ZILVERLINGEN

wpid-img_75063205561701

Gerard Reve:
-”Als een kardinaal een scheet heeft gelaten, zeggen ze: sjonge jonge, wat ruikt het hier lekker, net of iemand uien staat te bakken. Dat soort katholieken, daar ben ik niet dol op.”
Rilke:
-”Onze zielen leven van verraad.”
Kleindochter:
-”Omi, ik kan niet slapen, want mijn droom is verliefd”.
Connie Palmen:
-” Als je op zoek gaat naar de waarheid achter je drijfveren & je motieven, kom je niet in sprookjesland terecht. Het is niet altijd leuk wat je van jezelf aan de weet komt.
Paul Snoek:
-”Kloot, zei de Kwal, herken je me niet? Ik ben de weggesmeten kut van Ester Williams”.
Horatius:
-”Hij had om zijn hart eikehout en een drievoudige laag brons, die het eerst zijn broze boot aan de woeste zee heeft toevertrouwd.”
Stef Bos:
-”De mooiste dingen schrijf je, als je ego buiten spel wordt gezet.”
Potgieter:
”Ik min u, Oude! Met uw stroefgeplooide trekken.”
Willem Wilmink:
-”…en ik doe het Boek van alle Droefenissen dicht.”
Bredero:
-”Met een scheetse lach gaat zij mijn lijden honen…”
Seinfeld:
-”Een moedervlek? Het lelijke broertje van de sproet!”
Picasso:
-”Je ne cherche pas, je trouve.”
Joris Note:
-”Alles bleef gehuld in duistere halfgenoemdheid.”
Vrouw in de Himalaya tegen Michaël Palin:
-”De mensen komen hier hun hart wassen.”
Juliën Vreebos:
-”Positief? Ik ben ne valse plezante.”
De Schoolmeester:
-”O ziel met angst vervuld, als varkensworst met zult!”
Willy DeVille:
-”Nothing is as heavy as an empty heart”.
Gloria Steinem:
-” A woman without a man is like a fish without a bicycle”.
Blaise Pascal:
-”The self is hatefull”.
Peter De Graef:
-”De liefde is niet blind, integendeel, ze opent de ogen voor de voortreffelijkheden van de ander…”
Jacob Israël de Haan:
-”Jammer dat het grote publiek geen hart heeft: ik zou het graag breken.”
Otto Weiss:
-”Zou het waar zijn wat iemand beweerde, dat vele krantelezers gevoeliger zijn voor drukfouten dan voor denkfouten?”
Gerrit Komrij:
-”Te veel heiligheid -het is niet goed voor de spijsvertering,  je gaat er geestelijk van stinken.”
-”Haal een Engelse voetbalsupporter en een werkloze jongere op een camping, allebei straalbezopen, voor de geest en je weet hoe de hel eruit ziet. De eerste gesubsidieerde openlucht-hel ter wereld”.
Pink Floyd:
-”All in all, you’re just another brick in the wall”.

SCHRAPEN MAAR

Schrapen maar.
‘Met een schrapend voorwerp bewerken’.
Koollagen, wortelen, nieuwe aardappelen, parketvloeren, zelfs baarmoeders, kelen & tongen worden geschraapt om ze te ontdoen van ongewenste lagen verf, teer, aanslag, slijm of ongemak, al naargelang het ‘evile’ euvel. Met dunschillers, schraapmessen, curettes, of met schraapijzers, voorzien van een punt aan het vooreinde, scherpe kanten & een handvat in het midden.

Maar ik weet het wel, Vriendje,
als er ‘teer’ van je ziel wordt afgeschraapt, als de kwetsbare slijmlaag van je hart
er genadeloos wordt afgehaald door de wraakzucht van de verworden werkelijkheid, en als bovendien je bloedende schrafelingen door hellehonden worden besnuffeld, dan valt daar lang niet zo’n bezienswaardig schilderij van te maken als deze ‘Raboteurs de parquet’
van de Parijse schilder Gustave Caillebotte.

Nee, dan kan je alleen maar onhoorbaar schreeuwen om een beschermende laag.
Ik voel mij alleszins geroepen om die aan te brengen.

WEERAL?

Zijn we weeral einde zomer,
tuin die plots de toon aangeeft?
‘t Najaar kent geen mens, geen dromer,
die niet ergens spijt van heeft.

Maar wat hou ik van je geuren,
herfst, en van je zacht gezucht,
van je kladders & je kleuren,
van je bruingebakken lucht.

