We blijven het maar doen, altijd opnieuw: elkaar het bloed onder de nagels vandaan halen, elkaar bedroeven, bestoken & verontrusten.
Altijd opnieuw weer bloed aan de paal: er wordt gemarteld, geteisterd & getormenteerd, kortom, we kunnen er wat van.
Wat de mens betreft, daar heeft Elias Canetti heel wat gedachtegangen voor op zijn innerlijke rooster gelegd, zich afvragend: ‘Wat is het, dat in de mens van nature verkeerd is?’
Te beginnen, op deze dag van goede Vrijdag, met Canetti’s innerlijke schreeuw: ‘Tenhemelschreiend, wat een woord!’
Maar ook zijn volgend betoog vindt z’n weg naar de dag van vandaag:
Niets helpt. Men kan zich aan kannibalen vergapen, langs een boomstam tweehonderd jaar terugklimmen, men kan een pelgrimstocht naar Palestina maken, naar Boeddha luisteren, Mohammed kalmeren, Christus geloven, een bloesemknop bewaken, een bloem schilderen, een vrucht verijdelen.
En men kan: honden leren miauwen, katten leren blaffen, een honderjarige al zijn tanden teruggeven, de koorzang der engelen in Gods hemelrijk verhinderen, Lao Tse ophitsen, Confusius tot vadermoord aanzetten, Socrates de scheerlingsgifbeker uit de hand, en de onsterflijkheid uit de mond slaan, men kan… maar het helpt niets, niets helpt, er is geen daad, er isgeen gedachte, op één na:
Wanneer is het moorden ten einde?
‘Zwarte wolk, verlaat mij nu niet, blijf boven mij, opdat mijn leeftijd niet verschaalt, blijf in mij, gif van mijn hartzeer, opdat ik de stervende mensen niet vergeet.’
Spaar mij Heer, parce mihi, Domine, wat is de mens, dat u hem zo verheerlijkt? Waar richt uw goddelijk hart zich op, peccavi, ik heb gezondigd.
Wat doe ik u aan, o bewaker der mensen, waarom voel ik mij tegen u opgezet? Waarom neemt u mijn zonde niet weg, ik ben een last voor u geworden.
Daardoor slaap ik thans in het stof, en verslik ik mij in eigen speeksel. Maar mocht u ’t mij morgen weer vragen, het zal niet zijn gestopt.
Satirische observaties van eigentijds gedoe? Daarvoor moet je – inmiddels tot in de eeuwen der eeuwen- bij Wim de Bie zijn. Of zegge & schrijve: bij zijn alter ego meneer Foppe, de eenzaamheidsgenieter. (ze laten hem echter niet met rust, hij moet boodschappen doen, er wordt wel eens aangebeld)
Over hem zei Wim de Bie tijdens een gastcollege: ‘Meneer Foppe? Dat ben ik. Onder anderen. Meneer de Bie? Dat ben ik zoals ik zou willen zijn.’
Wim de Bie houdt onmiskenbaar veel van Meneer Foppe en hij weet die liefde op onnadrukkelijke toon, zonder ook maar één moment naar leukte te lonken, over te brengen’. (NRC Handelsblad)
Meneer Foppe is een extreem geval, maar als je goed kijkt, heeft iedereen wel een trekje van hem. (Standaard der Letteren)
De kleine 3-jarige meneer Foppe, versus de latere op zijn 53-ste.
Boodschappen doen in de supermarkt bleef een moeilijke opgave. Het uitstallen van je bullen op de lopende band bij de kassa, onder de ogen van wildvreemden – meneer Foppe hield er niet van. Eenmaal per jaar werd de expeditie zelfs bijna onmogelijk te volbrengen.
Nieuw toiletpapier.
Gezien worden met een pak toiletpapier. Waarom vond meneer Foppe het zo gênant een pak rollen op de band te plaatsen, dat het zweet, onder zijn pet uit, langs zijn gezicht liep?
Hoe hij zich ook probeerde gerust te stellen door voortdurend te prevelen – ‘het is toch heel gewoon, iedereen heeft wc-papier nodig’ – het hielp allemaal niks. Met zo’n pak liep je compleet voor gek. En het ergste was, dat je een groot pak met twaalf rollen niet in je boodschappentas kon bergen – je moest er open en bloot mee over straat. Ja, je kon een pakje van drie rollen kopen, maar dan herhaalde de nachtmerrie zich om de drie maanden.
