OUT OF THE BLUE

Tegen de vlakte. Out of the blue. De eerste poging van magere Hein? Letterlijk plots nog slechts een halve mens. Echter al gauw omgeven door een uitermate indrukwekkende reddingsbrigade. Je zou er achteraf wel een foto van willen hebben om in huis op te hangen: zo dankbaar, zo onvergetelijk, elk van hen.

Vervolgens een bloedverdunde nacht die je tot hiertoe alleen nog maar in films hebt gezien? Maar ineens staat daar, in je moeilijkste uren, een ongelooflijk rustgevende verschijning naast je bed: waardig, zacht & alom tegenwoordig. Zo moeten ook de engelen zijn, dacht ik, God zou hem onmiddellijk in dienst hebben genomen. Daar hoeft hij echt niet Gabriël voor te heten. Jens dus.

Maar als dan de eindeloze nacht begint, is hij weg. En komt de van dienst zijnde nachtverpleegster. In het holst. Als een onbekende. Wanneer je meent het volste recht te hebben om te gaan kajieten als een aangereden hond: van de pijn, van de tergende slapeloosheid, van de angst voor de rode belknop & alweer de bedpan, door de dwangmatig geworden plasdrang, en de niet te beschrijven ontlastingsvrees. Links het infuus, rechts het niet aflatende gepomp van de bloeddrukmeter. Maar ’t was allemaal voor mijn goed, dankuwel alstublieft.

Waarom weende gij nu? Het ging toch goed? Ge moet u ontspannen, en dat kunde gij alleen maar zélf! Kijk eens in mijn ogen, luisterde gij wel naar mij? Maar wat viel er te kijken in haar -luisterde gij wel naar mij?- koolzwarte ogen, wat viel er -kijk eens in mijn ogen!- te beluisteren in haar kijvende stem? Dat ik een klein jonk bleek te zijn geworden? Het zal toch niet waar zijn zeker!

Vanaf ’s anderendaags omgeven door lotgenoten, want je bent er absoluut niet de enige. Overal geduldige teneer geslagenen in rollende bedden, wachtend op hun beurt om gescand te worden. Vechtend tegen de veel te felle plafondlichten waar ze tegenaan liggen te kijken. Geen traan, geen druppel bloed die ongemerkt zou kunnen ontsnappen. Kortom: het échte voor-pampus-liggen. En allemaal dezelfde bleek geworden armen vol donkerblauwe bloeduitstortingen.

Met bed & al, in volkomen weerloosheid & ver van de eigen wenselijkheden van het ene onderzoek naar het andere worden gereden, door mensen die aan het werk zijn: je wordt er vanzelf enigszins ongemakkelijk van. Dat plots omgeven zijn door niets dan zorgende mensen om je heen, dat doet wat met een mens: je zou er omhelzerig van worden. Vroeg of laat maak je dat dan toch eens mee.

Enfin, het passeerde. Bijna wonderwel. Tot ik weer naar huis mocht, met een linker & een rechterkant die elkaar nu langzaamaan weer moeten terug zien te vinden. Tot mijn linker wijsvinger weer blindelings mijn neustop weet aan te wijzen, die gelukkig niet langer de rode belknop is. Geduld, geduld? Dat wordt inmiddels alweer van iederéén gevraagd, op weg naar de derde prik. Alice in Klonterland is niet de enige die zich momenteel afvraagt: how long is forever?

ALLERZIELEN

Liefste broers & zussen,

Allerziélen lijkt ons meer toegeëigend dan Allerhéiligen. 
En inderdaad, niets is zo ingewikkeld als niet dood zijn,
zoals Toon Tellegen dat hier komt te zeggen. 
Maar, net zoals onze vader daar altijd iets op wist te vinden, zie hierboven,
zo proberen wij dat met z’n allen ook te doen, ja toch!

Ring the bells that still can ring, forget your perfect offering,
there is a crack in everything, that’s how the light gets in.

