DAAR IS DE LENTE?

In ieder geval, in de stad heb ik inmiddels toch maar mooi de eerste merel gehoord. Bovendien eindelijk verlost van die misselijkmakende maskers, en daar is de lente, daar is de zon? Echter, die blijkt bij nader toezien vervangen te zijn door een heethoofd, omgeven door een stralenkrans van dodelijke raketten.

Elke schaterlach dreigt verstomd te geraken. Waar is die hilarische kilometerlange kwikkwaktafel die alle vrolijkheid inmiddels weer aan banden heeft gelegd? Of die olijke megafoon waarmee Macron zich verstaanbaar probeerde te maken bij die hardhorige Poetin aan de horizonverre overkant?

Je vraagt je toch af: hoe kan zo’n man ’s nachts zijn slaap nog vatten? En zou hij ’s morgens nog weten waarover hij heeft gedroomd? Of hoe dikwijls heeft zijn allicht vergrote prostaat hem vannacht richting wc gestuurd, en hoe wist hij dan telkens opnieuw terug naar dromenland te geraken met z’n gore fantasieën?

De banaliteit van het kwaad? Inderdaad: te bedenken dat zelfs hij een mens is van vlees & bloed, met alle banaliteiten van dien. Tot & met die allicht reeds aanwezige ‘purpura senilis ‘ op zijn handen, ook kerhofbloemetjes genoemd. Hoe houdt zo’n man zijn gedachten op orde, of waarom spat dat verhitte hoofd niet als een clusterbom uiteen? Waarom krijgt de hele wereld beroertes & hartaderbreuken aan de lopende band, en al die verdomde Don’s & Vlad’s niet?

Poetin in zijn pyama, hoe gaat de nacht daar mee om? Je zou toch denken: zo’n man maakt kilo’s verkeerde hormonen aan, en wat doet dat zwetende lijf daarmee? Hoe, in godsnaam fixen zulke mensonterende mensen dat?

Dat hij niet oeverloos loopt te stinken naar z’n eigen angstzweet, of er niet constant van moet overgeven, doch geen enkele vinger ter wereld lijkt daartoe zijn keel diep genoeg te kunnen raken. En toch worden wij verplicht te beseffen: ook Poetin & consoorten hebben als onschuldige borelingen in de wieg gelegen & aan de borst. Zijn ook mensen dus van vlees & bloed, net zoals wij allemaal.

Of zou het toch waar zijn, dat de hel is leeggelopen, omdat alle duivels inmiddels op aarde rondhangen? Moge dan eveneens de hemel zijn leeggelopen, omdat ook alle engelen naar de aarde zijn afgedaald. Hoe dan ook, dat onnozel verkozen woord ‘knaldrang’ klinkt plots nog onnozeler dan het sowieso al klonk.

Walschap zou Poetin bij leven al lang de juiste vraag hebben gesteld: ‘Ligt gij nog altijd niet wakker, gij lelijke hartefretter!’ Om hem vervolgens de grond in te schrijven: ‘Uren en uren dubt die zwingerlaarsvent over zijn onontraadselbare slechtheid! Ze zeggen dat zijn ogen over de grond scheren gelijk bij een valse hond die zoekt!’ Maar uiteindelijk rest ons wellicht alleen nog die onvergetelijke eindzin uit Gerard Walschap’s boek Tor: “De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.”

Last but not least: welke slechtziende redder des vaderlands die zijn bril thuis is vergeten schiet waar & wanneer dat belachelijke kroontje eens van die kop?

DANKUWEL ALSTUBLIEFT?

GEJAAGD DOOR DE WIND

Alle goede dingen bestaan uit drie? Behalve dan toch die drielingstorm Dudley, Eunice & Franklin. Ze probeerden mij zowel de haren als de kleren van het lijf te rukken. En Mieke houdt u vast aan de takken van de bomen, dat bleek al helemaal geen optie. Dat vrouwtje is daar drie dagen lang niet weggeraakt?

Vanwaar die namen? Die worden gekozen door het land waar de storm voor ’t eerst code rood of orange bereikt. Hier de stormnamen voor het jaar 2022. Dudley is gekozen door het Engelse publiek, Eunice verwijst naar Eunice Newton Foote, die beschouwd wordt als één van de eerste klimaatwetenschappers. En Franklin blijkt te zijn vernoemd naar Frank Kroonenberg, een voormalige weerpresentator van de NOS, die heeft bijgedragen aan de tot standkoming van het Meteo-alarm, én aan de naamgeving voor stormen. Vreemd eerbetoon..