Met een groot pak kon meneer Foppe een jaar toe. Hij had het zorgvuldig berekend. Iedere rol – het stond op de zak – bevatte 200 vel; als hij tussen de 6 à 7 velletjes per dag gebruikte, deed hij 1 maand over 1 rol. Als hij aan zijn laatste rol toe was, stelde hij zich op rantsoen (2 velletjes per dag), maar het verschrikkelijke moment kwam onherroepelijk, als hij het laatste, 2400-ste velletje van de 12de kartonnen binnenrol scheurde.
Een paar jaar geleden werden de openingstijden van de supermarkten verruimd. Een geluk bij een ongeluk. Als meneer Foppe het grote pak in november kocht, ’s avonds om zeven uur, was het buiten donker en werd de tocht naar huis, met de boodschappentas in de ene hand en het pak wc-papier in de andere iets minder zwaar.
Elias Canetti, immer dichtbij, zeker als de dood van mensen in het vizier komt, buigt zich meteen met duizend woorden over Wim de Bie heen.
-De weerloosheid der doden is het meest onbegrijpelijke feit.
-Dood & liefde worden altijd aan elkaar gelijkgesteld. Maar ze hebben maar één ding gemeen: scheiding?
-Als het dan ‘moet’, dan alstublieft midden in een woord, dat door het sterven in tweeën breekt.
-Hij wil een ‘volledige’ behandeling van de dood en niet alleen zijn vroegere partijdige gekef. Ook tegen de maan hebben honden geblaft en is die niet desondanks door anderen bereikt?
-Wat hij wellicht het meest zal missen als hij dood is: de stemmen van mensen in een kroeg.
In ieder geval: duizend maal dank, Wim de Bie. Wat heb ik genoten van uw leven & uw welzijn.
En Elias Canetti zal allicht tot in de eeuwen der eeuwen blijven zeggen: ‘Hij fluit af en toe vanuit het hiernamaals. Waarom luister je niet beter?‘
Verjaren met Elias Canetti in het geheime hart van het uurwerk? In plaats van tanden heeft hij woorden in zijn mond zitten, daarmee kauwt hij, ze vallen nooit uit.
‘Woorden die zich pas geleidelijk aan ontsluiten, woorden die door osmose in de ontvanger veranderen.’
‘Alles zet zich vast door het opgetekend zijn. Losmaken kan ik niets, er hangt altijd een mens aan.‘
‘Prachtig, de gesprekken die je nooit voert, de drang iets honderdmaal te zeggen, de wens het te verzwijgen.’
‘Er bestaat luisteren, lezen, noteren, maar mogen de angst en het erbarmen dat weten?’
‘Zinnen als enterhaken, die naar alle schepen van het denken uitslaan.’
‘Soms valt in die verschrikkelijke woestijn een naam, en iedere zandkorrel bloeit op.’
‘Hoe mooi grootmoedigheid zou zijn, als ze maar anders heette!’
‘Laat geen dag voorbij gaan zonder tekens, iemand kan ze nodig hebben.’
‘Het veelzinnige van lezen: de letters zijn als mieren en hebben hun eigen geheime staat.’
‘Lezen tot je wimpers van vermoeidheid zachtjes klingelen.’
‘Iedereen moet de leeftijd mogen behouden die hem het meest bevalt.’
‘Zo leven alsof men ongelimiteerd de tijd had. Afspraken met mensen voor over honderd jaar.’
‘De dagen worden van elkaar onderscheiden, maar de nacht heeft slechts één naam.’
‘Een nacht waarin alle wezens zich voor je krommen. De volgende morgen.’
‘Namen, de raadselachtigste van alle woorden: zeg me niet wie je bent, ik wil je verafgoden.’
‘Een laatste wens die rond de aarde cirkelt en in duizenden jaren niet verandert.’
‘Die vertedering waarmee al wat vergeefs is je vervult. Men komt niets te boven en heeft des te meer lief.’
‘Muziek, de inhoudsmaat van de mens. Af en toe verdwijnen, nooit voor altijd.’
‘De vreugde van de zwakste: de sterkste iets te geven.’
Spiegelbeeld, vertel eens even, ben ik heus zo oud als jij? Zelfs mijn moeder blijkt in haar eigen ‘Spiegel Historiael’ ineens jonger te zijn dan ikzelf. Het vervult me met weemoed: ze raakte geklonterd, moest in de nacht plots twintig minuten nutteloze reanimatie doorstaan, en stierf vervolgens zonder ons, dus moederziel alleen. Gestold in opperste verbazing op haar niet te geloven doodsbed. En ik, ik leef haar thans zomaar voorbij. Nee, niet zomaar..