Tel je uren, niets blijft duren,
wesp die vreugd noch vrucht ontziet,
scheer je weg van mijn kwetsuren,
ik verdraag je roofzucht niet.

HOGER LAGER

Of het nu
vanaf de Mannesmannturm is in Wenen
of vanaf de watertoren in Mechelen-Zuid,
vanaf de Goldbergturm in Sindelingen
of Toren Blosenberg in Zwitserland,

vanaf de Longwave Transmitter Junglinster
of de Sunsphere in Knoxville,
vanaf de Space Needle in Seatle
of vanaf de Funkturm in Berlijn,

laten we nooit of te nooit
nog hoog van de toren blazen,
zo ongepast als dat zou zijn.

LEONARD COHEN.

If it be your will that I speak no more
and my voice be still as it was before
I will speak no more I shall abide until
I am spoken for if it be your will

If it be your will that a voice be true
from this broken hill I will sing to you
From this broken hill all your praises they shall ring
if it be your will to let me sing

If it be your will if there is a choice
let de rivers fill let the hills rejoice
let your mercy spill on all these burning hearts in hell
if it be your will to make us well

And draw us near and bind us tight
all your children here in their rags of light
in our rags of light all dressed to kill
and end this night if it be your will

PRO MEMORIA

Zoals jij daar toen op mij te wachten stond van zie-mij-hier-staan, als een wolf achter tralies in een dierentuin.

Zoals jij toen je handen openspreidde voor die van mij & met mijn ring begon te spelen, terwijl ik maar niet kon besluiten, wat ik nu het meest wonderlijke daarvan vond: dat te zién, of dat te voélen.

Zoals ik ineens die witte kringen rondom je irissen zag oplichten in de donkerte van je oogkassen.

Zoals jij tegen mij zegde dat ik mij geen zorgen mocht maken om jou, terwijl de vertwijfelde blik in je ogen mij het tegenovergestelde zegde.

Zoals ik weer een paar keer dat speciale lachje van jou mocht aanschouwen, waarin je ogen het dan moeten afleggen voor de brede welving van je lippen: jouw blik die even moet onderduiken om dat lachje naar boven te kunnen halen.

Zoals jij ineens voorover boog & je hoofd op tafel legde, nadat je mij eerst nog even met een pijnvolle blik had aangekeken als een aangeschoten  wolf.

Zoals ik toen nog maar eens mocht ervaren, dat pijn & schoonheid blijkbaar steeds weer slaags geraken met elkander, in een bloedige strijd.

Zoals je daarna, als het bezoek weer voorbij was, wat onwennig naast me liep, alweer op weg naar
‘t scheiden onzer wegen.

Zo probeert de eeuwigheid zichzelf in stand te houden?

VRIENDSCHAP?