Jullie Kreegzuster Bloedklonter

OPEN BOEK

Een zeer inspirerend boek meegebracht uit de Bib. Een éigen aankoop meer dan waardig, zoals ik al gauw mocht vaststellen. Ik vond het meteen aantrekkelijk: alleen al die wonderlijke titel, en het daaraan verbonden concept. Echt een boek voor naast mijn bed, dacht ik, toen ik het opensloeg en de korte items daarin zag van telkens een paar bladzijdes. Al was er een lichte aarzeling: is dit niet een schrijver die gaatjes gaat boren in mijn bange bewustzijn? Maar ik wou & ik zou.

‘Odes’ dus, van David Van Reybrouck. Als een fascinerende buit naar mijn nest gesleept. Tot hoog in het huis. Tot naast mijn bed. En eenmaal opengeslagen, als een dak boven mijn hoofd. En inderdaad, mijn eerste indruk werd meteen volkomen ingelost: ik vond het prachtig. Alles er van. Alles er aan. Alles er in. Elke ode een ‘lichtdrukmaal’ om het op z’n Gezelleaans te zeggen. Korte stukjes, maar van lange duur. Zinnens om zich voorgoed te verankeren in mijn gemoed.

Wel werd ik er wat weemoedig van. Dat ‘grote’ Reybrouckse leven op mijn borst, boven dat ‘kleine’ leven van mijzelf. Onder die berg zachte dekens vol uitgestelde belevenissen, waar ik in mijn stervensuur sowieso nog spijt van zal krijgen? De lichtwerper versus de schaduwplant. Het contrast werd steeds schriller, bij wijlen irritant zelfs. In mijn schulp, in mijn schulp, in mijn overgrote schulp.

Hij heet dan ook David, dacht ik, naar de gezalfde koning allicht. En bovendien ook Van Reybrouck: met zo’n naam blijf je uiteraard niet thuiszitten, nomen est omen. Maar zelfs honkvast, en opgerold als een slak in haar huisje, herkende ik de glans & de gloed -waarmee die odes zijn geschreven- maar al te goed. Die infrarode warmte ervan, die zo onzichtbaar diep in je weet door te dringen.

En hoe hélend dat kan zijn voor het onooglijke waarvoor ik zelf schijn te leven: op z’n huisjesslaks, zeg maar. Strooi wat zout op mij en ik ben weg. Ik weet er inmiddels alles van, de tuin zit er van vol, ik ben één van hen. Ik mis alleen hun geduld, alsook die dappere aanvaarding van de eigen slakheid. To be or not to be me, that’s not anymore the question, it’s juist a foregone conclusion. Niettemin, zelfs opgedroogde slijmsporen kunnen glinsteren. Men moet er uiteraard wel oog voor willen hebben. Op een ultra sensitief steeltje bovendien.

Maar nee, er was geen ode bij aan de huisjesslak, zo stelde ik uiteindelijk vast. Een beetje spijtig wel, maar anderzijds heb ik in de regenachtige stilte van de nacht al die heerlijke odes van Koning David naar binnen kunnen knabbelen, zonder daarin mijzelf te moeten tegenkomen om op te vreten. Overigens, is het sowieso ook niet een heel klein beetje indrukwekkend: een slak die kan lezen…?

HOE LANG NOG

Hoe lang nog, hoe lang
dat gevreesde nooit meer:
tot àlles voorbij zal zijn,
streng in de leer?

Ik blijf onderhevig
aan elk déjà vu:
tot daar & niet verder
werd tot hier & nu.

Gekraterd, als ware
ik de Krakatau,
barst ik uit mijn woorden,
blijft slechts: ik onthou.

Mijn zompige ziel bij
u binnen gesleurd,
het hart op de tong maakte
geen goede beurt.

Toch hoop ik, toch zoek ik
mijn ware gelaat
bij u terug te vinden,
bij u, inderdaad.

VOLLE MAAN

Het kan de volle maan
ten volle niet ontgaan:

dat al wat uitentreuren
toch weer niet zal gebeuren,
vaak wordt vooraf gegaan
door wat niet wordt gedaan:
niet geschreven mis verstaan,
niet gebleven weg gegaan.

Huizen zonder deuren,
vangnetten die scheuren.

DAGDROOM

Zwichtend, zwarte gaten dichtend,
bak ik taarten zonder kers.
Gat noch vijgenblad oplichtend,
vers dat ik tot druppels pers.

Ongeremd gerijm ontsnappend
uit mijn florentijnse fles;
wettig blijf ik, woorden schrappend,
tot ontvoogding hun voogdes.

Zo geef ik elk vers uit handen
als een, zonder slot of zin,
niet meer uit mij weg te branden
dagdroom van een suikerspin.

VOORUIT MET DE GEIT

Vooruit met de geit? In letterlijke zin ga ik daarvoor naar mijn zusje in Gooreind. Haar geiten, net zoals ook de paarden in de aanpalende weide, rekken hun nekken als zij verschijnt, en wat een prachtig schouwspel, die wederzijdsheid

Ik weet het inmiddels: voor de middag moet je haar niet opbellen, want dan zitten zij & haar hartsvriend bij hun geliefde geiten: strontjes aan ’t rapen, vachtjes aan ’t borstelen, alsook drinkwater aan ’t verversen & oortjes aan bevingeren. Why goats have become the darlings of the internet? Mijn zusje weet het je wel te vertellen. Trouwens, al in de prehistorie tekenden mensen geiten op de muren van hun grot. Geiten & mensen, een boeiend verhaal.

In het Boek der Symbolen staat genoteerd: Anders dan het bereidwillige familielid het schaap, is de geit sluw & intelligent, speels & grappig, maar grilziek & onberekenbaar, kortom: capricieus, afgeleid van de Latijnse benaming ‘capra’ hetgeen ‘geit’ betekent. Zowel de kool als de geit sparen? Niet gemakkelijk.

Want inderdaad, wat een spring-in-’t veldjes: één-en-al nieuwsgierigheid, en goed voorzien van oren & poten. Dol op takken & schors, op netels & distels, en dan die vreemde lichte ogen, met lange rechthoekige pupillen, die zorgen voor een breed & goed zicht, ook in het donker. En… ze maken bovendien ook oogcontact!

Maar wat een gemekker, als ze ‘hun mens’ zien verschijnen, ‘hun wandelende voederzak‘. Echter, daaraan teveel toegeven is de oorzaak van de meeste mekkerproblemen, zo blijkt. Op vaste tijden dus, want ze kunnen er wat van, die mekkerkonten: met lange trillende tongen, en in alle toonaarden. Soms denkt mijn zusje manlief te horen, alsof die zich plots heeft bezeerd, maar dan blijkt het zijn lievelingsgeit Tamara te zijn, met hem vergroeit in eendere geluiden.

Maar o haar kleinste, dat ze steevast ‘mijn hertje’ is gaan noemen, en wiens tongetje mooi rozig in het bekje blijft liggen, als er dan toch al eens gemekkerd moet worden: zusje’s hart dobbert als een lichtboei in een zee van smeltwater, als lieftalligje naar haar toe komt gelopen met de vraag: ‘Can I call you Mom…?’

Vermits geiten een hekel hebben aan regen, daar die hun vacht binnendringt wegens het ontbreken van een vetlaagje daarop, moest er dus ook een onweerstaanbaar geitenstalletje worden gebouwd, zo’n soort veredelde kerststal, met een kribbe vol hooi, en een grote ton vol heerlijk vers water..

Kortom: alleszins een behoorlijk stuk boeiender dan het poppenhuis van vroeger. Beloofde zusje toendertijd bij ons thuis altijd taarten met een levendje kindje erop, inmiddels zou daar wellicht een geitje bovenop komen te staan, mochten haar oven & haar bakvormen daarvoor groot genoeg zijn, wie weet.

Dus vooruit met de geit, we doen voort? Ook in figuurlijke zin kan ik daarvoor bij datzelfde zusje terecht. De oude geit in mij heeft niet altijd evenveel zin meer in dartele sprongen, maar mijn immer grappige zusje weet ze mij toch nog te ontlokken, als ik op haar weide kom, waar zij zo blijmoedig ‘the darling of my internet’ zit te wezen op een zelf getimmerde houten bank, met dank voor stank.