Zogezegd al ruim vijfentwintig jaar weg van ons, maar die jaren worden telkens opnieuw verwijderd als stukken verkankerde darm die er tussenuit worden geknipt, waarna het jaar dat ze stierf telkens weer met verse steken aan het nieuwe jaar wordt genaaid. De tijd heeft z’n helende strijd opgegeven, wat moeders dood betreft. Haar ondergoed mij door de kliniek meegegeven ligt nog altijd met haar laatste dag in een zichtbare doos op mijn slaapkamer.
Ik moet er echt wel aan wennen, een leeftijd te hebben bereikt, die zij nooit heeft gehad: alsof ik mijn moeder voor de tweede keer ben kwijtgeraakt. Zoals een kind zijn moeder in de supermarkt. Maar zonder een mikro deze keer waarmee kan worden afgeroepen, dat ik op haar wacht aan het onthaal. Ik voelde op deze haasje-over-verjaardag zowel de neiging om mij daarvoor te verontschuldigen bij haar, als het krachtdadige voornemen: komaan moeder, voortaan verjaren we ondeelbaar met z’n tweeën, we maken van elke dag een dubbele.
Zij de zon & ik de maan? Zij het licht & ik haar weerkaatster. Hoe ze naar me wuift, als ze gloedvol ondergaat achter mijn kamerraam en mijn denken vult met haar moederlijke wenken. Dus geen mikro nodig: wij zijn elkander nog nooit één seconde kwijtgeraakt.
En nu ik de eerste knoppen weer zie openspringen: hoe fier ze was op haar seringen, purperder dan waar ook ter wereld. Elke lente stuurde zij mij op pad, met mijn neus diep in de geurige bossen die ik ergens met haar groeten moest gaan afgeven. Ik heb ze gelukkig nu zelf ook in de tuin, straks kunnen wij er samen weer eens diepgaand aan gaan ruiken.
Zal ik dat liedje van de Zilveren Bruiloft nog eens zingen, Moeder? Hoe onvolkomen ook, elk woord ervan blijft nog altijd van tel, en tot in de eeuwen der eeuwen à titre personnel.
Spiegelbeeld, vertel eens even, ben ik heus zo oud als jij? Is het waar, word ik vijftig, is mijn beste tijd voorbij? Ach, ik ken je bezwaren, maar wat had je dan gedacht? Spiegelbeeld, na al die jaren als oudste van acht?
Spiegelbeeld, op ware grootte, ben je echt meedogenloos, ik zie niks dan kraaiepoten in m’n eigen poederdoos. ‘k Ga voor ’t keren der jaren bij ons moeder in de leer. Nooit zal ik haar evenaren daar komt het op neer.
Spiegelbeeld, m’n eerste rimpels zijn al dieper dan ik dacht, zonder vlaggen zonder wimpels, ’t is voorbij midzomernacht. Raak ik steeds weldoorvoeder, ben in den overgang, spiegel ik mij aan ons moeder dan ben ik niet bang:
want zij deelt al mijn visies, niemand jaagt mij nog op stang, ’t is voorbij, m’n midlife-crisis, ik ga weer mijn gang.
Vanmorgen weer zo’n prachtige ‘gevederde vondeling’ van de grond moeten rapen, die zich blijkbaar te pletter had gevlogen tegen één van de verandaramen. Steeds weer een onthutsende vaststelling, ik begin er telkens opnieuw – niet te aanhoren – van te jammeren.
De hele winter doorgekomen met mijn gepelde zonnebloempitjes, om binnenkort weer aan het broedseizoen te kunnen beginnen. Doch hetzelfde raam van waarachter ik hem aan de binnenkant zo verrukt heb kunnen gade slaan is hem blijkbaar aan de buitenkant ervan fataal geworden. Ze breken daarbij meestal hun nekje, las ik met ontzetting. Nochtans waren de ramen, zoals mij werd aangeraden, verre van pas gepoetst, verre van glanzend dus. En er kleven bovendien een heel aantal zwarte vogels op, maar blijkbaar is het beter om die er langs de buitenkant op te kleven, anders blijven ook zij de bomen weerspiegelen?