“Iedere vriendschap is een onopvallend drama: een subtiele reeks verwondingen” zegt de vlijmscherpe Roemeens-Franse filosoof Emil Cioran daarover. Hij wordt dan ook een ‘denker van de nacht’ genoemd, een ‘erfgenaam van Nietzsche, en zijn eerste publikatie droeg de titel ‘Hoogtes van wanhoop’. Maar toch: vriendschap  kan heel wat teweeg brengen als zij haar naam waardig is:
fight me, I can take it?
“Vriendschap is een afgekoelde vorm van liefde, het eigenbelang is net wat minder”, zegt Nietzsche zèlf daarover.
Elke definitie blijkt een confrontatie te zijn, maar hoe beschamend ook, wij mogen onszelf niet ontzeggen een mens te zijn? Het afleggen van onze pretenties voltrekt zich als een ongenadige uitkleedpartij: plus est en vous, moins est en moi.
“VRIENDSCHAP IS EEN ZONE ZONDER GEVAAR”
zegt Cornelis Verhoeven dan weer. Dat is alleszins een welgekomen & hartverwarmende visie.
De gerenomeerde Amerikaanse psycholoog Daniël Wegner poneert de stelling dat mensen die elkaar goed kennen een impliciet gemeenschappelijk geheugen creëren -een transactief geheugensysteem- dat gebaseerd is op inzicht in wie het geschikst is om bepaalde informatie te onthouden. “Relatievorming wordt vaak opgevat als een proces van wederzijdse zelfonthulling en aanvaarding. Toch kan het ook opgevat worden als een noodzakelijk voorstadium van het transactieve geheugen. Juist het verlies van dit soort gemeenschappelijk geheugen maakt een scheiding mede zo pijnlijk. Verlies van het transactieve geheugen wordt ervaren als verlies van een deel van de eigen geest.”
Zo meent de wetenschap te onderzoeken & te ondervinden, dat ons transactieve geheugen wordt beïnvloed door ons toenemend internetgebruik. Net zoals onze ‘vriendschappen’?
Ik noteerde beklijvende uitlatingen van schrijvers waarmee ik  -zij het slechts boeksgewijze- in bed heb gelegen, zoals bijvoorbeeld Arnon Grünberg, die bekende:
-”Het gevoel tekort te schieten tegenover de mensen van wie ik zou moeten houden, is een terugkerend gevoel in mijn leven, en een dat steeds pijnlijker wordt”. Hoe herkenbaar.
Of zoals Connie Palmen dat verwoordde:
-“Ik ervaar iemands bekommernis om mijn geluk altijd als iets heel benauwends. Want dan durf ik niet te laten zien dat ik verdriet heb, of dat iets me dwars zit, uit angst dat die ander dan weer ongelukkig wordt. En zo zit je elkaar voortdurend te bedotten.”
Gij zult uw oneerlijke naaste beminnen met uw oneerlijke hart? Wijsheid is een kind van de eenzaamheid, daarom schuwt de filosoof de groep?
In zijn Parijse tijd liet Voltaire zich eens overhalen om mee te doen aan een orgie. Toen dezelfde groep mensen hem enige tijd later opnieuw kwam vragen om aan een orgie mee te doen, weigerde Voltaire echter: “Nee, dank jullie wel, vrienden. Wie één keer meedoet is een filosoof, wie tweemaal meedoet, is pervers.”

Laten wij het houden bij ‘benevolentia’: onderlinge welwillendheid. En denken aan die onsterfelijke dichtregel van Jacob Israël de Haan:
‘Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’.
Of aan ‘le cri de coeur’ van Montaigne:
“Want voor de vreugde van passend & aangenaam gezelschap is mijns inziens geen prijs te hoog.
O, een vriend! Hoe waar is het gezegde, dat het bezit daarvan noodzakelijker  & verkwikkender is dan de elementen water & vuur!”

 

QUIS NON FLERET

Van klein naar groot,
van slaap naar dood:
op zich al harde wetten,
die ons te kakken zetten.

Doch nooit genoeg,
te wreed, te vroeg:
geen troost meer te verlenen,
mijn god, wie zou niet wenen.

KOEKOEKSJONG

Wat een ei, dacht ik. Het zag er zo behoeftig uit, zo voorbestemd om te worden uitgebroed. En wat een prangend leven meende ik meteen te kunnen waarnemen binnen de prachtig gespikkelde schalen. Dus wat hèb ik mij er voor uitgesloofd. In een mum van tijd kwam er een uitermate hongerig bekje onder mijn broedplek tevoorschijn, mij er bovenal van overtuigend  hem te willen voederen met duizendpoten, draadwormen & harige rupsen. Mijn god, mijn broedsel, wat heb ik nu onder mijn hoede gekregen, vroeg ik mij af.

Maar ik ben er inmiddels wel achter: dit kon niet mijn eigen legsel zijn. Er zit een koekoeksjong op mijn innerlijk nest, en het waant er zich heer & meester. Het blijft z’n hongerige bek maar open sperren & breekt de mijne telkens opnieuw zo brutaal open, dat mijn slokdarm er van is bloot komen te liggen, waardoor het maagzuur mij over de borst stroomt. Maar wat moet ik aanvangen met deze stuitende gewaarwordingen? Mijn pijnen, mijn moeiten, mijn oeverloos gezwoeg, hij heeft het allemaal onder z’n veren & in z’n kloppend hart. Ik steek het mes in mijn eigen gemoed, als ik hem zou verloochenen. Elk uur dat ik aan hem heb gewijd zouden er twee worden voor de totale vergetelheid.

Maar wat een uitputtend wezen, wat een vermoeiend mormel, wat een hoop stront, zeg. Hij kent overigens maar één roep: z’n eigen naam. Dus het wordt hoogtijd dat hij leert vliegen, want ik wil hem weer uit mijn nest. Wegwezen, wanstaltig jong, het is genoeg geweest. Dat ik je zo gekoesterd heb: alsof ik m’n eigen zelfhaat heb zitten uitbroeden. Niet goed bezig, Martens.