En het is haar aan te zien: ze wordt er mooi & gelukkig van. It’s all in the mind, ook zij weet dat op fascinerende wijze waar te maken. Buitenshuis haar aanminnige geiten, binnenshuis haar kunstzinnige kwaliteiten. Of om het met Bukowski te zeggen: ‘She’s mad but she’s magic. There’s no lie in her fire.’

En al ben ik geen geit, althans niet in theorie:
ook ik rek mijn nek als ik mijn Zusje zie!

ZONDAGMORGEN

Zondagmorgen, aan het ontbijt in de veranda, geheel volgens het geplande scenario: broodjes, croissants, Nutella, Hoogstraatse aardbeien, Beemster, Mortadella, Lavazza, een flauwe opklaring achter de ramen, kortom: de camera draaide meteen op volle toeren, we hadden er niet eens een regisseur bij nodig.

En in ruil voor de ontbrekende zon kregen we vlak achter de ramen ineens een jonge merel in het vizier. De vleugels nog ietwat halfstok en duidelijk één & al jonkige onbevangenheid, zo stond hij zich daar te laten zien. Het leek ons dat hij al kon vliegen, ja toch? Ook wij rekten onze pas gewassen nekken om toch maar niets te missen van zijn verrukkelijke verschijning. Hij kwam, hij zag en hij overwon? Zo hoog op z’n pootjes, zo fel reeds z’n blik, zo lang al z’n staart.

Maar wat we toen nog niet wisten, viel even later echter niet meer te betwisten: dat we doodgemoedereerd hadden zitten kijken naar de laatste vijf minuten van dat mereltje z’n veel te korte leven. Vervolgens dook het weg onder de hoge varens, alsook in onze meest onnozele gedachte: ‘daar zit het tenminste veilig..

Echter, wij hadden beter moeten weten, naar het verstand ons toegemeten: verdoofd door de eigen vertedering vergaten wij dat prachtige mereltje te behoeden voor het onafwendbare, want even later vond ik het verdronken terug in de vijver. Ook de zondag lag ineens voor dood op tafel. Maar het eendenkroos sloot niettemin onmiddellijk weer de eigen rangen, alsof er niets was gebeurd.

THE GLACIER KNOCKS IN THE CUPBOARD?

Alwéér iemand waarvan wordt omgeroepen: “She has left the Blue Planet…”
Ik lees er Auden op na, en ik hoor hem inderdaad ook kraken in mijn eigen kast, die gletsjer van koelbloedigheid. Hij smelt en brokkelt steeds verder af. Om nog maar te zwijgen van die gebarsten schone schijn. Of van die zuchtende woestijn.

The glacier knocks in the cupboard,
The desert sighs in the bed,
An the crack in the tea-cup opens
A lane to the land of the dead.

Lang gewacht & stil gezwegen, nooit gedacht & toch gekregen? Daar mag ik alleszins blij om zijn: gehad & geweest is niet per se een lelijk beest. Maar het ‘voorbij-gaan’ houdt mij bezig als een bij die door een wesp wordt gestoken. Al dat -nu reeds!- vergetene in het huis om mij heen, terwijl ik het nog bewoon. In de verdrukking geraakt onder het besef, dat het uiteindelijk voor iedereen op til is, om vroeg of laat niet meer van tel te zijn. Dat nietsontziende niets-blijft-duren, wie zou er geen rusteloze benen van krijgen, en diepe voren ervan onder de bles.

Vroeger, ja vroeger, wie vroeg er mij wat, toen rolschaatste ik mij door de dagen tot het donker werd. Oorverdovend, want op ijzeren wielen, en uiteraard, rond de kerk. Neerkijkend op die nieuwe met rubberen wieltjes, onmachtig als die waren om nog van zich te laten horen. Die van ijzer schraapten de stoepen zuiver, er sloegen soms prachtige gensters uit. Ijzeren rolschaatsen waren & bleven de beste, dat wist (en hoorde!) iedereen. Kortom: er waren toen nog zekerheden.

Op ijzeren wielen? Zo hoorbaar aanwezig wens ik al lang niet meer te zijn. Het kind in mij is haar rolschaatsen kwijtgeraakt. Tussen toen & nu zijn die zogenaamde zekerheden grotendeels weg gemaaid, als kwetsbare nesten tussen stugge gewassen voor de niets ontziende oogst ten behoeve van later.

Altijd geschreven met dubbel krijt, maar ineens raak je één van die krijtjes kwijt? Ondanks ‘horen-zien-en-zwijgen’ is er op de duur geen speld meer tussen te krijgen: je geraakt niet meer op je uitkijkpost, en ook het zomeruur krijgt niet alles opgelost. Het begint je te dagen onder de klamme lappen, dat je niet twee keer in dezelfde rivier kunt stappen. Geen bakerrijm, geen Wolkenkoekoeksheim.

Panta Rhei, alles gaat voorbij!
Staakt-het-vuren, niets blijft duren!
Bij elke wens, gedenk, o mens!
En al waakt hij over huis & haard,
Ouroboros bijt zich in eigen staart!

Maar kent – althans te gelegener tijd – niet elk leven zijn eigen eeuwigheid?

Het sijpelt niet meer, het stroomt inmiddels dwars door mij heen, als een rivier van voortdurende verandering. Elk verhaal raakt uitgelezen: je geeft je kinderen niet alleen het leven, maar ook de dood. Indachtig de hint ‘wees de verandering die je in de wereld wilt zien‘ denk ik aan dat veelzeggende anonieme zinnetje, dat ik noteerde in één van mijn schriftjes: ‘Terwijl ik peins, passeert mij een slak.’

‘Naar wat de dennen fluist’ren, die buigen kruin aan kruin, zit ik zo vaak te luist’ren, in ’t buntgras van het duin, hoe zon en zomer pralen, in ’t purper van de hei, wat toverkleur zij malen, maar alles gaat voorbij.. ‘ Ook al voelde ik mij in het vroeger van toen nog ‘onsterfelijk’ zoals Bert Kijzer dat stelt, ik wist er zelfs als kind al weg mee, met dit soort weemoed van fluisterende dennen, van zangen uit de oude toren, en van dat schrijnende ‘maar-alles-gaat-voorbij.’ Vader! Moeder! Dat jullie er zomaar niet meer zijn! Jaja, het is nu aan mij, ik weet het, Panta Rhei..

Heimwee doet ons hart verlangen? Nog zo’n lied waar door de Hogere Orde graag op neergekeken werd. Maar net zoals van een uitgebloeide pisbloem blaas ik de zaadjes ervan nog eens met veel plezier de vier windstreken in, zoals ik dat vroeger zo vaak heb gedaan. Want na de bloei zijn er gelukkig ook weer de zaden, even mooi & fascinerend als de bloem zelf. Zaadjes met vleugeltjes aan, zaadjes met al het geduld van de wereld, wederom op zoek naar de verloren tijd.

Dag bronzen
klokkenzangen, dag weiden mistomhangen,
dag geur van brem en hei!

En dag pluizige hemelzaadjes
voor nog lang na mij!

DE LANGSTE DAG

In Shakespeare’s Midsummer Night’s Dream heeft de Elf Robin Goodfellow het hoofd van Nick Bottom – een wever met weinig geluk – voor de zoveelste keer veranderd in een ezelskop. En zou hij ook weer op zoek zijn gegaan naar de magische bloem, waarvan het sap ervoor kan zorgen, dat je verliefd wordt op het eerste levende wezen dat je dan zou tegen komen? Kortom: een dag & een nacht om te zingen en te dansen, en om hand in hand over het vuur te springen?

Ondertussen is die langste dag echter alweer gepasseerd, en veel viel daar niet van te merken: regen, wolken, koude benen & krullende tenen. En bovendien dan ook nog een maandag. Kortom: verder weg dan ooit, van welke midzomer nacht’s droom dan ook. De zon op haar hoogst? Jonge verliefden in een maneschijnbos? Er was geen zon, er was geen maan, er was alleen de kalender.

Niettemin een dag die 16 uur, 16 minuten en 47 seconden heeft vol gemaakt. Vergeleken met de kortste dag van amper acht uur, klinkt dat hoe dan ook als een feest. Zelfs al was het deze keer een dag van pijpenstelen & schuilevinkje spelen. Inmiddels zijn de voorbije dagen ongemerkt al een fractie korter geworden, en tegen het eind van de maand zullen dat toch al vier minuten zijn. Vanaf juli gaat dat in versneld tempo: elke dag een steeds langere hanenschreeuw korter. Dat heeft vanzelfsprekend zo zijn specifieke gevolgen.

Want vanaf nu zullen er geen inlandse asperges meer worden geoogst. Op 24 juni worden de planten resoluut met rust gelaten. Dat is op zich al een behoorlijke diepe streep in het zand, maar daar blijft het niet bij: ook de vogels zullen definitief verstommen. Niet alleen omdat het werf- en broedseizoen voorbij is, maar meer nog omdat ze onder invloed van hormonale veranderingen in de rui komen, die in gang wordt gezet door de afnemende daglengte.

De stil geworden vogels gaan een verborgen leven leiden, omdat ook de vliegveren worden vervangen. Overigens, zingen vraagt sowieso veel energie. Toch hoor ik de laatste tijd nog steeds een zacht & onbestemd gezang, alsof zoekend naar de juiste melodie. Een beetje zoals mijn eigen povere pogingen om een moeiteloos liedje gefloten te krijgen. Dat aandoenlijk gemurmel blijkt afkomstig te zijn van jonge vogels die aan ’t oefenen zijn, en zo klinkt het ook.

Maar wat is het inmiddels opvallend lang geleden, dat wij nog een volwassen merel hoorden zingen. Wel de gedroogde meelwormen oppikken, maar er voor komen zingen, dat is er niet meer bij. Van wie moet die jonge oefenende merel in onze tuin dat dan leren, vragen wij ons af. En waarom zingen ze tegenwoordig zo weinig? Ook geen’ Suskewietje’ meer gehoord deze lente, wat een gemis!

Maar tussen de magische mistvlagen van Koning Oberon vond ik plots het dichtbundeltje ‘Spiegelbeelden’ van Willem De Mérode terug, met daarin op bladzijde 42 dit glinsterend ‘liedje‘, waar geen enkele midsummer night’s dream nog tegenop kan. Alleszins meer dan voldoende om de zomer zelfzingend mee verder te zetten. Ik wou dat ik het aan de moe gezongen vogels kon laten horen..

Dat dit tussen ons kan zijn,
deze liefde (druppel wijn
in een glas klaar water glijdend,
zich oplossende verbreidend),
deze suizelend gedempte
fluisterend ademende stem te
horen in gedachte en bloed,
dat is goed.

Vriend Noorderlicht

Ogen dicht, Vriend Noorderlicht,
je bent niet te beschrijven;
uw helle gloed, uw tegenlicht
zal steeds een raadsel blijven.

Wat is, wat was, wat blijven zal
doorploegt reeds dieper gronden;
op zoek naar al wat, bovenal,
nog niet heeft plaats gevonden.

Wat mij door jou werd toegekend
bleef steeds in goede handen;
en niets daarvan is, geen moment,
nog uit mij weg te branden.

Hier is ze dan: trage Mie Slak. Zich langzaam voortslepend onder haar huisje dat momenteel net iets te zwaar lijkt te wegen, want niezend & proestend, kniezend & hoestend alsof ze een lading zout over zich heen heeft gekregen. Niettemin de natte voelhorentjes bestoven met het geparfumeerde stuifmeel van de Blauweregen, want er staat een gouden cirkel rondom de dag van vandaag.

En de zon? Die lijkt nog slechts een schim te zijn van zichzelf: als een uiteen gespat duivenschijtsel op de plavuizen. De onvergelijkbare Sturkenboom had al de hele dag in vuur & vlam moeten staan, maar ook de zon zelve blijkt zodanig zwaar verkouden te zijn, dat een ultieme covid-test zich alsnog laat opdringen?

Ze proberen niettemin hun best te doen: Mie Slak sleept zich uit haar eigen slijm vandaan en de zon zoekt koortsachtig naar een gat om in de lucht te springen. Want ze willen vandaag allebei hetzelfde: een zichtbaar verschil maken met al de andere dagen van het jaar. Ter ere van hun eeuwige Vriend Noorderlicht: door de nood gedwongen, thans ver weg, maar buiten uur & tijd, altijd dichtbij.

Pur ti miro, pur ti godo, piu non peno, piu non moro: zolang ik je bewonder, zolang ik je omhels zal er geen pijn meer zijn, en geen verdriet. Monteverdi maakt er alleszins een onvergetelijk feest van, hetgeen ook de bedoeling is. Mooier kan het nauwelijks nog worden. Dus twee maal, voor nu & voor altijd.

ALLEEN AL DE BOMEN

Ter sprake, alsook reeds ter zake gekomen,
de eeuwige eindigheid van het bestaan.
Hoezeer ook de zeerte, alleen al de bomen,
ze vangen de vogels, de wind & de maan.

Ze troosten het trieste van wat is geweten:
dat mensen veel eerder verdorren dan zij.
De bomen, ze zien ons hen zien, maar ze weten,
één ding is zeker, ook dat gaat voorbij.

Al worden wij ooit achterovergeslagen,
al komt er een einde aan zijn & aan zien:
de bomen vertragen, de bomen verdagen
wat wij in hen zagen, voor nog lang nadien.

OH HAPPY DAY

Zit m’n strikje goed, zit m’n masker goed, vrouwmens gaat op stap. Want wat vond ik het die dag weer een feest om een mens te mogen zijn. Ik had er dan ook mijn haar voor gewassen & me mooi gemaakt, want ik wou het waard zijn, en dat bewijzen met alle erkentelijkheid van dien. Wetend, daar spring ik sowieso nooit vér genoeg mee: het zou met mijn hakken zijn en niet met mijn tenen. Maar het zou hoe dan ook te zién zijn & te méten, hoe dankbaar ik ben.

Ik werd onverwacht uitbundig verwelkomd, bedankt voor mijn komst en zelfs gefeliciteerd. Nochtans, ik verjaarde in de verste verte niet. Had ook niets speciaals gepresteerd noch ruimhartig gevrijwilligd, of enig ander verschil gemaakt. Niettemin werd ik behandeld als een ereburger. Kreeg zowaar een denkbeeldige medaille voor moed opgeprikt. Het leek de omgekeerde wereld.

Blijkbaar kreeg ik het er koud van, in plaats van warm. Hoe dan ook, mijn graden raakten niet in een getal omgezet. Noch aan het voorhoofd, noch aan de pols. Er werd dus besloten door een juichende man van dienst: in ieder geval géén koorts! Bazuingeschal, het klonk als de feestelijke uitreiking van een diploma. Dat had ik dus blijkbaar maar weer eens goed gedaan. Mijn masker jeukte ervan.

Vervolgens werd ik de Nekkerhal ingeblazen, op weg naar AstraZeneca. Overal wuivende & wegwijzende armen, die van mij een verbaasde V.I.P. maakten. En vervolgens, in stroomversnelling, de legendarische ontmoeting met een inmiddels wellicht murwgespoten dokter Prikkevrouw. Mijn stevige bovenarm kreeg -op een troon gezeten- z’n prik alsof hij een pasgeboren kuikentje was.

Een prik? Noem het liever een kick. Alsof amor er z’n pijltje in had afgeschoten. Dus zwevend van tevredenheid de geschiedenis & een nieuw lieven in. Onder de indruk. Smeltend van dankbaarheid voor zoveel gratis goede zorgen. Voor dat wervelend feest van menselijkheid. Voor al die levende steunpilaren, onder die hoge koepel van de Nekkerhal. Een belevenis die mij ontroerde, in al zijn facetten. Ik ben er daarna met plezier een dag & een nacht groggy van geweest.

TSJILP!

In deze plotse kou, drie gram hulpeloos leven. Daar is dus het woord ‘weerloos’ voor uit gevonden, want begin er maar aan. De jonge musjes zijn ongeveer zo ver, maar april is eens te meer niet mals voor hen. Nergens nog een insect te bespeuren, daar is het weer te koud voor. Voorlopig dus weinig of geen eten?

Kijkend naar die wonderlijke sneeuwvlokken was me dat toch weer een doorn in het oog. Het mussenvolkje staat sowieso al op de rode lijst genoteerd als ‘kwetsbaar’ en ‘achteruitgaand’. Hun afname in aantal wordt ‘zorgelijk’ genoemd, las ik. De eveneens kwetsbare fruitbloesems kunnen bij zoveel grilligheid eventueel nog op vuurkorven rekenen, maar vogels staan er dus alleen voor.

Dames & heren, het wordt onderschat:
wij missen bescherming & een vogelbad!
Al kraken wij ’s winters soms keiharde noten,
wij hebben gelukkig geen bloed in de poten!

’s Morgens gaan drinken is ons eerste werk,
er vrolijk op los tsjilpen, ons handelsmerk.
Wij melden u thans dat wij bij tussenpozen,
ook kruimels & kaas lusten & abrikozen!

Wij houden van tuinen, maar niet van het bos,
lees, mensen ’t boek ‘Mussenlust’ van Peter Vos!
But please, wat betreft al die mormels van katten:
leg ze -verdomme!- niet zo in de watten!

Toch wel plezierig om te weten: het mannetje -zie hierboven!- is te herkennen aan zijn zwarte bef. En hoe groter die is, hoe meer zaadcellen hij weet te produceren, dus hoe meer kans hij maakt bij de vrouwtjes. Mussen blijven levenslang samen, wat dat dan ook moge betekenen: in het wild hooguit 3 jaar, maar de oudste wildlevende mus heeft er niettemin 18 jaar van weten te maken.

Het mannetje begint al in januari met verschillende nestplaatsjes ‘halfsegat’ klaar te maken. Daar mag het vrouwtje er dan ééntje van uit kiezen, en dat maken ze dan samen verder in orde. In maart worden er gemiddeld een viertal eitjes gelegd. Daar kunnen, in de tien dagen ervoor, tot 40 paringen per dag aan vooraf zijn gegaan. De eitjes worden door het vrouwtje in 12 dagen uitgebroed.

Ik ben het meteen gaan opzoeken toen het plots zo begon te sneeuwen, en jawel hoor: begin april vliegen de jongen al uit. Ze worden nog een hele tijd door hun ouders gevoed met insecten, zoals vliegen en muggen. Maar dan moeten die er wel zijn natuurlijk. Die sneeuwvlokken, al vliegen die nog zo dartel in het rond, daar kun je als vogel niks mee aanvangen, wel integendeel. Tegenslag dus.

Terwijl het sowieso een bedreigende wereld is vol vijanden, sterven niettemin veel jonge vogels gewoon van honger & dorst. Kortom, van al die jonge musjes is er na drie maanden nog slechts de heft over. De soms uiterst grillige weersomstandigheden mogen dan normaal zijn in april, voor die aandoenlijke ‘driegrammertjes’ kunnen ze mede een kwestie worden van leven of dood.

Hoe dan ook, nooit zal ik blij gemaakt kunnen worden met een dode mus. Bij leven & welzijn weten zij met hun vrolijk gesjilp & hun aandoenlijke eenvoud de mens al van oudsher te inspireren. Daar kan geen ‘gevleugeld’ woord tegenop.

ALLELUIA?

De heer is waarlijk opgestaan,
tenminste, dat is maar te hopen.

De krokussen zijn alreeds opengegaan,
maar de lente is weer weggekropen?

’t Is pasen, dus weg met dat vies covid-ei,
waar blijven de Klokken van Rome?

Wanneer zitten wij -ooit nog eens!- zij aan zij,
los van, dat daar vodden van komen?

Een zalige Pasen en een dito wens,
te weten: een mens is een mens is een mens.