Of zou het uiteindelijk dan toch een paniekvlucht zijn geweest voor de sperwer die hier geregeld rondhangt? Dat hele doodgaan, ik vind het maar niks, de planeet is er van doordrongen, en al helemaal heden ten dage. Het is bovendien inmiddels al het derde voorjaar op rij, dat ik te pletter gevlogen vinkjes moet begraven, het trekt op niks. Opnieuw geen zingend Suskewietje in eigen tuin, dus weer heel wat gerateerd geluksgevoel.
Hier nog in mijn open hand, overgeleverd aan zowel ‘zijn’ als ‘mijn’ volkomen weerloosheid. Maar als mijn vingers zich vervolgens rond het reeds afgekoelde lijfje sluiten, word ik overmeesterd door een welhaast onwrikbaar gevoel het vogeltje weer tot leven te kunnen wekken, met mijn warmte & door mijn wil. Echter, voor de zoveelste keer op rij: niet dus, sukkel die ik ben. Ik heb het bijgevolg onmiskenbaar weer uit handen moeten geven. En bij deze – in woorden gewikkeld – begraven. Suskewietje’s onnoemelijke schoonheid ten spijt.
Het huis te groot. Het bloed te dun. De neus te benig. Dat zijn alvast de bevindingen. Het haar te pluizig, het vel te perkamentig, het syndroom van Renaud in de vingers. Ze beginnen er uit te zien als slecht afgeschraapte schorseneren. Kortom: lelijk worden van de kou. De rode neus, nog net niet die van een cirkusclown. In de greep dus van de winterblues.
De angst van buik & flanken voor elke wc-gang, als dan die ijskoude pikkels zich onder de kleren moeten begeven voor de afstroping van ’t ondergoed. De schokken die dat teweeg brengt aan ’t diep verscholen vel, alsof er schrikdraad op staat. En ja hoor, terug van lang weggeweest: perniones, winterteentjes dus. De twee kleinsten beginnen er uit te zien als voos geworden kerstomaatjes. Je zou meteen zeggen: komaan, in de vuilbak ermee.
Er dient dus noodgedwongen ook ‘gesloefd’ te worden, en ook daar gaat veel zelfvertrouwen aan ten onder. Die fezelende voetstap, dat futloze geluid, die gestalte fnuikende schuiten die je doen besluiten: zo, de deur mag al op slot, ik ben in huis maar desalniettemin voor niemand thuis. De flauw geworden glimlachjes scheuren je de vellen van de mond. Bovendien van de ene bad-hair-day naar de volgende, met haren als gesprongen snaren van een oude mismeesterde viool. Zelfs de haarborstel schrikt ervan.
Het spiegelbeeld der herinneringen stelt zich bekken trekkend aan. Dat hooihopperig rondlopen binnenskamers – alsof er een klerencontainer over je heen is gekieperd – levert ook niet meteen een gunstig beeld op van Madam Lijf, op weg naar weeral een jaar ouder. Het verscholen gebeente schilfert zich te pletter onder al die noodzakelijke bedolvenheden, doch voorlopig is het veel te koud in het winterhuis voor tijdrovende opkalfateringen.
Zelfs de inkt der zwarte klik-Biccen vloeit minder soepel dan anders, als je daarmee de nacht noteert, terwijl de pegelneus aanvoelt als een jeukende winterteen op de verkeerde plaats. Echter, niet alleen het onder- maar eveneens het gedachtegoed heeft nood aan thermische omzwachtelingen, want ook de ziel bibbert, ook het inwendige raakt onderkoeld van ’s werelds wereldwijde winter. Terwijl buitenshuis out of the blue de dodelijke honger van de sperwer heerst, die het op de teergetinte tortels heeft gemunt. Laat de luiken geloken zijn? Maar tussendoor is er gelukkig ook nog wel wat ruimte voor vertroosting..
Een gloednieuw woord geleerd van een goede vriend, die knisperende zakjes vol dito lekkers had meegebracht, met de aanstekelige boodschap: ‘Voor een koekegoed jaar!’ Alom gebruikelijk blijkbaar in West Vlaanderen, maar vanaf nu dus ook in Mechelen. Het vrolijke labeltje hangt inmiddels ‘koekegoed’ aan de koffiekast in de ei zo na bevroren keuken.
