De Poolse dichteres, Wislawa Szymborska, geboren op 2 februari 1923 en gestorven op 1 februari 2012, is goddank dus toch 89 mogen worden. In 1996 ontving ze de Nobelprijs voor Literatuur, en werd ze door de jury geheel terecht ‘de Mozart van de Poézie’ genoemd.
‘Mooi portret van een gerimpeld, fijnzinnig, bescheiden oud besje… zo hebben we ze graag!’ Met die boodschap kreeg ik dit gedichtenbundeltje van Szymborska op mijn verjaardag toegestuurd door mijn Zusje Intimusje, en wat was ik er blij mee. Er zat ook een hartveroverende DVD bij waarop je haar aan het woord kunt horen. En zo fascinerend.
Zo is het genoeg? Hoe mooi ook die titel: voor mij is het alleszins nog lang niet genoeg. Die vierhonderd wereldberoemde gedichten van haar, in 40 talen, vol met ‘de wijsheid van het niet weten’, ook die wil ik graag nog allemaal onder ogen krijgen. Dat wordt sowieso een boeiende zoektocht, al was dat gisteren in de bib nog niet echt een succes. Wislawa, waar ben je, en hoe zet ik dat grappige streepje door jouw letter L? Ik wil er allemaal achter komen, het is gelukkig nog niet te laat. Hieronder het gedicht ‘De spiegel’ dat als een drone over de verwoeste steden van Oekraïne zweeft, op zoek naar die éne nog héle spiegel?
Ja, ik herinner me die wand in onze verwoeste stad. Hij stak bijna zes verdiepingen omhoog. Op het vierde zat een spiegel, die spiegel, niet te geloven, was niet verbrijzeld, zat stevig vast.
Hij spiegelde niet meer iemands gelaat, noch iemands haren schikkende handen, geen enkele deur ertegenover, niets dat de naam verdient van ‘plaats’.
Het was net vakantie – een levende hemel die zich erin spiegelde, beweeglijke wolken in een wilde lucht, door glinsterende regens gewassen puinstof, vogels op de trek, sterren, zonsopgangen. En zo, als elk goed gemaakt voorwerp, werkte hij feilloos, met een professioneel gebrek aan verwondering.
°°°°°°°
AAN MIJN EIGEN GEDICHT
In het beste geval word je, gedicht van me, aandachtig gelezen, becommentarieerd en onthouden.
Tref je het minder, dan alleen gelezen.
De derde mogelijkheid is dat je weliswaar wordt geschreven maar even later in de prullenmand gegooid.
Je hebt nog een vierde uitweg tot je beschikking: je verdwijnt ongeschreven, tevreden mompelend in jezelf.
Vanmorgen wakker geworden, precies op hetzelfde uur als toen ik vijfentwintig jaar geleden uit mijn slaap werd gebeld met de boodschap: ‘Het gaat niet goed met uw moeder, het is best om zo vlug mogelijk naar het ziekenhuis te komen..’ Het woord dood werd niet uitgesproken, maar onderweg werd mijn ‘zielenzak’ alsmaar zwaarder, en voelde ik dat zij er niet meer was, onze begenadigde moeder. Ik ben toen in de trein al meteen aan haar doodsprentje begonnen. Om het op til zijnde verdriet nog even op afstand te houden?
Haar plotse nachtelijke dood in het ziekenhuis, een man & acht kinderen hebbend, maar niemand daarvan in de buurt om haar bij te staan tijdens dat fatale uur. Die bloedklonter die haar het leven benam, die twintig minuten durende reanimatie in haar dodelijke eentje.
En zo lag ze daar toen, ondraaglijk weerloos, de strijd verloren. Haar laatste wanhopige hap naar adem hing nog boven haar open gevallen mond, alsof bevangen door een dodelijke verbazing. En niks meer kunnen zeggen tegen ons. Vandaag, vijfentwintig jaar later, zijn zij & ik precies even oud, maar vanaf morgen zal ik alleen verder moeten met mijn zich schuldig voelende leeftijd. Vanaf morgen zal ik schaamtelijk ouder zijn dan zij ooit mocht worden.
Een paar nachten geleden noteerde ik uit het boek ‘Alptraum’ van Koos Van Zomeren (hetgeen blijkbaar misleidend ‘nachtmerrie’ betekent in het Duits): ‘Misschien komt het doordat ze hun naam behouden, dat we ons zo moeilijk kunnen voorstellen, dat de doden zich niet bewust zijn van hun dood.‘ En uitgerekend vandaag viel mijn geestesoog plots op een titel die mij uitermate fascineerde: ‘Het boek tegen de dood’, van Nobelprijswinnaar Elias Canetti. In meer dan tienduizend handgeschreven bladzijden geeft hij, zo te lezen, nauwgezet verslag van zijn streven om grip te krijgen op het ongrijpbare. ‘Lees, kind, lees!’
‘De dood was prominent aanwezig in Canetti’s leven. Toen hij zeven was, stierf zijn vader en hij heeft diens dood nooit willen accepteren. Als Jood tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft hij ook meer dan genoeg dood en verderf gezien. Hij heeft er een levenslange aversie aan overgehouden voor mensen die elkaar om wat voor reden dan ook doden: ‘Alsof het nog niet genoeg is dat mensen sterven, alsof ze elkaar een handje moeten helpen.’ Voilà. Enfin.
‘Prachtige observaties, verbeelding die hoge toppen scheert, indringende notities over de menselijke zucht naar onsterfelijkheid, over God en dood en dat die misschien één en hetzelfde zijn, over religie als een manier om ons in contact te stellen met de doden. Een weergaloze meditatie over de schaduwzijde van het leven’, zo lees ik in de bespreking ervan. Dat lijkt me dus echt wel een boek, waar ik aan toe ben, liefst meteen al vanaf morgen.
Liefste moeder, in elk woord dat ik zal lezen in ‘Het boek tegen de dood‘, zal ik jouw leven omarmen, maar weet, dat ik evenals Canetti al jaren lang ‘op zoek ben naar woorden om ze de dood in het gezicht te slingeren.‘ Echter, ik weet nu al, dat jij mij alsnog gerust zult stellen, want jouw vijfentwintigjarige dood, milde moeder, is zoveel meer dan ‘een korreltje niks’.
Vaarwel Oude Vertrouwde. Ik doe het nu met een nieuwe. Jij was te traag geworden, maar meer dan acht jaar ben je mijn trouwe bondgenoot geweest, mijn go-between tussen droom & daad. En ook al stonden er eveneens vaak wetten in de weg & praktische bezwaren, alsook weemoedigheid die niemand kon verklaren, je wist mijn wenken & mijn woorden hun recht te geven of, indien nodig, hen geduldig terecht te wijzen. Doch mijn actie & jouw reactie bleken niet langer compatibel, dus daar viel niet veel heil meer van te verwachten. Maar, oude weerspiegelende Lieverd, je bent me niettemin zeer dierbaar geweest.
De Nieuwerd echter stelde zich in eerste instantie uitermate ontoegankelijk op. Dat leidde onvermijdelijk -zo ben ik dan wel- tot belachelijk gedrag, te horen aan mijn jankerige kreten & te zien aan de uitgerukte haren rondom mijn vergulde toetsenbord. Elk woord dat ik op wilde schrijven raakte omsingeld door bemoeizuchtige kaders, wie zou niet jammeren als een karikatuur van zichzelf.
Goede Gezel vroeg zich wellicht af: wat was dat voor een schreeuw, wordt ze geëlektrocuteerd? Hij snelde toe als een éénmanse reddingsbrigade, maar het bleek gelukkig minder erg, voor hém dan toch. Hij wist het oerwoud van computerale inmenging aardig weg te snoeien, zodat ik eindelijk weer een weg zag doorheen al die overbodige mogelijkheden. Dit scenario heeft zich niettemin ettelijke malen herhaald, een perpetuüm mobile gelijk. Uitermate confronterend.
Hoe dan ook: Nieuwerd ziet er prachtig uit, ik heb hem Goudzoeker genoemd. Hij lijkt te mooi om waar te zijn, te mooi om die morsige zoektocht naar de juiste woorden met mij aan te gaan. Zijn honinggeel muteert vanzelf naar goud en wat een zonnige aanblik. Zeker nu er vandaag nogal wat grijs achter de ruiten hangt lijkt hij de werkelijkheid te overklassen als een fata morgana, en doet hij mij prevelen: heer ik ben niet waardig. Laat ik het niettemin toch maar proberen?
Er klotst voorlopig een zilveren zee over mijn bureaublad, met in de verte een horizonbrede zwarte rots, als een soort buffer tegen de ellende van de wereld daarachter, zo lijkt het wel, al is dat natuurlijk maar zinsbegoocheling, zoveel is zeker. Ik zal er allicht niet naartoe zwemmen: enige terughoudendheid zit mij in het bloed. Maar komaan, Goudzoeker, laat je niet tegenhouden door dit mens.
Het eerste bericht dat op Nieuwerd binnenliep was dat van een zeer nabije vriend, wiens oudste broer die namiddag gestorven was: ‘na het licht het donker in’. Daar heeft Goudzoeker zich meteen ten diepste over ontfermd. De vriend & zijn verdriet, de broer & zijn voorbije leven: daar kan geen enkel wachtwoord nog tegenop. Dit eerste overrompelende bericht maakte er meteen ontegensprekelijk een mij toegeëigende computer van. Opgestart, wit op zwart, na aan het hart.
– “Dag lieverds, wij blijven in Gent dit weekend, we zijn heel moe. We gaan morgen lekker eten maken en naar het Smak om onze 3 jaar samen te vieren..”
Aldus het sms-je van kleindochter Engelina, vanuit hun gezamenlijk kot in Gent. Een berichtje als een dansend ééndagsvliegje in de najaarszon. Ik werd er blij van, maar tevens ook wat weemoedig. Drie jaar alweer? Alsof ik er in een flits de film van mijn eigen leven in zag herhalen. Hoe dan ook, het sms-je ontroerde mij, zowel wat betreft het feestelijke ervan, als het immer, immer voortschrijdende.
En hoe wij meegesleurd worden in de tijd, tot wij er elke seconde van bewust zijn geworden dat het niet zal blijven duren. Dat wij niet bij machte zullen zijn om onze nakomelingen levenslang bij te staan. Dat wij vanaf (on-)zekere datum niet meer op de hoogte zullen zijn van hun reilen & zeilen. Want geen sms-jes meer.
Dus heeft, bij leven & welzijn, deze melige Omi-Pomi daar maar al te graag op geantwoord met haar zoekende wijsvinger, nu het nog volop kan: “Al drie jaar samen? Dat mag inderdaad worden gevierd! Geen wonder dat de zon zo uitbundig hangt te schijnen als een gouden slinger van verrukkelijk licht!” Leef, kind, leef!
En toen moest ik denken aan dat prachtige liedje van Robert Long: Weet je nog, Gent? Alsook aan het feit dat Long zelf ook al lang niet meer op de hoogte is van de-dag-van-vandaag, maar dat maakt zijn liedje juist nog zoveel mooier. Een liedje over vroeger, dat klinkt als een liedje voor later. Oktober weet er alles van.
Geachte blijf ik sowieso een gepaste aanspreking vinden, echter wat betreft de Afspraak van vrijdag 30 september laat ik voor deze keer de voornamen liever achterwege. Op politiek vlak voel ik mij eerder ongebonden, maar ik heb u tijdens die betreffende uitzending niettemin alle drie met stijgende ergernis aanhoord. Ik waande mij zowaar in een rechtszaal: daar zitten de rechters ook zo met z’n drieën naast elkaar, hoog boven de rooster der beklaagden.
Echter, deze keer leek het eerder een rooster te zijn van een heet geblakerde barbecue: hoe had u uw vlees graag gehad? Drie maal saignant, zoals bleek. En zo kreeg ik het dus ongevraagd eveneens op mijn bord: bloedend. Quasi rauw.
Vervolgens moest de hele CD&V, en vooral diens voorzitter, blijkbaar hoognodig onder de scanner, waarna de vermeende diagnose op uiterst gevoelloze wijze werd meegedeeld: “Ongeneeslijk, we dachten het al.” Meedogenloos unaniem.
Op zeker moment moest ik zelfs denken aan het Orakel van Delphi, waar de Pythia haar godsspraak pleegde te verkondigen op haar Drievoet. Doch hoe zangerig ook, het werd een onthoofdend betoog. Als een mes op de keel.
Beste hooggeachten, ik kan niet anders zeggen, dan dat mijn vrijdagavond zowat naar de knoppen was, en dat ik die ongenade van jullie tenenkrommend vond. Wat zeg ik: het leek wel alsof de Parketschavers van Caillebotte door mijn maag kropen. Toevallig ook met z’n drieën. De schilder echter had een veel effectievere aandacht voor de benadering van het onafwendbare ‘tegenlicht’.
Toegegeven, er schiet mij steeds frequenter iets in het verkeerde keelgat, en dat verwekt -sorry- onaangename geluiden. De leeftijd? Er vallen niettemin zowel op lijfelijk als op geestelijk vlak soms behoorlijk veel stekeligheden door te slikken: van glasscherpe stokbroodkorsten tot niets of niemand ontziende oordelen van quasi Jan & Alleman. Even stuitend als een gans die kunstmatig wordt gevoed.
Op sommige dagen begint dat al voor dag & dauw op de wekkerradio met ‘de krantencommentaren’, zeker als er weer eens iets gaande is in de Wetstraat. Ik ervaar ze vaak als regelrechte ‘stemmingmakerijen’ die me aan braakballen doen denken. En hoe ze vervolgens op onsmakelijke wijze uiteen worden gepeuterd, omdat wij er blijkbaar mordicus van op de hoogte moeten worden gebracht om ‘wiens overblijfselen’ het precies gaat. En vooral: waarom die domme prooi zich heeft laten pakken door de dus zoveel wijzere uilen-van-dienst & hun epigonen.
Zeker als het héle persoverzicht zich over diezélfde nog warme braakbal buigt: wie heeft de felste zaklamp of het beste vergrootglas op zak, wie weet het meest origineel of gevat uit de hoek te komen? Het lijkt soms wel een heuse wedstrijd slam-poézie, onder het meeslepende motto: je moet het maar kunnen?
Stront aan de knikker, zegt de pennelikker? Alleszins blijkbaar woorden genoeg ter beschikking om de stank ervan beschreven te krijgen, of de ruige roep te lanceren: “Stront, wie heeft je gescheten?” Eerlijk gezegd, ik hoef het niet te weten, dus weg ermee. Al krijg ik hem soms zo maar moeilijk doorgesjast.
Vooral het genadeloze ervan geeft mij een uiterst onaangenaam gevoel om de dag mee te beginnen. There is method in this madness? Ik hoor er het ergerlijke getik in van hijgende computers, een geluid dat mij zelfs voor de mooiste woorden sowieso al op de zenuwen werkt. Echter: zo weet ik tenminste ‘gefundeerd’ wat ik overal van moet denken? Ik ben Marie Huana, en dit waren mijn sowieso overbodige randcommentaren van donderdag 29 september.
Weg met de gezelligheden, weg met de sentimenten? Of hoog tijd voor – zoals ik in de Groene Amsterdammer lees – ‘een feestelijke fanfare van de provocerende definities van Ambrose Bierce, die nog steeds herkenbaar zijn’? Hij vocht tijdens de burgeroorlog voor de Noordelijken, raakte gewond en bleef zijn hele leven lang rondlopen met een kogel in zijn kop. Een mens zou van minder ‘duivels’ worden, zou je kunnen denken.
‘De 19de eeuwse Amerikaanse satiricus, schrijver, criticus, uitgever & journalist Ambrose Bierce werd geboren op 24 juni 1842 als tiende van dertien kinderen in een blokhut in de nederzetting Horse Cave in Ohio. Zijn ouders omschreef hij als ‘ongewassen wilden. Hij legde zich toe op de journalistiek en verwierf faam met zijn vilein geslepen & genadeloze pen. Op de vraag welke klassieke auteur bestudeerd moest worden als het ging om de opvoeding van kinderen antwoordde hij: ‘Bestudeer Herodus, mevrouw! Bestudeer Herodus!’
Samengevat: verontwaardiging was zijn motor, ‘nothing matters’ was zijn lijfspreuk, beschimping was zijn vak. Hij liet een oeuvre na van 5 miljoen woorden. Zijn meest bekende boek is ‘The Devil’s Dictionary’, een vademecum voor de cynicus, zoals het wordt aangeprezen, met daarin 1.851 duivelse lemma’s. Deze bijbel voor de cynicus, deze geruststelling voor de sarcast, kon eigenlijk uitsluitend vertaald worden door Bindervoet & Henkes. Aldus de achterflap.
De tijd lijkt me rijp om eens even een voortvluchtige blik te werpen in dat Duivelse Woordenboek van Bierce. Kwestie van ons te wapenen tegen de ongenadigheid van de tijd, of om ons alvast te ontdoen van onze overgevoeligheden? Hoe dan ook, deze stelling zou wel eens zijn meest rake kunnen zijn: ‘In elk menselijk hart huist een tijger, een varken, een ezel & een nachtegaal. Het verschil in karakter is het gevolg van hun ongelijke activiteit.’
AANHANKELIJK? ‘Volledig ingesteld dus op het lastigvallen van anderen. Het aanhankelijkste dier op aarde is een natte hond.’ Met andere woorden: ik schud mijn natte pels, tot verschrikking van.
AANGEHOUDEN? Op heterdaad betrapt zonder genoeg geld op zak om de politieman tevreden te stellen.
AFFECTIE? Voor de zedenleer, een gevoel; voor de artsenij, een ziekte.
BEROEMD? Er in het oog springend ellendig aan toe zijn.
KAT? Een zachte, onverwoestbare automaat die de natuur heeft verschaft om een schop te geven als er iets misloopt in huis.
MILLENNIUM? De periode van duizend jaar waarin het deksel dichtgeschroefd wordt, met alle moraalridders en fatsoensrakkers eronder.
OCEAAN? Een watermassa die ongeveer twee derde in beslag neemt van een wereld die gemaakt is voor de mens – die geen kieuwen heeft.
OPPERHUID? Het dunne velletje dat net buiten de huid en net binnen de viezigheid ligt.
PA? Een vader die door zijn vulgaire kinderen niet gerespecteerd wordt.
PERS? Een machtige vergrootmachine die met behulp van ‘wij’ in drukkersinkt het gepiep van een muis verandert in het gebrul van een redactionele leeuw aan wiens uitingen de natie (vermoedelijk) hangt met ingehouden adem.
PLEZIER? De minst verschrikkelijk vorm van neerslachtigheid.
POEZIE? Een expressievorm die aangetroffen wordt in het Land voorbij de Tijdschriften.
POLEMIEK? Een veldslag met spuug of inkt ter vervanging van de krenkende kanonskogel en de onachtzame bajonet.
PRESIDENTSCHAP? De ingevette big van het volksvermaak op het veld van de Amerikaanse politiek. In sommige, beschaafdere landen is het een spreekwoordelijke paling in een emmer snot.
PRIJS? Waarde, plus een redelijk bedrag voor de slijtage aan het geweten voor het vragen ervan.
REBEL? Een voorstander van nieuw wanbestuur, die er niet in geslaagd is dat te vestigen.
ROESTIG? Het zwaard van Vrouwe Justitia.
RUS? Iemand met een Kaukasische huid, een Mongoolse ziel en Tartaars vlees.
SPIJT? Dat schijnt ‘het bezinksel in de mok des levens’ te zijn.
STEM? Het instrument en het symbool van het vermogen der vrije burgers om zichzelf belachelijk te maken en van zijn land een puinhoop.
VOLHARDING? Bescheiden deugd waarbij de middelmaat een onbeduidend succesje haalt.
VOORGEVEL? Uitsteeksel op het menselijk gezicht dat begint tussen de ogen en negen van tien keer eindigt in andermans zaken.
Mijn god, met welke jurk krijg ik heden ten dage het zwetende lijf nog enigszins gefatsoeneerd? Want lap, te krap, de ene jurk na de andere. Buik heeft z’n huik blijkbaar naar de wind gehangen: eet, kind, eet, Hoogstraatse aardbeien zijn een feest, daar moet slagroom bij. En koffie-met-blote-kont, daar houden wij niet van.
Afspraken maken om elkaar nog eens te zien? De voorgestelde data jagen elkaar als verhitte mobilhomes achterna naar nergens & overal. De hamvraag ‘zal het weer niet te broeierig worden voor zo’n zitgatterig bijbabbelgebeuren’ is de maat der dingen geworden. Toch niet binnenskamers bij de ventilator zeg.
De verandadeuren al dan niet laten openstaan? Ook dat blijkt deze zomer niet echt een optie. Sinds Kattekop er niet meer is, raakte de focus verlegd naar het lokken van vogels en strooi ik daartoe ruimhartig granen in het rond. Daar zijn vinnige veldmuisjes aan ontsproten, en die wil ik liever niet binnen krijgen.
Groen wat hou ik van je groen, groen de wind en groen de takken? Dankuwel, Garcia Lorca, maar men spreekt reeds van een vervroegde herfst. De bomen krijgen de regenwolken niet meer aan hun kruin geregen, de varens smeken om genade, en het slakkenvolk aast radeloos op stukjes komkommer of watermeloen. Ik doe mijn best, maar veel goede punten krijg ik daar niet voor.
En conditio sine qua non: moeten we vroeger dan ooit deze zomer een gordel van kruidnagels aangespen, ter afschrikking van de wespen? Men noemt ze picknickterroristen, en ze worden dood geslagen waar je bij zit, terwijl ze al honderd miljoen jaar langer op aarde vertoeven dan de bijen. Bovendien zijn ze veel slimmer & net zo onmisbaar voor het evenwicht op aarde. Niks aan te doen.
Een gemiddelde wespennest vangt zo’n 5.000 kilogram insecten per jaar, om hun larven mee te voeden. Die scheiden op hun beurt een zoetstof af, waaraan de wespen zich te goed doen. Vanaf augustus zijn er minder larven, dus minder zoetstof, en gaan de wespen op zoek naar andere zoetigheden. Dus zet ik een bordje met confituur in een verloren hoekje, en daar zitten ze tot het donker wordt geobsedeerd bovenop. Ik ga er op mijn beurt gefascineerd boven hangen.
Elk voorjaar moet ik op de naaikamer een wespenkoningin uit de gordijnen bevrijden, op weg naar buiten. Altijd even een zenuwmomentje, zowel voor mij als voor haar, maar er is de vaste belofte: we gaan elkander geen pijn doen, hé.
Maar gelukkig zijn er op tijd & stond wat wolken, die de Koperen Ploert een beetje proberen te temperen, of een zomerzusje dat verjaart tot in al mijn vezels. Alsook de koffiezolder van boekhandel De Zondvloed, alwaar ik meteen gecharmeerd raakte van ‘Het hart van de schorpioen’ alias dat van Paul Claes. Om een paar dagen later met veel vreugde zijn ‘Glimpen’ en zijn ‘Honderd notities van een alleslezer’ te mogen ontlenen aan de zegeningen van de bib.
Om maar niet te moeten spreken over al die festivals, al dat gesport & gespartel, alsook dat eeuwig gekampioen: het zou zonder niet echt zomer zijn, naar ’t schijnt? Dan toch liever die lekkere geuren, die uit de omringende tuinen opstijgen, ook al roepen ze de bedenking op, dat de buren wellicht lekkerder gaan eten dan wij. Lag er niet nog zo’n lekkere coeur de boeuf in de koelkast?
Hoogzomer dus, maar waarlijk niets nog zonder voorbehoud. De soep wordt zuur waar je bij staat. Ik die mij bovendien sprakeloos heb gemeld aan wie ik graag woordgetrouw had willen blijven, waardoor het hart thans kriebelend overwoekerd wordt, als door een horde mieren op een schijf watermeloen, die voor de slakken was bedoeld. Zodat er alleen nog maar een rozig verdroogd vel van overblijft. Daar komen zelfs in de vuilbak geen fruitvliegjes meer op af.
Kortom, noch het lijf noch de ziel weten blijf met zichzelf in deze ploertige dagen vol bedreigend wereldnieuws & dito droogte. Met de glimmende neus op de klamme feiten, een hart van melkchocolade in de lamslagende hitte, en met het bloed hoewel verdund als vloeibaar lood in de aderen. Amai, zucht de hangmat.
But thank heaven, there’s always music in the air? Voor zowel de sprakelozen als voor de niet meer aangesprokenen, bijvoorbeeld uit Mozart’s Cosi fan Tutte: ‘Suave sia il vento, moge de winden zacht zijn & de golven rustig, en moge elk element ingaan op onze wensen…’ En voilà, we zijn al weer vertrokken.
Het geloof waar ik het meest van hou, zei God, is de hoop. En ook de componist Brahms noemde de hoop een hemelse gave. Van alle gewaarwordingen blijkt de hoop het meest tot de verbeelding te spreken, tot & met in de gedachtengangen van de Groten der Aarde. En zoals bij alle boeiende stellingen valt vast te stellen: zowel in uiterst bejubelende, als in de volkomen tegenstelde zin daarvan.
Neem nu Nietzsche: ‘De hoop is het kwaadste der kwaadste, omdat zij de marteling verlengt.’ Leve de verschillen? Volgens Goethe is de hoop de tweede ziel van de ongelukkigen. Daaruit zou kunnen blijken dat zij de eerstgeborene tweelingzus is van de wanhoop, onafscheidelijk met elkaar verbonden dus.
Wie in hoop leeft, danst zonder muziek, of komt om van de honger? Seneca wist het al: hoop niet zonder wanhoop, wanhoop niet zonder hoop. De ene opent de deur naar het verlangen, de andere sluit al dan niet teleurgesteld de rangen. Hopen op het beste dan maar? Tenminste, zolang Dante ons weer niet naar de hel voert, met zijn ruige roep:’Laat alle hoop varen, gij die hier binnentreedt!’
Maar natuurlijk is ze blind. De hoop zou zichzelf ontheffen, mocht ze kunnen zien. De gesprongen snaren op haar instrument kunnen sowieso geen klanken voortbrengen, eenmaal heimelijk bespeeld door haar zus wanhoop. Hoop bedient zich per definitie van het ongrijpbare, het onhoorbare & het nog niet ingevulde. Precies zoals Emily Dickinson dat zo treffend wist te beschrijven.
Maar dingen met pluimen & veren zijn kwetsbaar, kunnen uit de lucht worden geschoten, kunnen lam worden geslagen & levend worden kaal geplukt, kunnen zich te pletter vliegen tegen blinde muren of tegen verraderlijk weerspiegelende ruiten. Verder is de hoop er nogal melig aan toe, wat afbeeldingen betreft: vuurtorens, open deuren & lichtstralen, handen vol keien, al dan niet in hartvorm, waar in sierlijke letters hoop op staat geschreven. Openbarstende stenen, broze plantjes en natuurlijk, duizend keer alom Banksy’s ballonmeisje bij dageraad.
In het Rijk van de Hoop is het nooit winter: laat dat toevallig een -inmiddels vergeten?- Russisch spreekwoord zijn. Hoop kan dus ook behoorlijk vals zijn. Echter, ook daar heeft één of andere vernufteling alweer iets op gevonden, dat tot nadenken stemt? ‘Without False hope there would be no hope at all.’
En dit zou een klein ijdel hoopje van mezelf kunnen zijn: zo’n gevederde vondeling die op mijn hand komt zitten, zoals in de film Penguin Bloom.
Er is hoop, die maar al te goed weet, dat ze niet meer is dan een ijdele droom, die heimelijk Hoop’s mooiste jurk heeft aangetrokken. Maar ook al zou volgens Gerrit Achterberg ‘de hoop een krijtwit kind zijn, dat lacht tegen de rover, die het slacht’, de Perzische dichter Ganjavi raadt ons aan om ‘nooit zonder hoop te zijn, want kristallen regen valt uit zwarte wolken.’ En volgens het Duits humoristisch weekblad Fliegende blätter warmt de jeugd zich aan de zon van de hoop, zoals de ouderdom dat op haar beurt doet aan de gloeiende kachel der herinnering.
Maar er is ook nog een hoop van een heel andere orde, zoals bijvoorbeeld die van de woordzuiger Gerrit Komrij, die immer vreemde eend in de bijt, en ook al is hij voor vrouwen vaak zuur te pruimen, het blijft sowieso gniffelen geblazen: ‘Alle vondsten in de wetenschap & de kunst zijn ontstaan op een halve meter van een hoop stront’. Of zou dat misschien ook onder de noemer vallen van ijdele hoop?
Echter, moge de hoop dezer dagen niet onderhevig worden aan een burn-out, nu de hele wereld aan haar mouw trekt, indachtig die rake gedachtegang van Ambrose Bierce: ‘Religie is een dochter van Hoop & Vrees, die aan Onwetendheid de aard van het Onkenbare uitlegt.’ Vader Vrees blijft zijn dochter Religie dwangmatig de pas afsnijden, tot schrijnend verdriet van Moeder Hoop?
De Franse priester Abbé Pierre zegt wellicht terecht: ‘Hoop is geloven dat het leven zin heeft’, want daar valt inderdaad heel wat voor te zeggen. