NATUS EST REX

Al ontbreekt het mij aan zo’n vernuftig haarkapsel alsook aan zulke weergaloze jeugdigheid als die van dat mevrouwtje hierboven, een mens moet er sowieso wat voor over hebben, voor wat extra warmte & licht in deze klamme donkere dagen. Maar het is toch weer enigszins gelukt, gewoon kwestie van die kaarsen op tijd uit te blazen, en het hart te laten juichen: pueri concinite, natus est Rex!

Maar nee, ’t was alweer gene ‘white christmas’ al bleef men er op de radio wel onverminderd van dromen, in de meest uiteenlopende versies. En hoe lamentabeler de kerstfilm, hoe meer sneeuw. Het blijft ons fascineren: die wonderlijke toedekking van al wat we voor even liever niet meer willen zien.

En natuurlijk, geen kerstmis zonder engel, al valt ook dààr alleen maar van te dromen? Voelt deze engel zich betrapt, of probeert hij ons gerust te stellen met zijn veelzeggende blik: ‘Ik probeer u alsnog op een goed blaadje te krijgen bij God?’ Duidelijk nog jong genoeg om er in te geloven? Doe maar, engel, doe maar.

Dat kan daarentegen van deze oude engel niet meer gezegd worden, want die houdt het duidelijk voor bekeken. Alsof hij einde dienst voor zichzelf besloten heeft: nu eerst God’s Engel, en dan God’s kinderen. Geef hem eens ongelijk?

Hoe dan ook: ’t is geboren, het goddelijk kind! Doch het kreeg zo te zien meteen een zwaar gehavende wereldbol in zijn linkerhandje. Niet om er mee te spelen, zoveel is duidelijk, maar om nog voor de eerste melk trouw te zweren aan de mensheid: ‘Ik kom elk van u verlossen van zichzelf!’ Natus est Rex, maar ’t is blijkbaar een moeilijke geboorte geweest? Dat mag ons niet verwonderen.

Ook voor de omi’s & de opi’s was het enigszins bang afwachten: gaan we toch niet met teveel aan tafel zitten? Zouden ze zich allemaal eerst wel hebben getest? Zullen we niet onverhoeds plots toch aan het knuffelen slaan en alzo risico’s nemen, waardoor we er volgend jaar mogelijk niet meer bij zullen zijn?

Maar kijk, die begrijpelijke zorgen verdwenen al gauw, als niet gevallen sneeuw voor de niet schijnende zon, dankzij de ontelbare glinsterende pakjes onder de boom. Pakjes vol liefde. Pakjes op naam. Pakjes waarvan je de inhoud aan iedereen wil laten zien: kijk, ze kennen mijn smaak, en zie, ze wisten mijn maat!

En wat met Rudolf, the rednosed reindeer? Op de dool, vrees ik. Daarom kust het kind in mij dit weggelopen rendier, op zoek naar voedsel, naar korstmos dus, waar het door de opwarming van de aarde niet meer bij kan geraken, doordat er zich ijslagen vormen nadat het geregend heeft, of wanneer de sneeuw smelt.

En wat met die regen sindsdien? Moge het druppels zijn als flonkerende sterren, die in de lucht blijven hangen, of die hoogstens op je schouders neerdwarrelen als magisch sterrenstof om er glinsterend mee naar het nieuwe jaar te lopen?

Of is het sneeuwwit vogeltje uitgezongen, en zit het niet meer op zijn stekendorentje, waardoor het ‘uwen bode’ niet meer kan zijn? Mag er dan een ander neerstrijken op de kale takken vol sneeuw, die nog moet vallen.

En last bur not least, dat tot de verbeelding sprekende kerstlied: ‘O kerstnacht, schoner dan de dagen, hoe kan Herodus ’t licht verdragen, dat in uw duisternisse blinkt.’ Hoe mooi ook gezongen, het blijft sowieso een prangende vraag.

KERSTMIS

Dat hij over u mag waken,
de engel die ’t verschil kan maken.

Ten zeerste door u gecharmeerd,
houdt hij u hopelijk ongedeerd.

De engel met de roze kaken,
brengt louter liefs voor u ter sprake.

HET RIJMWOORDENWERF

Zoals ik met lipstick mijn spreekspieren verf,
zo sleep ik elk vers naar mijn rijmwoordenwerf:
omdat zij, op weg naar hun lichtschuw ontluiken,
enige opsmuk wel kunnen gebruiken.

Sinds ik mijn daver voor dood & voor daad
door rijmelarijen omver heb gepraat,
tracht ik mijn wapenschild zonder verpinken,
met eigen spuug weer wat meer te doen blinken.

Gekluisterd, geklemd tussen durven & doen,
voel ik mij parelhoen noch schorpioen:
immer omarmend, gepaard of gebroken,
enkel een vragende hand opgestoken.

KRETEN & GEFLUISTER

“HET ONTAARDEN VAN HET VRIJHEIDSDISCOURS IN EEN EGOCENTRISCHE KREET IS ONTSTELLEND.

HET IS TRAGISCH HOE HET VRIJHEIDSIDEAAL HEEFT GELEID TOT EEN WEIGERING VAN VERANTWOORDELIJKHEID.

DE VRIJHEID OM NIET SAMEN TE WERKEN, OM NIET GEVACCINEERD TE WORDEN, OM DEMOCRATISCHE SPELREGELS AAN DE LAARS TE LAPPEN.

DE SAMENLEVING WORDT NIET LANGER BESCHOUWD ALS DE ZORG VOOR DE ANDER, MAAR ALS EEN JUNGLE WAARIN IEDEREEN ZIJN ZIN MAG DOEN.”

STEFAN HERTMANS
in de Standaard Der Letteren, over dit tijdperk van aardverschuivingen.

Ongevaccineerde collega’s die hun -van de directie gekregen- zelftesten resoluut boven op de kast zwieren. Denkend te moeten verkondigen: IK TEST NERGENS VOOR! Of met een bord voor hun kop rondlopen, waarop in fiere letters te lezen staat, alsof het een heldendaad betreft: IK BEN NIET GEVACCINEERD!

Of wat te denken van: STIK IN JE PRIK! STOP DE VACCI-NAZIES! FUCK JANSSEN, IK WIL DANSEN! COVID 19 IS A LIE! Of last but not least: UNVAXXED SPERM IS THE NEXT BITCOIN! Straks gaan ze nog – en zie dat maar aan – ongemaskerd zingen: Hei, ruimt de baan, alwaar wij gaan, wij fiere Covid-helden?

Te koop: zaad van ongevaccineerde mannen? Daartoe de benen gespreid, de broekzakken opgebold, alsof dat ‘unvaxxed sperm’ daarin reeds zit opgeslagen?

Je zal maar net dat felle ‘DIT IS MIJN HOF’ van Chris De Stoop aan ’t lezen zijn, waarin hij het onder andere heeft over dekstieren & witblauwe dikbillen.

‘Een nieuw fenomeen deed zijn intrede op het erf: de kunstmatige inseminatie ofwel KI. Sommige koeien werden nog door de eigen fokstieren gedekt, maar voor anderen werd het KI-station gebeld. Dan kwam de inseminator, die in zijn autokoffer een stikstofvat vol rietjes met ingevroren sperma had. Hij injecteerde het zaad in de koeienschede met een lange, dunne lans. De boer mocht uit een catalogus kiezen van welke stier hij een rietje wilde. Topstieren met de juiste maten zijn erg in trek en worden duur betaald. Het beste stierensperma reist diepgevroren de wereld rond. Gedekt door de spuit. KI-stieren luisteren allemaal naar ronkende namen zoals Apache, Sirocco, of Inquisiteur, terwijl onze eigen beesten met vrij banale bijnamen werden omschreven, zoals Schijter, Zwiebel of Pannelat. Soms klinken de notities van ma in haar agenda als poézie: ‘Schone Madame gedekt door Mooie Billenman.’

MAAR NU GAUW WEER TERUG
NAAR DAT BOEIENDE HOF VAN DIE AL EVEN BOEIENDE CHRIS DE STOOP.

‘Hoe wordt een spermabank eigenlijk aangelegd?’ vroeg ik op en dag langs mijn neus weg aan de inseminator. ‘Wel’, zei de man aarzelend, besmuikt naar mijn moeder kijkend. ‘ We laten de stier springen op een fantoom’. ‘Een fantoom?’ ‘Ja, een kunstkoe. En als hij het fantoom een beurt geeft, hebben wij genoeg voor duizenden rietjes. En dan kan iedereen kiezen tussen sperma van Fakir, die een hoge schoft heeft, Sirocco met zijn brede rug, Ganoche met zijn superbillen…’ ‘Geef mij maar die met de dikke billen’, zei ma. ‘Een goeie keuze’, prees de inseminator.’

DAT BLIJF IK HOPEN

Hoe vruchteloos vastberaden
zoek ik naar iets dat baat,
voor mijn statisch geladen
te dun geworden draad?

Bedekt met de kristallen,
van al wat ik onthou,
lijkt het nog mee te vallen,
maar dat vervalt algauw.

Van spinrag noch van zijde,
veeleer een prikkeldraad:
niet echt een vrijgeleide
naar waar het mij om gaat.

Geen touw aan vast te knopen,
hoewel – dat luistert nauw –
dan toch – dat blijf ik hopen –
die rode draad van jou?

‘BLEEDING NUNS’

Vaders laatste bloempjes. Gekregen van zijn drie laatste vriendinnen,
ter gelegenheid van wat hun laatste gezamenlijk bezoek bleek te zijn.
Een potje witte Cyclaampjes, alias ‘bleeding nuns’ zoals ze ook worden
genoemd, verwijzend naar hun witte kapjes & hun bloedend hart binnenin.

Ze bleken de nodige aandacht te vragen, terecht overigens, gezien de keuze der vriendinnen. Ik hield ze dan ook nauwlettend in de gaten. Tot vader, als laatste
bewoner, het huis verliet en de Cyclaampjes verweesd achterbleven.

Weken gingen voorbij, maanden zelfs, eer wij het aankonden om het huis leeg te maken, en ik het cyclamenpotje terugvond tussen de rommel op de vensterbank. Aangrijpend verkommerd. Ik heb het mee naar huis genomen, het schreeuwde erom, in z’n laatste levensvatbaarheid.

Het werd lente, ik zet ze buiten, dacht ik. Om het vervolgens toch weer min of meer te vergeten. Tot ik de Poes moest begraven in de tuin, en ook de Cyclaampjes ei zo na bleken te zijn dood gebloeid.

Maar dat was dan toch buiten mij gerekend: ik ging er een erezaak van maken om ze te redden, zowel ter ere van onze vader, als van zijn vriendinnen, als van die aandoenlijke Cyclaampjes zelf. Ze blijken de sleutelbloempjes van de herfst te zijn, de bloeiende lichtpuntjes van november, inmiddels al voor het vierde jaar.


Door hun ‘omgekeerde petalen’ lijken ze op het Twaalgodenkruid, hetgeen sowieso tot de verbeelding spreekt. Al worden ze in de volksmond ook ‘varkensbrood’ genoemd, omdat varkens de knollen ervan graag blijken te lusten. De mens krijgt er vreselijke diarree van, maar dit varken hieronder moet er blijkbaar alleen maar een opgeblazen gevoel van kwijt.

In de katholieke kerk worden de cyclamen gezien als het symbool van Maria’s bloeiend hart, en in Japan worden ze de ‘heilige bloemen van de liefde’ genoemd. Het blijft sowieso een bijzonder plantje, met bloempjes die hun bladjes als nonnekapjes naar achteren plooien, en vervolgens devoot naar beneden kijken. Sommigen vinden dan weer dat ze op konijnenoortjes lijken.