Doch last but not least: drie in de bib veroverde Canetti’s in de schuif naast het bed, alsook eveneens het pas aangekochte ‘Boek tegen de dood’ van hem. ‘Voor honderd goden heb ik gestaan, en ik heb ze allemaal recht aangekeken, vol haat om de dood van de mensen.‘ En waarin hij tussendoor Soutine tot Emile Szittya laat zeggen: “Ik heb de dorpslager een keer de hals van een gans zien open kerven en hoe hij het bloed liet weglopen. Ik wilde schreeuwen, maar zijn vrolijke blik snoerde mij de keel. Die schreeuw voel ik nog altijd.”
Deprimerend? Toch niet. Als het beest goed gevoed wordt, vergeet het te bijten. Of om het met Canetti te zeggen: ‘Soms komen de dingen zo dicht bij elkaar in de buurt, dat ze elkaar in vuur & vlam zetten. Het is die plotselinge openbaring van nabijheid waarvoor je leeft.’
Wie een fijne oude dag wil verkoopt zijn huis op tijd? Slaapwandelen we ongemerkt naar een derde wereldoorlog? India pikt de westerse dominantie niet meer?
Kortom, er ligt behoorlijk wat smurrie op Putteke Winter’s bodem. Wie zou zich niet, net zoals ook de Portugese dichter Fernando Pessoa soms willen afvragen: “Ik is een ander?”
Er zijn ziekten erger dan ziekten, Er zijn pijnen die geen pijn doen, zelfs niet in de ziel, Maar pijnlijker dan alle andere.
Er zijn gedroomde angsten, werkelijker Dan die welke het leven met zich brengt, er zijn gevoelens Die men voelt alleen door ze te denken En die meer de onze zijn dan het leven zelf.
Er zijn zovele dingen die, zonder bestaan, Bestaan, die tergend traag bestaan En tergend traag de onze zijn, de onze en onszelf.
Boven het troebel groen van de brede rivier De witte circumflexen van de meeuwen. Boven de ziel de nutteloze wiekslag Van wat niet was, ook niet kon zijn, en alles is.
°°°
Ik krijg wat ik mis – zo niet hier, dan elders, al is waar ongewis, ik word toch wat ik zelf beslis.
°°°
(Met dank voor de vertalingen van August Willemsen)
De wensen van hoop, geloof & liefde zijn inmiddels al grotendeels over & weer gegaan, en al branden binnenshuis de oogverblindende lichtjes nog fulltime, in de winkelstraten zijn ze hun magische krachten al bijna geheel verloren. De ontnuchtering staat alweer te trappelen?
Met andere woorden: we hebben het weeral gehad? Wat er ook van zij: december heeft de winter als een kaneelkoek middendoor gebroken, en het hoopvol lengen der dagen weer in gang gezet, een mens zou al om veel minder verheugd kunnen zijn. De kerstengel is er om begrijpelijke redenen moe van geworden, maar heeft hij ons uiteindelijk toch niet een beetje opgepept gekregen? Laten we maar vinden van wel. Hij was sowieso onder ons, ja toch?
In ‘Thuis’ zag ik dat de kerstboom meteen al op tweede nieuwjaarsdag werd afgebroken: alsof het op slag een schande was geworden dat hij daar nog stond te staan. Voilà, kort & bondig afgewerkt, wat kan het ons nog schelen. Voorspel, naspel: niet meer van tel?
Het knallende vuurwerk, dat tussen oud & nieuw de boze geesten zou hebben verjaagd: dat valt helaas te betwijfelen, al geloofden de lallende bewonderaars wellicht van wel. Waar is de tijd van de eenvoudige vuurstokjes en dat feestelijk moment waarop ze joelend werden aangestoken boven de feesttafel. Toen je als kind nog moest leren om die venijnig prikkende gensters op je ver vooruit gestoken hand te durven verdragen, tot moeder ineens ontdekte, dat die gensters kleine schroeivlekjes maakten op het damasten tafelkleed.
Maar kijk, ook in het nieuwe jaar wordt de tijd onmiddellijk weer weggepikt, want geen minuut valt ervan te bewaren voor langer dan zestig seconden. Geen enkele hand of geen enkele horloge zal ooit groot genoeg zijn om het vorte voorbijgaan tegen te houden.
De nog lege agendas zoeken creatieve geesten voor een vrijblijvende, speelse of luchthartige flirt, affaire of avontuurtje? De keuze is geheel aan ieder voor zich. In ieder geval: nieuwe agendas schrijven goed. Het is deze keer een blauwe geworden, en uiteraard zoals van oudsher opnieuw een Paperbanks. Elke avond zal hij weer enkele lijnen afgetapte levensinkt van mij vragen. Echter, net zoals mijn bloed, reeds in hoge mate verdund.