Ik wou dat ik even de wind eens was, dan liep ik al dansend over het water? Zo begon destijds dat oude gedicht van Pieter Van Moerlande, dat wij in onze kindertijd onfeilbaar van buiten diende te leren. Om het dan één voor één, met veel animo & dito gebaren, te komen declameren op de tree. Ik ken er alleen nog maar de eerste zin van, mijn tijd van molenwieken is inmiddels al lang voorbij.

Even een boom geweest, in ’t diepst van mijn gedachten, maar niet voor lang. Niettemin de stormwind gevoeld tot in al mijn vezels. Met mijn diepgebogen takken welhaast de grond kunnen kussen, al was ik daarvoor niet echt in de stemming. De lucht hing vol krakgeluiden als van een reusachtig houtvuur.

Ik verloor dus al gauw de moed een boom te zijn, en sloeg ze dan maar als een bang mens gade vanachter de ramen. Het krakken werd kreunen, mijn mens zijn transformeerde zich tot een soort hedendaagse schreeuw van Munch. Echter, de moedige taxusbomen boden schouwspelachtig weerwerk. Hun hemelsbrede kruinen leken soms als door een zwaard van Damocles middendoor te worden gekliefd, waardoor het even leek alsof ze ineens weg waren. Maar nee hoor.

De schrikbeelden daarbuiten deden mij soms ijlings wegvluchten, wild gesticulerend met mijn armen, alsof het een bomalarm betrof. Spiegelgedrag wordt dat genoemd? Al had ik liever willen ‘sponzen’ door mijn bomen daadwerkelijk bij te staan, hoe dan ook. Doch wie denk ik te zijn, tegenover deze heilige bomen die als symbolen worden gezien voor het eeuwige leven?

Bovendien niets of niemand zo buigzaam als venijnbomen, (zoals ze ook worden genoemd omwille van hun giftige bessen). Dat wisten Robin Hood & zijn trawanten indertijd ook al, met hun niet te evenaren bogen van taxushout. De Atlasceder, hoewel de Koning der Bomen genoemd, gedroeg zich terecht veel voorzichtiger, hemelhoog doordrongen van zijn gevoeligheid voor takbreuk. Kortom, ik heb de strijd & het lijden der bomen ademloos gevolgd & gevoeld.

En toen de drielingstorm eindelijk wat ging liggen, bleken onze bomen die genadeloze aanvallen op wonderlijke wijze te hebben doorstaan. Dat vervulde mij met trots, maar ook met een niet te beschrijven ontzag. Terecht, o zo terecht.

RILLEND GEBOREN

Rillend geboren liet hij van zich horen,
drie februari, his birth-coming-out:
oorlogsellende nog niet afgezworen,
kachels nog aangevuurd met jammerhout.

Jaar vierenveertig zou zich zorgen baren,
het wordt, ach ventje, een eenzaam bestaan?
Jaar achtenveertig kwam echter verklaren,
‘is-thans-geboren die met-hem-zal-gaan.’

Twee sterrenstofjes, althans twee spin-offjes,
zonnewind blies hen verklevend aaneen:
veel nou-en-ofjes & dito godlofjes,
duiding van ’t vreemde woord buitengemeen.

Verdiende sporen, idem bijbehoren,
plots echter bleef niets daarvan zonder erg?
Rillend geboren kreeg rillend te horen,
zoek het maar uit op de louteringsberg.

Maria-Lichtmis houdt hem in gedachten
weg van ’t verguizende ‘ad hominem’:
zij kent zijn krachten, zijn dagen, zijn nachten,
zij houdt haar lichtmis-licht brandend voor hem.

Waarvan akte.

MEER DAN OOIT

Een gehalveerde knolselder? Het zou net zo goed een doorsnede van mijn gemoed kunnen wezen, want wat valt er weer veel te verwortelknollen, als ik binnenskamers mijn vermoeide selderblik naar de mensen & de wereld richt.

Die rep & die roer, die volkse vulkaanuitbarstingen & die oververhitte lavastromen. En net als die knolselder wil ook mijn gemoed liever niet tot schilfers worden geraspt, of gebakken worden in de pan. Bovendien, noch knol noch eigen binnenbol zijn uit op een confrontatie met de staafmixer. Trouwens de hele wereld ruikt sowieso al naar zuur geworden soep die niemand nog lust.

Er werd & wordt gestorven door namen die er niet om liegen. Op de force of per ongeluk, of god mag weten waarom, maar de ongenadige maaier heeft blijkbaar zijn zeis nog eens duchtig gewet & vervolgens in ’t wilde weg uitgeprobeerd.

Tot & met die prachtige Gaspard Ulliel moest er aan geloven: stop the camera! In ruil voor dat arme vermoorde kind dat een ander -een mens nog wel?- reeds op eigen handje voor zijn rekening had genomen. Daar kan Magere Hein dus niet tegen, zelfs hij vindt zoiets onvoorstelbaar vanuit menselijk standpunt gezien.

Bovendien, geen draad ter wereld waar niet één of andere vuile was aan hangt te bengelen. En ook die onthutsende Brusselse zondag weer, erger dan ooit zelfs. Men wist wat er onlosmakelijk van zou komen, maar het protestbord was kant & klaar op z’n stok getimmerd, dus we gaan! Daarna dan het gemekker van ‘over één & dezelfde kam te worden geschoren’. Dus daar steekt hij weer vanzelf z’n kop op: die fameuze slotzin Van Gerard Walschap’s roman Thor: ‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.‘ Versus mijn eigen kreet:“Dit geloof je toch niet meer!”

’t Is goed in ’t eigen hert te kijken, nog even voor het slapen gaan? Echter, het werd een documentaire die er ook niet om loog: over de vreselijke aanpak van die opstand in de gevangenis van Attica, New York in 1971. Het was dat mijn haren niet gewassen waren geraakt & er dus nogal slap bij hingen, anders waren ze ten berge gerezen. Als ik ze al niet had uitgerukt, ware ik niet zo kleinzerig.

Maar zie dit aandoenlijke ventje. Echter, je moet er toch niet aan denken, dat het later horens op zijn kop zal zetten om alles kort & klein te gaan slaan in Brussel. Of dat het nooit zoiets zal meekrijgen als bijvoorbeeld die boodschap van Klara ‘blijf verwonderd’. Of dat het binnen twee jaar vermoord zal worden. Of dat het zich op z’n 37ste te pletter zal botsen op een skipiste in La Rosière. Doch telkens als ik mijn geloof in de mens voel slinken ga ik naar dit verbaasde ventje kijken en voel ik mij alsnog weer ten diepste geroerd door het begrip ‘mens’. Moge die smeltende marshmallow nog lang in die hete koffie blijven drijven.

Echter, voetjes op de grond: er zullen er ook altijd van dezulken zijn, dat heb ik inmiddels eveneens ten diepste leren beseffen. Maar kom, aan mijn selderkop te zien zal men allicht terecht mogen zeggen: het mens wordt oud, hé. Daar durft de jeugd al eens moeite mee hebben, en soms inderdaad van kleins af aan.

Gelukkig heeft Madam Knolselder een inwendige atoomschuilkelder, met daarin een goedwerkende distileerinstallatie. Al krijgt ook daar het strijkijzer lang niet alles meer gladgestreken, en komt er tranenthee aan te pas, die als strijkhulp moet dienen. Of Robert Long die zingt: ‘Meer dan ooit, heb ik jou nodig, meer dan ooit kan jij niet zonder mij, voor je ’t weet zijn mensen overbodig, nu we leven in…

THE ONE & ONLY BERNARD DEWULF

In de keuken, bezig het kerstfeest voor te bereiden, kreeg ik via het radionieuws de plotse dood van Bernard Dewulf in het hart gestoten, alsook in de ziel, die mij meteen begon toe te fluisteren: ‘Vanaf nu is uw eigen doodgaan sowieso alweer een stuk minder erg, nu hij voortaan zo voelbaar zal ontbreken’. Want zie dat oog, zie die blik & al wat hij daarmee zag: hij is er helaas voorgoed mee vandoor.

Wie er ’Bernard’ aan toe is, die moet beslist Dewulf lezen. Hij zal je alsnog onmiddellijk bijstaan met zijn taal & zijn tekens, via de zachte krachten van zijn zegging. Elk woord dat hij ter tale tilde, was fier onder zijn kwaliteitslabel te mogen vertoeven. Elke woordenaar dong naar zijn gunsten, maar hij had, als geen ander, de Steen der Wijzen op zak, de steen die het vuur weerstaat, maar het ook niet dooft. Bernard Dewulf, die primus inter pares, die eerste onder zijns gelijken, die meest nog nodige van allemaal: he has left the blue planet.