TERRASJES-WEER


        ‘t Gesmolten licht onder de kurk
        bezorgt mij lodderogen;
           dat ik een witte zomerjurk
        draag, is alvast gelogen.

        Het bedbekende ‘schuif eens op’
        schiet plots elk doel te buiten;
        fluit, schijtrechter, maar vrije schop,
        plat water kan niet spuiten.

        Mijn alsmaar ouder wordend zeer
        jaagt mij in ongenade;
        doch ‘t ongewild terrasjes-weer
        slaat mij -goddank?- niet gade.

      

ONS MUSJE

Zitten we ‘s morgens aan de ontbijttafel nog vertederd naar ‘ons musje’ te kijken, dat zich dag in dag uit op het tuinpad te pletter hupt & dat tot in onze lachrimpels naar onooglijke graantjes komt zoeken, maar jawel hoor: ‘s avonds heeft Rotkat kleine Vederling te stekken! Gekeeuw & gekef: ik hoef Van Dale daar niet bij te halen, hoor mij maar eens tekeer gaan op zulke momenten, de pintelierende zomeravond-buren liepen wellicht meteen naar binnen voor het nummer van de politie, ik hoorde de stad stilvallen onder mijn schrille schreeuw. Verstijfd vogeltje zat met gespreide vleugel in de voorlopig nog behoedzame kattenbek, en geloof me of niet, alhoewel nog ver verwijderd van de kerstnacht, plots kon ik waarachtig met de dieren spreken:

“LAAT DAT LOS, KAT! GODVERDOMME STOM BEEST, LOSLATEN ZEG IK!” En voilà, ze deed het. Ik zie nog haar vreselijk verschrikte blik, maar hoe dan ook, ineens lag het zieltogende vogeltje met kromtrekkende voetjes voor mijn poten. En toen zag ik het:

”HET IS GODVERDOMME ‘ONS’ MUSJE! HET IS NIET WAAR, DIE KAT MOET DOOD!”

Wat een vederlicht gevalletje, wat een bonzend piepklein hartje, wat een dodelijk geschrokken bibbertje. Maar geen bloed, en nog felle oogjes: zou het… Of zijn ze daar alweer met het onomkeerbare? Ik heb trekpootje in een kartonnen doosje gelegd met een taartrooster er bovenop & in een stille kamer aan de rust van de vallende avond toevertrouwd.

En jawel hoor: de volgende morgen, nog voor de tweede klep van de doos geopen was, schoot het klein vlerkmanske als een gelanceerd raketje pijlsnel de lucht in. Ik zal altijd warm worden van binnen, als ik er weer aan denk. Moeder, waarom leven wij? Voor zulke dingen dus, bijvoorbeeld. Niemand maakt mij nog blij met een dooie mus.

VOLLE MAAN?

Of wat zal ik er van maken?
Een uit de hemel gevallen planeetje, de oplichtende speelbal van een buitenaards wezen, een vergeten bergappelsien in een wonderlijke staat van ‘pourriture noble’? Multiple choice: een zaadcel van de zon, de kern van iemands bestaan, het gouden ei van een feniks, of gewoon de zoveelste uitgave van een Casa- of Blokkerlichtbol op batterijen.. Of maak ik er een gouden kogel van uit een ballorig gehanteerde ballista der goden? Een vuurbol, een bolbliksem, een meteoor, een brandende bolide, bezig de lijnen uit deze vingertoppen weg te schroeien? En dan is er ook nog de vraag: wiéns handen zijn dit? Die van jou, die van mij, of die van een onnoembare?

Ik weet er voorlopig geen bal van, maar ik probeer er wel achter te komen vooraleer dit wonderlijk licht weer wordt gedoofd & ik met mijn woorden in een zwart gat val.

ALS IK…

Als ik een taxi was, dan reed ik met jou naar je eigen binnenwereld, naar Eigenhart, tot in de diepste punt helemaal onderaan, langs al die kleine wegeltjes daar, die nog nooit in kaart zijn gebracht.
Dan voerde ik jou naar je eigen innerlijke Grand Canyon en naar al die wonderlijke plekjes waar je zelf nog nooit bent geweest. En dan zou ik tegen je zeggen: „Voilà, hier zou je eens wat meer moeten komen…”

Als ik een taxi was, maar dat bèn ik niet. Ik ben slechts de lopende teller waarvan het cijfer wordt betwist.

DE 12 TANDEN VAN DE GLIMLACH?

“WEES GENEGEN, LIEVE ERNST, EN GLIMLACH.”

1.
FAR LA BESTIA A DUE DOSSI?
“DIKWIJLS SPEELDEN ZE SAMEN HET BEEST MET DE TWEE RUGGEN, VROLIJK ELKANDERS SPEK WRIJVEND…”
(FRANçOIS RABELAIS)
2.
-”IK MAAK ME VAN KANT!”
-”DAT DOE IK WEL!”
3.
IN ZÜRICH KWAM EEN JONGEMAN OP JAMES JOYCE TOE MET DE EERBIEDIG GESTELDE VRAAG: “MAG IK DE HAND KUSSEN DIE ULYSSES HEEFT GESCHREVEN?” WAAROP JAMES WAT AFWEREND ANTWOORDDE: “NEE, WANT DIE HAND HEEFT NOG HEEL WAT ANDERE DINGEN GEDAAN.”
4.
KLEINDOCHTER NA HAAR BEZOEK AAN DE NACHTELIJKE WC:
-”GELUKKIG, OMI, ‘T IS ER ENE DIE NIET TEVEEEL VUILE SCHADUW MAAKT.”
5.
WIE IN Z’N EENTJE IS DIE HEEFT HET GOED,
OMDAT ER NIEMAND IS DIE HEM WAT DOET.
(WILHELM BUSH)
6.
HET ‘GODVORMIGE GAT IN ONZE ZIEL’?
PLATO!
7.
DREI-MÄNNER-WEIN IS ZO ZUUR, DAT HIJ SLECHTS DOOR 3 MANNEN KAN WORDEN GEDRONKEN: DE DRINKER DIE DOOR EEN TWEEDE GEFORCEERD WORDT VASTGEHOUDEN, TERWIJL DE 3DE DE WIJN IN ZIJN MOND GIET!
8.
FLAUBERT OVER LOUISE COLET:
“DE POT JAM WAARIN IK WEGZAK”.
9.
‘KLAARKOMEN IS HOE DAN OOK EEN OVERSCHATTE BEZIGHEID. EéN KEER PER SEIZOEN IS RUIM VOLDOENDE’.
ARNON GRÜNBERG IN EEN BRIEF AAN CEES NOOTEBOOM.
10.
‘MOGE GOD U GENADIG ZIJN. IK BEN HET NIET’.
DEZELFDE GRAPPIGE A.G. IN EEN BRIEF AAN GERARD REEVE.
11.
ROLAND BARTHES:
-”WERKEND IN MIJN BUITENHUISJE IS DIT DE LIJST VAN AFLEIDINGEN DIE IK OM DE VIJF MINUTEN VERZIN:
EEN VLIEG VERGASSEN, MIJN NAGELS KNIPPEN, EEN PRUIM OPETEN, GAAN PISSEN, NAGAAN OF HET WATER DAT UIT DE KRAAN KOMT
NOG ALTIJD MODDERIG IS, NAAR DE APOTHEEK GAAN, DE TUIN INLOPEN OM TE ZIEN HOEVEEL BLOEDPERZIKEN ER RIJP ZIJN AAN DE BOOM, DE RADIOGIDS DOORKIJKEN, EEN CONSTRUCTIE IN ELKAAR KNUTSELEN OM MIJN PAPERASSEN IN OP TE BERGEN, ENZOVOORT: IK SCHARREL.”
12.
TEGEN EEN COLLEGA-COMPONIST MAAKTE BEETHOVEN HET VOLGENDE COMPLIMENT:
“IK VOND UW OPERA ERG GOED. IK DENK EROVER HEM OP MUZIEK TE ZETTEN.”

ROSA RUGOSA

ROSA RUGOSA

Rosa Rugosa, mijn rimpelroos bloeit weer,
Rosa Rugosa, M.M. Grootendorst,
roodzaam, sub rosa, zij ‘t niet ongemoeid meer,
haar blij gebloei stuit mij tegen de borst.

Taai, te vertoornen, doch buigzaam van binnen,
Rosa Rugosa wacht weer rusteloos,
dikker van doornen, zij  ’t zachter van zinnen,
op het verlossende schot in haar broos.

Staat zonder blikken, doch niet zonder blozen,
water geweigerd, toch open te gaan.
Niemand te prikken, laat staan lief te kozen,
Rosa Rugosa, wat doe ik je aan.