En wat zullen wij er weer eens van gaan breien, van onze zelf gesponnen wol, in een poging om er zo weinig mogelijk steken bij te laten vallen, en anders dat ze alsnog zullen kunnen worden opgeraapt met een tevreden oefgevoel. Of wordt het toch weer een pannelap?
En belangrijker dan ooit: gaan we de vredesduif blijven behoeden voor verhongering, en eindelijk eens ophouden om duiven vliegende ratten te noemen? Wie zou niet willen dat zijn ziel een duif was die naar de hemel op kon stijgen uit z’n eenmaal ooit gestorven levenslijf.
En wat met ons hart, zal dat opnieuw weer als een soort zelfgemaakt speldenkussen worden doorprikt: handig, maar wel een beetje kneuzerig? Laat ons dan tenminste hopen dat het kopspelden mogen zijn met van die kleurrijke knopjes. Of van die lange met een hartje of een parel er bovenop. Hoe dan ook: prikken zullen ze. In ons doorzeefde hart.
Donkere wolken boven de wereldeconomie? Laten we elke witte wolk die we ons nog kunnen herinneren bewaren, in doorzichtige hars gegoten, als een hoopvol gegeven: dit zijn de wolken waar wij naar streven. Wolken als witte schapen met ingetrokken kop & poten.
En zullen we alstublieft, ten diepste gegriefd, de vogels hun steeds moeizamer grootbrengen der jonkies meer dan ooit blijven gunnen? Onze moordzuchtige katten binnen houden ’s nachts. De sperwers weg zien te houden van mijn tortels is al moeilijk genoeg.
En dan hier nog een kleine glinsterende wens, ver weg van kaswitvliegen & bonenspintmijt: mogen uw zelfgekweekte tomaten weer een mooie oogst worden, na succesvol te zijn gespeend, gediefd & afgehard, alsook door u behoed te zijn geworden voor meeldauw, neus-& wortelrot. Tomaten met alles tussen zuur & zoet, uw bord & uw welzijn tegemoet.
Maar bovenal: moge de rode draad die door ons aller levens loopt zowel een houvast blijven als een hersteldraad voor de geschondenheid van losgekomen verbondenheid. En dat de naald die daarvoor nodig is zich niet in een hooiberg bevindt, maar in de eigen naaidoos.
De Poolse dichteres, Wislawa Szymborska, geboren op 2 februari 1923 en gestorven op 1 februari 2012, is goddank dus toch 89 mogen worden. In 1996 ontving ze de Nobelprijs voor Literatuur, en werd ze door de jury geheel terecht ‘de Mozart van de Poézie’ genoemd.
‘Mooi portret van een gerimpeld, fijnzinnig, bescheiden oud besje… zo hebben we ze graag!’ Met die boodschap kreeg ik dit gedichtenbundeltje van Szymborska op mijn verjaardag toegestuurd door mijn Zusje Intimusje, en wat was ik er blij mee. Er zat ook een hartveroverende DVD bij waarop je haar aan het woord kunt horen. En zo fascinerend.
Zo is het genoeg? Hoe mooi ook die titel: voor mij is het alleszins nog lang niet genoeg. Die vierhonderd wereldberoemde gedichten van haar, in 40 talen, vol met ‘de wijsheid van het niet weten’, ook die wil ik graag nog allemaal onder ogen krijgen. Dat wordt sowieso een boeiende zoektocht, al was dat gisteren in de bib nog niet echt een succes. Wislawa, waar ben je, en hoe zet ik dat grappige streepje door jouw letter L? Ik wil er allemaal achter komen, het is gelukkig nog niet te laat. Hieronder het gedicht ‘De spiegel’ dat als een drone over de verwoeste steden van Oekraïne zweeft, op zoek naar die éne nog héle spiegel?
Ja, ik herinner me die wand in onze verwoeste stad. Hij stak bijna zes verdiepingen omhoog. Op het vierde zat een spiegel, die spiegel, niet te geloven, was niet verbrijzeld, zat stevig vast.
Hij spiegelde niet meer iemands gelaat, noch iemands haren schikkende handen, geen enkele deur ertegenover, niets dat de naam verdient van ‘plaats’.