Hij die licht & donker als geen ander wist te verbinden, of juist uit elkaar te houden, al naargelang. Als vuur dat op water bleef branden, als het blauwe uur dat de dag & de nacht met elkaar verbond. Eenzaam afwezig plots in elk voor, alsook in elk tegen. Als een neergeschoten wolf in een ‘donker bos, zo geheten naar het niet licht geven’. Niet te geloven, wat een ondraaglijke gedachte.

The One & Only Dewulf in het plots zo veranderde hier & nu. Als een steekvlam in de nacht aan ons voorbij gegaan, met zijn verblindende dood, met zijn veel te vroeg ontnomen leven, met dat bruusk gestopte brein van hem. Quis non fleret.

Nog nooit met eigen ogen het noorderlicht gezien? Dat wonderlijke lichtschijnsel in de aardatmosfeer, veroorzaakt door de zonnewind, bij uitbarstingen van plasmawolken op de zon? Laat u dan maar verwonderen door het ’woordenlicht’ van Bernard Dewulf, dat daar blijkbaar niet voor onder hoeft te doen, het slingert eveneens grote hoeveelheden geladen deeltjes het heelal in. Zoek de zeven verschillen? De zeven overeenkomsten zullen heel wat vlugger gevonden zijn.

Een alchemist was hij, tenslotte, misschien nog het meest. Het onmogelijke nastrevend, want dat is toch precies wat Bernard Dewulf deed: de taal distilleren, zijn woorden zuiveren & verzilveren, tot er iets aan-goud-gelijk overbleef? Laat hem maar in zijn zonneboom kruipen, hij weet wellicht tot in zijn dood waar hij mee bezig is. Daarenboven, het gevleugelde was hem sowieso al niet vreemd.

In ieder geval, het lijkt wel of hij de eeuwenoude sleuteltekst van de Smaragden Tafel zelf heeft geschreven: ‘Scheidt liefdevol & met groot inzicht & wijsheid de aarde van het vuur, het fijn gewevene van wat hard is, dicht & gestold. Beneden is zoals boven, en boven is zoals beneden. De vader ervan is de zon, de moeder ervan is de maan, de wind heeft het gedragen in zijn buik’. Hij wist er alles van.

Dus, zit je ooit in de schuurzak: Dewulf zal je alsnog genezen van het ergste. Niet met wapenzalf of poeder van sympathie, maar met ’zijn reine redenen, gezuiverd zeven maal’. Wittgenstein zei het al: ”Woorden zijn ook daden.”

NATUS EST REX

Al ontbreekt het mij aan zo’n vernuftig haarkapsel alsook aan zulke weergaloze jeugdigheid als die van dat mevrouwtje hierboven, een mens moet er sowieso wat voor over hebben, voor wat extra warmte & licht in deze klamme donkere dagen. Maar het is toch weer enigszins gelukt, gewoon kwestie van die kaarsen op tijd uit te blazen, en het hart te laten juichen: pueri concinite, natus est Rex!

Maar nee, ’t was alweer gene ‘white christmas’ al bleef men er op de radio wel onverminderd van dromen, in de meest uiteenlopende versies. En hoe lamentabeler de kerstfilm, hoe meer sneeuw. Het blijft ons fascineren: die wonderlijke toedekking van al wat we voor even liever niet meer willen zien.

En natuurlijk, geen kerstmis zonder engel, al valt ook dààr alleen maar van te dromen? Voelt deze engel zich betrapt, of probeert hij ons gerust te stellen met zijn veelzeggende blik: ‘Ik probeer u alsnog op een goed blaadje te krijgen bij God?’ Duidelijk nog jong genoeg om er in te geloven? Doe maar, engel, doe maar.

Dat kan daarentegen van deze oude engel niet meer gezegd worden, want die houdt het duidelijk voor bekeken. Alsof hij einde dienst voor zichzelf besloten heeft: nu eerst God’s Engel, en dan God’s kinderen. Geef hem eens ongelijk?

Hoe dan ook: ’t is geboren, het goddelijk kind! Doch het kreeg zo te zien meteen een zwaar gehavende wereldbol in zijn linkerhandje. Niet om er mee te spelen, zoveel is duidelijk, maar om nog voor de eerste melk trouw te zweren aan de mensheid: ‘Ik kom elk van u verlossen van zichzelf!’ Natus est Rex, maar ’t is blijkbaar een moeilijke geboorte geweest? Dat mag ons niet verwonderen.

Ook voor de omi’s & de opi’s was het enigszins bang afwachten: gaan we toch niet met teveel aan tafel zitten? Zouden ze zich allemaal eerst wel hebben getest? Zullen we niet onverhoeds plots toch aan het knuffelen slaan en alzo risico’s nemen, waardoor we er volgend jaar mogelijk niet meer bij zullen zijn?

Maar kijk, die begrijpelijke zorgen verdwenen al gauw, als niet gevallen sneeuw voor de niet schijnende zon, dankzij de ontelbare glinsterende pakjes onder de boom. Pakjes vol liefde. Pakjes op naam. Pakjes waarvan je de inhoud aan iedereen wil laten zien: kijk, ze kennen mijn smaak, en zie, ze wisten mijn maat!

En wat met Rudolf, the rednosed reindeer? Op de dool, vrees ik. Daarom kust het kind in mij dit weggelopen rendier, op zoek naar voedsel, naar korstmos dus, waar het door de opwarming van de aarde niet meer bij kan geraken, doordat er zich ijslagen vormen nadat het geregend heeft, of wanneer de sneeuw smelt.

En wat met die regen sindsdien? Moge het druppels zijn als flonkerende sterren, die in de lucht blijven hangen, of die hoogstens op je schouders neerdwarrelen als magisch sterrenstof om er glinsterend mee naar het nieuwe jaar te lopen?

Of is het sneeuwwit vogeltje uitgezongen, en zit het niet meer op zijn stekendorentje, waardoor het ‘uwen bode’ niet meer kan zijn? Mag er dan een ander neerstrijken op de kale takken vol sneeuw, die nog moet vallen.

En last bur not least, dat tot de verbeelding sprekende kerstlied: ‘O kerstnacht, schoner dan de dagen, hoe kan Herodus ’t licht verdragen, dat in uw duisternisse blinkt.’ Hoe mooi ook gezongen, het blijft sowieso een prangende vraag.

KERSTMIS

Dat hij over u mag waken,
de engel die ’t verschil kan maken.

Ten zeerste door u gecharmeerd,
houdt hij u hopelijk ongedeerd.

De engel met de roze kaken,
brengt louter liefs voor u ter sprake.

HET RIJMWOORDENWERF

Zoals ik met lipstick mijn spreekspieren verf,
zo sleep ik elk vers naar mijn rijmwoordenwerf:
omdat zij, op weg naar hun lichtschuw ontluiken,
enige opsmuk wel kunnen gebruiken.

Sinds ik mijn daver voor dood & voor daad
door rijmelarijen omver heb gepraat,
tracht ik mijn wapenschild zonder verpinken,
met eigen spuug weer wat meer te doen blinken.

Gekluisterd, geklemd tussen durven & doen,
voel ik mij parelhoen noch schorpioen:
immer omarmend, gepaard of gebroken,
enkel een vragende hand opgestoken.

KRETEN & GEFLUISTER

“HET ONTAARDEN VAN HET VRIJHEIDSDISCOURS IN EEN EGOCENTRISCHE KREET IS ONTSTELLEND.

HET IS TRAGISCH HOE HET VRIJHEIDSIDEAAL HEEFT GELEID TOT EEN WEIGERING VAN VERANTWOORDELIJKHEID.

DE VRIJHEID OM NIET SAMEN TE WERKEN, OM NIET GEVACCINEERD TE WORDEN, OM DEMOCRATISCHE SPELREGELS AAN DE LAARS TE LAPPEN.

DE SAMENLEVING WORDT NIET LANGER BESCHOUWD ALS DE ZORG VOOR DE ANDER, MAAR ALS EEN JUNGLE WAARIN IEDEREEN ZIJN ZIN MAG DOEN.”

STEFAN HERTMANS
in de Standaard Der Letteren, over dit tijdperk van aardverschuivingen.

Ongevaccineerde collega’s die hun -van de directie gekregen- zelftesten resoluut boven op de kast zwieren. Denkend te moeten verkondigen: IK TEST NERGENS VOOR! Of met een bord voor hun kop rondlopen, waarop in fiere letters te lezen staat, alsof het een heldendaad betreft: IK BEN NIET GEVACCINEERD!

Of wat te denken van: STIK IN JE PRIK! STOP DE VACCI-NAZIES! FUCK JANSSEN, IK WIL DANSEN! COVID 19 IS A LIE! Of last but not least: UNVAXXED SPERM IS THE NEXT BITCOIN! Straks gaan ze nog – en zie dat maar aan – ongemaskerd zingen: Hei, ruimt de baan, alwaar wij gaan, wij fiere Covid-helden?

Te koop: zaad van ongevaccineerde mannen? Daartoe de benen gespreid, de broekzakken opgebold, alsof dat ‘unvaxxed sperm’ daarin reeds zit opgeslagen?

Je zal maar net dat felle ‘DIT IS MIJN HOF’ van Chris De Stoop aan ’t lezen zijn, waarin hij het onder andere heeft over dekstieren & witblauwe dikbillen.

‘Een nieuw fenomeen deed zijn intrede op het erf: de kunstmatige inseminatie ofwel KI. Sommige koeien werden nog door de eigen fokstieren gedekt, maar voor anderen werd het KI-station gebeld. Dan kwam de inseminator, die in zijn autokoffer een stikstofvat vol rietjes met ingevroren sperma had. Hij injecteerde het zaad in de koeienschede met een lange, dunne lans. De boer mocht uit een catalogus kiezen van welke stier hij een rietje wilde. Topstieren met de juiste maten zijn erg in trek en worden duur betaald. Het beste stierensperma reist diepgevroren de wereld rond. Gedekt door de spuit. KI-stieren luisteren allemaal naar ronkende namen zoals Apache, Sirocco, of Inquisiteur, terwijl onze eigen beesten met vrij banale bijnamen werden omschreven, zoals Schijter, Zwiebel of Pannelat. Soms klinken de notities van ma in haar agenda als poézie: ‘Schone Madame gedekt door Mooie Billenman.’

MAAR NU GAUW WEER TERUG
NAAR DAT BOEIENDE HOF VAN DIE AL EVEN BOEIENDE CHRIS DE STOOP.

‘Hoe wordt een spermabank eigenlijk aangelegd?’ vroeg ik op en dag langs mijn neus weg aan de inseminator. ‘Wel’, zei de man aarzelend, besmuikt naar mijn moeder kijkend. ‘ We laten de stier springen op een fantoom’. ‘Een fantoom?’ ‘Ja, een kunstkoe. En als hij het fantoom een beurt geeft, hebben wij genoeg voor duizenden rietjes. En dan kan iedereen kiezen tussen sperma van Fakir, die een hoge schoft heeft, Sirocco met zijn brede rug, Ganoche met zijn superbillen…’ ‘Geef mij maar die met de dikke billen’, zei ma. ‘Een goeie keuze’, prees de inseminator.’

DAT BLIJF IK HOPEN

Hoe vruchteloos vastberaden
zoek ik naar iets dat baat,
voor mijn statisch geladen
te dun geworden draad?

Bedekt met de kristallen,
van al wat ik onthou,
lijkt het nog mee te vallen,
maar dat vervalt algauw.

Van spinrag noch van zijde,
veeleer een prikkeldraad:
niet echt een vrijgeleide
naar waar het mij om gaat.

Geen touw aan vast te knopen,
hoewel – dat luistert nauw –
dan toch – dat blijf ik hopen –
die rode draad van jou?

‘BLEEDING NUNS’

Vaders laatste bloempjes. Gekregen van zijn drie laatste vriendinnen,
ter gelegenheid van wat hun laatste gezamenlijk bezoek bleek te zijn.
Een potje witte Cyclaampjes, alias ‘bleeding nuns’ zoals ze ook worden
genoemd, verwijzend naar hun witte kapjes & hun bloedend hart binnenin.

Ze bleken de nodige aandacht te vragen, terecht overigens, gezien de keuze der vriendinnen. Ik hield ze dan ook nauwlettend in de gaten. Tot vader, als laatste
bewoner, het huis verliet en de Cyclaampjes verweesd achterbleven.

Weken gingen voorbij, maanden zelfs, eer wij het aankonden om het huis leeg te maken, en ik het cyclamenpotje terugvond tussen de rommel op de vensterbank. Aangrijpend verkommerd. Ik heb het mee naar huis genomen, het schreeuwde erom, in z’n laatste levensvatbaarheid.

Het werd lente, ik zet ze buiten, dacht ik. Om het vervolgens toch weer min of meer te vergeten. Tot ik de Poes moest begraven in de tuin, en ook de Cyclaampjes ei zo na bleken te zijn dood gebloeid.

Maar dat was dan toch buiten mij gerekend: ik ging er een erezaak van maken om ze te redden, zowel ter ere van onze vader, als van zijn vriendinnen, als van die aandoenlijke Cyclaampjes zelf. Ze blijken de sleutelbloempjes van de herfst te zijn, de bloeiende lichtpuntjes van november, inmiddels al voor het vierde jaar.


Door hun ‘omgekeerde petalen’ lijken ze op het Twaalgodenkruid, hetgeen sowieso tot de verbeelding spreekt. Al worden ze in de volksmond ook ‘varkensbrood’ genoemd, omdat varkens de knollen ervan graag blijken te lusten. De mens krijgt er vreselijke diarree van, maar dit varken hieronder moet er blijkbaar alleen maar een opgeblazen gevoel van kwijt.

In de katholieke kerk worden de cyclamen gezien als het symbool van Maria’s bloeiend hart, en in Japan worden ze de ‘heilige bloemen van de liefde’ genoemd. Het blijft sowieso een bijzonder plantje, met bloempjes die hun bladjes als nonnekapjes naar achteren plooien, en vervolgens devoot naar beneden kijken. Sommigen vinden dan weer dat ze op konijnenoortjes lijken.

Ze doen mij ook wel denken aan die witte feestvlaggetjes, waar bruiloftsvierders vroeger mee in hun haar liepen, eenmaal het koninginnehapje was verorberd, alwaar dat vlaggetje bovenop had gezeten. Door de vettige pasteipunt bleef het mooi zitten, als ze bij wijze van pauzeren even naar buiten liepen, tussen twee zware menugangen door.

Zo werd ik de blije erfgenaam van vaders
‘bloedende nonnetjes’.
Ze bidden dag & nacht voor mijn zieleheil.

OUT OF THE BLUE

Tegen de vlakte. Out of the blue. De eerste poging van magere Hein? Letterlijk plots nog slechts een halve mens. Echter al gauw omgeven door een uitermate indrukwekkende reddingsbrigade. Je zou er achteraf wel een foto van willen hebben om in huis op te hangen: zo dankbaar, zo onvergetelijk, elk van hen.

Vervolgens een bloedverdunde nacht die je tot hiertoe alleen nog maar in films hebt gezien? Maar ineens staat daar, in je moeilijkste uren, een ongelooflijk rustgevende verschijning naast je bed: waardig, zacht & alom tegenwoordig. Zo moeten ook de engelen zijn, dacht ik, God zou hem onmiddellijk in dienst hebben genomen. Daar hoeft hij echt niet Gabriël voor te heten. Jens dus.

Maar als dan de eindeloze nacht begint, is hij weg. En komt de van dienst zijnde nachtverpleegster. In het holst. Als een onbekende. Wanneer je meent het volste recht te hebben om te gaan kajieten als een aangereden hond: van de pijn, van de tergende slapeloosheid, van de angst voor de rode belknop & alweer de bedpan, door de dwangmatig geworden plasdrang, en de niet te beschrijven ontlastingsvrees. Links het infuus, rechts het niet aflatende gepomp van de bloeddrukmeter. Maar ’t was allemaal voor mijn goed, dankuwel alstublieft.

Waarom weende gij nu? Het ging toch goed? Ge moet u ontspannen, en dat kunde gij alleen maar zélf! Kijk eens in mijn ogen, luisterde gij wel naar mij? Maar wat viel er te kijken in haar -luisterde gij wel naar mij?- koolzwarte ogen, wat viel er -kijk eens in mijn ogen!- te beluisteren in haar kijvende stem? Dat ik een klein jonk bleek te zijn geworden? Het zal toch niet waar zijn zeker!

Vanaf ’s anderendaags omgeven door lotgenoten, want je bent er absoluut niet de enige. Overal geduldige teneer geslagenen in rollende bedden, wachtend op hun beurt om gescand te worden. Vechtend tegen de veel te felle plafondlichten waar ze tegenaan liggen te kijken. Geen traan, geen druppel bloed die ongemerkt zou kunnen ontsnappen. Kortom: het échte voor-pampus-liggen. En allemaal dezelfde bleek geworden armen vol donkerblauwe bloeduitstortingen.

Met bed & al, in volkomen weerloosheid & ver van de eigen wenselijkheden van het ene onderzoek naar het andere worden gereden, door mensen die aan het werk zijn: je wordt er vanzelf enigszins ongemakkelijk van. Dat plots omgeven zijn door niets dan zorgende mensen om je heen, dat doet wat met een mens: je zou er omhelzerig van worden. Vroeg of laat maak je dat dan toch eens mee.

Enfin, het passeerde. Bijna wonderwel. Tot ik weer naar huis mocht, met een linker & een rechterkant die elkaar nu langzaamaan weer moeten terug zien te vinden. Tot mijn linker wijsvinger weer blindelings mijn neustop weet aan te wijzen, die gelukkig niet langer de rode belknop is. Geduld, geduld? Dat wordt inmiddels alweer van iederéén gevraagd, op weg naar de derde prik. Alice in Klonterland is niet de enige die zich momenteel afvraagt: how long is forever?

ALLERZIELEN

Liefste broers & zussen,

Allerziélen lijkt ons meer toegeëigend dan Allerhéiligen. 
En inderdaad, niets is zo ingewikkeld als niet dood zijn,
zoals Toon Tellegen dat hier komt te zeggen. 
Maar, net zoals onze vader daar altijd iets op wist te vinden, zie hierboven,
zo proberen wij dat met z’n allen ook te doen, ja toch!

Ring the bells that still can ring, forget your perfect offering,
there is a crack in everything, that’s how the light gets in.

Jullie Kreegzuster Bloedklonter

OPEN BOEK

Een zeer inspirerend boek meegebracht uit de Bib. Een éigen aankoop meer dan waardig, zoals ik al gauw mocht vaststellen. Ik vond het meteen aantrekkelijk: alleen al die wonderlijke titel, en het daaraan verbonden concept. Echt een boek voor naast mijn bed, dacht ik, toen ik het opensloeg en de korte items daarin zag van telkens een paar bladzijdes. Al was er een lichte aarzeling: is dit niet een schrijver die gaatjes gaat boren in mijn bange bewustzijn? Maar ik wou & ik zou.

‘Odes’ dus, van David Van Reybrouck. Als een fascinerende buit naar mijn nest gesleept. Tot hoog in het huis. Tot naast mijn bed. En eenmaal opengeslagen, als een dak boven mijn hoofd. En inderdaad, mijn eerste indruk werd meteen volkomen ingelost: ik vond het prachtig. Alles er van. Alles er aan. Alles er in. Elke ode een ‘lichtdrukmaal’ om het op z’n Gezelleaans te zeggen. Korte stukjes, maar van lange duur. Zinnens om zich voorgoed te verankeren in mijn gemoed.

Wel werd ik er wat weemoedig van. Dat ‘grote’ Reybrouckse leven op mijn borst, boven dat ‘kleine’ leven van mijzelf. Onder die berg zachte dekens vol uitgestelde belevenissen, waar ik in mijn stervensuur sowieso nog spijt van zal krijgen? De lichtwerper versus de schaduwplant. Het contrast werd steeds schriller, bij wijlen irritant zelfs. In mijn schulp, in mijn schulp, in mijn overgrote schulp.

Hij heet dan ook David, dacht ik, naar de gezalfde koning allicht. En bovendien ook Van Reybrouck: met zo’n naam blijf je uiteraard niet thuiszitten, nomen est omen. Maar zelfs honkvast, en opgerold als een slak in haar huisje, herkende ik de glans & de gloed -waarmee die odes zijn geschreven- maar al te goed. Die infrarode warmte ervan, die zo onzichtbaar diep in je weet door te dringen.

En hoe hélend dat kan zijn voor het onooglijke waarvoor ik zelf schijn te leven: op z’n huisjesslaks, zeg maar. Strooi wat zout op mij en ik ben weg. Ik weet er inmiddels alles van, de tuin zit er van vol, ik ben één van hen. Ik mis alleen hun geduld, alsook die dappere aanvaarding van de eigen slakheid. To be or not to be me, that’s not anymore the question, it’s juist a foregone conclusion. Niettemin, zelfs opgedroogde slijmsporen kunnen glinsteren. Men moet er uiteraard wel oog voor willen hebben. Op een ultra sensitief steeltje bovendien.

Maar nee, er was geen ode bij aan de huisjesslak, zo stelde ik uiteindelijk vast. Een beetje spijtig wel, maar anderzijds heb ik in de regenachtige stilte van de nacht al die heerlijke odes van Koning David naar binnen kunnen knabbelen, zonder daarin mijzelf te moeten tegenkomen om op te vreten. Overigens, is het sowieso ook niet een heel klein beetje indrukwekkend: een slak die kan lezen…?

HOE LANG NOG

Hoe lang nog, hoe lang
dat gevreesde nooit meer:
tot àlles voorbij zal zijn,
streng in de leer?

Ik blijf onderhevig
aan elk déjà vu:
tot daar & niet verder
werd tot hier & nu.

Gekraterd, als ware
ik de Krakatau,
barst ik uit mijn woorden,
blijft slechts: ik onthou.

Mijn zompige ziel bij
u binnen gesleurd,
het hart op de tong maakte
geen goede beurt.

Toch hoop ik, toch zoek ik
mijn ware gelaat
bij u terug te vinden,
bij u, inderdaad.