Ze doen mij ook wel denken aan die witte feestvlaggetjes, waar bruiloftsvierders vroeger mee in hun haar liepen, eenmaal het koninginnehapje was verorberd, alwaar dat vlaggetje bovenop had gezeten. Door de vettige pasteipunt bleef het mooi zitten, als ze bij wijze van pauzeren even naar buiten liepen, tussen twee zware menugangen door.

Zo werd ik de blije erfgenaam van vaders
‘bloedende nonnetjes’.
Ze bidden dag & nacht voor mijn zieleheil.

OUT OF THE BLUE

Tegen de vlakte. Out of the blue. De eerste poging van magere Hein? Letterlijk plots nog slechts een halve mens. Echter al gauw omgeven door een uitermate indrukwekkende reddingsbrigade. Je zou er achteraf wel een foto van willen hebben om in huis op te hangen: zo dankbaar, zo onvergetelijk, elk van hen.

Vervolgens een bloedverdunde nacht die je tot hiertoe alleen nog maar in films hebt gezien? Maar ineens staat daar, in je moeilijkste uren, een ongelooflijk rustgevende verschijning naast je bed: waardig, zacht & alom tegenwoordig. Zo moeten ook de engelen zijn, dacht ik, God zou hem onmiddellijk in dienst hebben genomen. Daar hoeft hij echt niet Gabriël voor te heten. Jens dus.

Maar als dan de eindeloze nacht begint, is hij weg. En komt de van dienst zijnde nachtverpleegster. In het holst. Als een onbekende. Wanneer je meent het volste recht te hebben om te gaan kajieten als een aangereden hond: van de pijn, van de tergende slapeloosheid, van de angst voor de rode belknop & alweer de bedpan, door de dwangmatig geworden plasdrang, en de niet te beschrijven ontlastingsvrees. Links het infuus, rechts het niet aflatende gepomp van de bloeddrukmeter. Maar ’t was allemaal voor mijn goed, dankuwel alstublieft.

Waarom weende gij nu? Het ging toch goed? Ge moet u ontspannen, en dat kunde gij alleen maar zélf! Kijk eens in mijn ogen, luisterde gij wel naar mij? Maar wat viel er te kijken in haar -luisterde gij wel naar mij?- koolzwarte ogen, wat viel er -kijk eens in mijn ogen!- te beluisteren in haar kijvende stem? Dat ik een klein jonk bleek te zijn geworden? Het zal toch niet waar zijn zeker!

Vanaf ’s anderendaags omgeven door lotgenoten, want je bent er absoluut niet de enige. Overal geduldige teneer geslagenen in rollende bedden, wachtend op hun beurt om gescand te worden. Vechtend tegen de veel te felle plafondlichten waar ze tegenaan liggen te kijken. Geen traan, geen druppel bloed die ongemerkt zou kunnen ontsnappen. Kortom: het échte voor-pampus-liggen. En allemaal dezelfde bleek geworden armen vol donkerblauwe bloeduitstortingen.

Met bed & al, in volkomen weerloosheid & ver van de eigen wenselijkheden van het ene onderzoek naar het andere worden gereden, door mensen die aan het werk zijn: je wordt er vanzelf enigszins ongemakkelijk van. Dat plots omgeven zijn door niets dan zorgende mensen om je heen, dat doet wat met een mens: je zou er omhelzerig van worden. Vroeg of laat maak je dat dan toch eens mee.

Enfin, het passeerde. Bijna wonderwel. Tot ik weer naar huis mocht, met een linker & een rechterkant die elkaar nu langzaamaan weer moeten terug zien te vinden. Tot mijn linker wijsvinger weer blindelings mijn neustop weet aan te wijzen, die gelukkig niet langer de rode belknop is. Geduld, geduld? Dat wordt inmiddels alweer van iederéén gevraagd, op weg naar de derde prik. Alice in Klonterland is niet de enige die zich momenteel afvraagt: how long is forever?

ALLERZIELEN

Liefste broers & zussen,

Allerziélen lijkt ons meer toegeëigend dan Allerhéiligen. 
En inderdaad, niets is zo ingewikkeld als niet dood zijn,
zoals Toon Tellegen dat hier komt te zeggen. 
Maar, net zoals onze vader daar altijd iets op wist te vinden, zie hierboven,
zo proberen wij dat met z’n allen ook te doen, ja toch!

Ring the bells that still can ring, forget your perfect offering,
there is a crack in everything, that’s how the light gets in.

Jullie Kreegzuster Bloedklonter

OPEN BOEK

Een zeer inspirerend boek meegebracht uit de Bib. Een éigen aankoop meer dan waardig, zoals ik al gauw mocht vaststellen. Ik vond het meteen aantrekkelijk: alleen al die wonderlijke titel, en het daaraan verbonden concept. Echt een boek voor naast mijn bed, dacht ik, toen ik het opensloeg en de korte items daarin zag van telkens een paar bladzijdes. Al was er een lichte aarzeling: is dit niet een schrijver die gaatjes gaat boren in mijn bange bewustzijn? Maar ik wou & ik zou.

‘Odes’ dus, van David Van Reybrouck. Als een fascinerende buit naar mijn nest gesleept. Tot hoog in het huis. Tot naast mijn bed. En eenmaal opengeslagen, als een dak boven mijn hoofd. En inderdaad, mijn eerste indruk werd meteen volkomen ingelost: ik vond het prachtig. Alles er van. Alles er aan. Alles er in. Elke ode een ‘lichtdrukmaal’ om het op z’n Gezelleaans te zeggen. Korte stukjes, maar van lange duur. Zinnens om zich voorgoed te verankeren in mijn gemoed.

Wel werd ik er wat weemoedig van. Dat ‘grote’ Reybrouckse leven op mijn borst, boven dat ‘kleine’ leven van mijzelf. Onder die berg zachte dekens vol uitgestelde belevenissen, waar ik in mijn stervensuur sowieso nog spijt van zal krijgen? De lichtwerper versus de schaduwplant. Het contrast werd steeds schriller, bij wijlen irritant zelfs. In mijn schulp, in mijn schulp, in mijn overgrote schulp.

Hij heet dan ook David, dacht ik, naar de gezalfde koning allicht. En bovendien ook Van Reybrouck: met zo’n naam blijf je uiteraard niet thuiszitten, nomen est omen. Maar zelfs honkvast, en opgerold als een slak in haar huisje, herkende ik de glans & de gloed -waarmee die odes zijn geschreven- maar al te goed. Die infrarode warmte ervan, die zo onzichtbaar diep in je weet door te dringen.

En hoe hélend dat kan zijn voor het onooglijke waarvoor ik zelf schijn te leven: op z’n huisjesslaks, zeg maar. Strooi wat zout op mij en ik ben weg. Ik weet er inmiddels alles van, de tuin zit er van vol, ik ben één van hen. Ik mis alleen hun geduld, alsook die dappere aanvaarding van de eigen slakheid. To be or not to be me, that’s not anymore the question, it’s juist a foregone conclusion. Niettemin, zelfs opgedroogde slijmsporen kunnen glinsteren. Men moet er uiteraard wel oog voor willen hebben. Op een ultra sensitief steeltje bovendien.

Maar nee, er was geen ode bij aan de huisjesslak, zo stelde ik uiteindelijk vast. Een beetje spijtig wel, maar anderzijds heb ik in de regenachtige stilte van de nacht al die heerlijke odes van Koning David naar binnen kunnen knabbelen, zonder daarin mijzelf te moeten tegenkomen om op te vreten. Overigens, is het sowieso ook niet een heel klein beetje indrukwekkend: een slak die kan lezen…?

HOE LANG NOG

Hoe lang nog, hoe lang
dat gevreesde nooit meer:
tot àlles voorbij zal zijn,
streng in de leer?

Ik blijf onderhevig
aan elk déjà vu:
tot daar & niet verder
werd tot hier & nu.

Gekraterd, als ware
ik de Krakatau,
barst ik uit mijn woorden,
blijft slechts: ik onthou.

Mijn zompige ziel bij
u binnen gesleurd,
het hart op de tong maakte
geen goede beurt.

Toch hoop ik, toch zoek ik
mijn ware gelaat
bij u terug te vinden,
bij u, inderdaad.

VOLLE MAAN

Het kan de volle maan
ten volle niet ontgaan:

dat al wat uitentreuren
toch weer niet zal gebeuren,
vaak wordt vooraf gegaan
door wat niet wordt gedaan:
niet geschreven mis verstaan,
niet gebleven weg gegaan.

Huizen zonder deuren,
vangnetten die scheuren.

DAGDROOM

Zwichtend, zwarte gaten dichtend,
bak ik taarten zonder kers.
Gat noch vijgenblad oplichtend,
vers dat ik tot druppels pers.

Ongeremd gerijm ontsnappend
uit mijn florentijnse fles;
wettig blijf ik, woorden schrappend,
tot ontvoogding hun voogdes.

Zo geef ik elk vers uit handen
als een, zonder slot of zin,
niet meer uit mij weg te branden
dagdroom van een suikerspin.

VOORUIT MET DE GEIT

Vooruit met de geit? In letterlijke zin ga ik daarvoor naar mijn zusje in Gooreind. Haar geiten, net zoals ook de paarden in de aanpalende weide, rekken hun nekken als zij verschijnt, en wat een prachtig schouwspel, die wederzijdsheid

Ik weet het inmiddels: voor de middag moet je haar niet opbellen, want dan zitten zij & haar hartsvriend bij hun geliefde geiten: strontjes aan ’t rapen, vachtjes aan ’t borstelen, alsook drinkwater aan ’t verversen & oortjes aan bevingeren. Why goats have become the darlings of the internet? Mijn zusje weet het je wel te vertellen. Trouwens, al in de prehistorie tekenden mensen geiten op de muren van hun grot. Geiten & mensen, een boeiend verhaal.

In het Boek der Symbolen staat genoteerd: Anders dan het bereidwillige familielid het schaap, is de geit sluw & intelligent, speels & grappig, maar grilziek & onberekenbaar, kortom: capricieus, afgeleid van de Latijnse benaming ‘capra’ hetgeen ‘geit’ betekent. Zowel de kool als de geit sparen? Niet gemakkelijk.

Want inderdaad, wat een spring-in-’t veldjes: één-en-al nieuwsgierigheid, en goed voorzien van oren & poten. Dol op takken & schors, op netels & distels, en dan die vreemde lichte ogen, met lange rechthoekige pupillen, die zorgen voor een breed & goed zicht, ook in het donker. En… ze maken bovendien ook oogcontact!

Maar wat een gemekker, als ze ‘hun mens’ zien verschijnen, ‘hun wandelende voederzak‘. Echter, daaraan teveel toegeven is de oorzaak van de meeste mekkerproblemen, zo blijkt. Op vaste tijden dus, want ze kunnen er wat van, die mekkerkonten: met lange trillende tongen, en in alle toonaarden. Soms denkt mijn zusje manlief te horen, alsof die zich plots heeft bezeerd, maar dan blijkt het zijn lievelingsgeit Tamara te zijn, met hem vergroeit in eendere geluiden.

Maar o haar kleinste, dat ze steevast ‘mijn hertje’ is gaan noemen, en wiens tongetje mooi rozig in het bekje blijft liggen, als er dan toch al eens gemekkerd moet worden: zusje’s hart dobbert als een lichtboei in een zee van smeltwater, als lieftalligje naar haar toe komt gelopen met de vraag: ‘Can I call you Mom…?’

Vermits geiten een hekel hebben aan regen, daar die hun vacht binnendringt wegens het ontbreken van een vetlaagje daarop, moest er dus ook een onweerstaanbaar geitenstalletje worden gebouwd, zo’n soort veredelde kerststal, met een kribbe vol hooi, en een grote ton vol heerlijk vers water..

Kortom: alleszins een behoorlijk stuk boeiender dan het poppenhuis van vroeger. Beloofde zusje toendertijd bij ons thuis altijd taarten met een levendje kindje erop, inmiddels zou daar wellicht een geitje bovenop komen te staan, mochten haar oven & haar bakvormen daarvoor groot genoeg zijn, wie weet.

Dus vooruit met de geit, we doen voort? Ook in figuurlijke zin kan ik daarvoor bij datzelfde zusje terecht. De oude geit in mij heeft niet altijd evenveel zin meer in dartele sprongen, maar mijn immer grappige zusje weet ze mij toch nog te ontlokken, als ik op haar weide kom, waar zij zo blijmoedig ‘the darling of my internet’ zit te wezen op een zelf getimmerde houten bank, met dank voor stank.

En het is haar aan te zien: ze wordt er mooi & gelukkig van. It’s all in the mind, ook zij weet dat op fascinerende wijze waar te maken. Buitenshuis haar aanminnige geiten, binnenshuis haar kunstzinnige kwaliteiten. Of om het met Bukowski te zeggen: ‘She’s mad but she’s magic. There’s no lie in her fire.’

En al ben ik geen geit, althans niet in theorie:
ook ik rek mijn nek als ik mijn Zusje zie!

ZONDAGMORGEN

Zondagmorgen, aan het ontbijt in de veranda, geheel volgens het geplande scenario: broodjes, croissants, Nutella, Hoogstraatse aardbeien, Beemster, Mortadella, Lavazza, een flauwe opklaring achter de ramen, kortom: de camera draaide meteen op volle toeren, we hadden er niet eens een regisseur bij nodig.

En in ruil voor de ontbrekende zon kregen we vlak achter de ramen ineens een jonge merel in het vizier. De vleugels nog ietwat halfstok en duidelijk één & al jonkige onbevangenheid, zo stond hij zich daar te laten zien. Het leek ons dat hij al kon vliegen, ja toch? Ook wij rekten onze pas gewassen nekken om toch maar niets te missen van zijn verrukkelijke verschijning. Hij kwam, hij zag en hij overwon? Zo hoog op z’n pootjes, zo fel reeds z’n blik, zo lang al z’n staart.

Maar wat we toen nog niet wisten, viel even later echter niet meer te betwisten: dat we doodgemoedereerd hadden zitten kijken naar de laatste vijf minuten van dat mereltje z’n veel te korte leven. Vervolgens dook het weg onder de hoge varens, alsook in onze meest onnozele gedachte: ‘daar zit het tenminste veilig..

Echter, wij hadden beter moeten weten, naar het verstand ons toegemeten: verdoofd door de eigen vertedering vergaten wij dat prachtige mereltje te behoeden voor het onafwendbare, want even later vond ik het verdronken terug in de vijver. Ook de zondag lag ineens voor dood op tafel. Maar het eendenkroos sloot niettemin onmiddellijk weer de eigen rangen, alsof er niets was gebeurd.

THE GLACIER KNOCKS IN THE CUPBOARD?

Alwéér iemand waarvan wordt omgeroepen: “She has left the Blue Planet…”
Ik lees er Auden op na, en ik hoor hem inderdaad ook kraken in mijn eigen kast, die gletsjer van koelbloedigheid. Hij smelt en brokkelt steeds verder af. Om nog maar te zwijgen van die gebarsten schone schijn. Of van die zuchtende woestijn.

The glacier knocks in the cupboard,
The desert sighs in the bed,
An the crack in the tea-cup opens
A lane to the land of the dead.

Lang gewacht & stil gezwegen, nooit gedacht & toch gekregen? Daar mag ik alleszins blij om zijn: gehad & geweest is niet per se een lelijk beest. Maar het ‘voorbij-gaan’ houdt mij bezig als een bij die door een wesp wordt gestoken. Al dat -nu reeds!- vergetene in het huis om mij heen, terwijl ik het nog bewoon. In de verdrukking geraakt onder het besef, dat het uiteindelijk voor iedereen op til is, om vroeg of laat niet meer van tel te zijn. Dat nietsontziende niets-blijft-duren, wie zou er geen rusteloze benen van krijgen, en diepe voren ervan onder de bles.

Vroeger, ja vroeger, wie vroeg er mij wat, toen rolschaatste ik mij door de dagen tot het donker werd. Oorverdovend, want op ijzeren wielen, en uiteraard, rond de kerk. Neerkijkend op die nieuwe met rubberen wieltjes, onmachtig als die waren om nog van zich te laten horen. Die van ijzer schraapten de stoepen zuiver, er sloegen soms prachtige gensters uit. Ijzeren rolschaatsen waren & bleven de beste, dat wist (en hoorde!) iedereen. Kortom: er waren toen nog zekerheden.

Op ijzeren wielen? Zo hoorbaar aanwezig wens ik al lang niet meer te zijn. Het kind in mij is haar rolschaatsen kwijtgeraakt. Tussen toen & nu zijn die zogenaamde zekerheden grotendeels weg gemaaid, als kwetsbare nesten tussen stugge gewassen voor de niets ontziende oogst ten behoeve van later.

Altijd geschreven met dubbel krijt, maar ineens raak je één van die krijtjes kwijt? Ondanks ‘horen-zien-en-zwijgen’ is er op de duur geen speld meer tussen te krijgen: je geraakt niet meer op je uitkijkpost, en ook het zomeruur krijgt niet alles opgelost. Het begint je te dagen onder de klamme lappen, dat je niet twee keer in dezelfde rivier kunt stappen. Geen bakerrijm, geen Wolkenkoekoeksheim.

Panta Rhei, alles gaat voorbij!
Staakt-het-vuren, niets blijft duren!
Bij elke wens, gedenk, o mens!
En al waakt hij over huis & haard,
Ouroboros bijt zich in eigen staart!

Maar kent – althans te gelegener tijd – niet elk leven zijn eigen eeuwigheid?

Het sijpelt niet meer, het stroomt inmiddels dwars door mij heen, als een rivier van voortdurende verandering. Elk verhaal raakt uitgelezen: je geeft je kinderen niet alleen het leven, maar ook de dood. Indachtig de hint ‘wees de verandering die je in de wereld wilt zien‘ denk ik aan dat veelzeggende anonieme zinnetje, dat ik noteerde in één van mijn schriftjes: ‘Terwijl ik peins, passeert mij een slak.’

‘Naar wat de dennen fluist’ren, die buigen kruin aan kruin, zit ik zo vaak te luist’ren, in ’t buntgras van het duin, hoe zon en zomer pralen, in ’t purper van de hei, wat toverkleur zij malen, maar alles gaat voorbij.. ‘ Ook al voelde ik mij in het vroeger van toen nog ‘onsterfelijk’ zoals Bert Kijzer dat stelt, ik wist er zelfs als kind al weg mee, met dit soort weemoed van fluisterende dennen, van zangen uit de oude toren, en van dat schrijnende ‘maar-alles-gaat-voorbij.’ Vader! Moeder! Dat jullie er zomaar niet meer zijn! Jaja, het is nu aan mij, ik weet het, Panta Rhei..

Heimwee doet ons hart verlangen? Nog zo’n lied waar door de Hogere Orde graag op neergekeken werd. Maar net zoals van een uitgebloeide pisbloem blaas ik de zaadjes ervan nog eens met veel plezier de vier windstreken in, zoals ik dat vroeger zo vaak heb gedaan. Want na de bloei zijn er gelukkig ook weer de zaden, even mooi & fascinerend als de bloem zelf. Zaadjes met vleugeltjes aan, zaadjes met al het geduld van de wereld, wederom op zoek naar de verloren tijd.

Dag bronzen
klokkenzangen, dag weiden mistomhangen,
dag geur van brem en hei!

En dag pluizige hemelzaadjes
voor nog lang na mij!