Het was net vakantie – een levende hemel die zich erin spiegelde, beweeglijke wolken in een wilde lucht, door glinsterende regens gewassen puinstof, vogels op de trek, sterren, zonsopgangen. En zo, als elk goed gemaakt voorwerp, werkte hij feilloos, met een professioneel gebrek aan verwondering.
°°°°°°°
AAN MIJN EIGEN GEDICHT
In het beste geval word je, gedicht van me, aandachtig gelezen, becommentarieerd en onthouden.
Tref je het minder, dan alleen gelezen.
De derde mogelijkheid is dat je weliswaar wordt geschreven maar even later in de prullenmand gegooid.
Je hebt nog een vierde uitweg tot je beschikking: je verdwijnt ongeschreven, tevreden mompelend in jezelf.
Vanmorgen wakker geworden, precies op hetzelfde uur als toen ik vijfentwintig jaar geleden uit mijn slaap werd gebeld met de boodschap: ‘Het gaat niet goed met uw moeder, het is best om zo vlug mogelijk naar het ziekenhuis te komen..’ Het woord dood werd niet uitgesproken, maar onderweg werd mijn ‘zielenzak’ alsmaar zwaarder, en voelde ik dat zij er niet meer was, onze begenadigde moeder. Ik ben toen in de trein al meteen aan haar doodsprentje begonnen. Om het op til zijnde verdriet nog even op afstand te houden?
Haar plotse nachtelijke dood in het ziekenhuis, een man & acht kinderen hebbend, maar niemand daarvan in de buurt om haar bij te staan tijdens dat fatale uur. Die bloedklonter die haar het leven benam, die twintig minuten durende reanimatie in haar dodelijke eentje.
En zo lag ze daar toen, ondraaglijk weerloos, de strijd verloren. Haar laatste wanhopige hap naar adem hing nog boven haar open gevallen mond, alsof bevangen door een dodelijke verbazing. En niks meer kunnen zeggen tegen ons. Vandaag, vijfentwintig jaar later, zijn zij & ik precies even oud, maar vanaf morgen zal ik alleen verder moeten met mijn zich schuldig voelende leeftijd. Vanaf morgen zal ik schaamtelijk ouder zijn dan zij ooit mocht worden.
Een paar nachten geleden noteerde ik uit het boek ‘Alptraum’ van Koos Van Zomeren (hetgeen blijkbaar misleidend ‘nachtmerrie’ betekent in het Duits): ‘Misschien komt het doordat ze hun naam behouden, dat we ons zo moeilijk kunnen voorstellen, dat de doden zich niet bewust zijn van hun dood.‘ En uitgerekend vandaag viel mijn geestesoog plots op een titel die mij uitermate fascineerde: ‘Het boek tegen de dood’, van Nobelprijswinnaar Elias Canetti. In meer dan tienduizend handgeschreven bladzijden geeft hij, zo te lezen, nauwgezet verslag van zijn streven om grip te krijgen op het ongrijpbare. ‘Lees, kind, lees!’
‘De dood was prominent aanwezig in Canetti’s leven. Toen hij zeven was, stierf zijn vader en hij heeft diens dood nooit willen accepteren. Als Jood tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft hij ook meer dan genoeg dood en verderf gezien. Hij heeft er een levenslange aversie aan overgehouden voor mensen die elkaar om wat voor reden dan ook doden: ‘Alsof het nog niet genoeg is dat mensen sterven, alsof ze elkaar een handje moeten helpen.’ Voilà. Enfin.
‘Prachtige observaties, verbeelding die hoge toppen scheert, indringende notities over de menselijke zucht naar onsterfelijkheid, over God en dood en dat die misschien één en hetzelfde zijn, over religie als een manier om ons in contact te stellen met de doden. Een weergaloze meditatie over de schaduwzijde van het leven’, zo lees ik in de bespreking ervan. Dat lijkt me dus echt wel een boek, waar ik aan toe ben, liefst meteen al vanaf morgen.
Liefste moeder, in elk woord dat ik zal lezen in ‘Het boek tegen de dood‘, zal ik jouw leven omarmen, maar weet, dat ik evenals Canetti al jaren lang ‘op zoek ben naar woorden om ze de dood in het gezicht te slingeren.‘ Echter, ik weet nu al, dat jij mij alsnog gerust zult stellen, want jouw vijfentwintigjarige dood, milde moeder, is zoveel meer dan ‘een korreltje niks’.