inderdaad, Paul Snoeck, je bent er nog altijd.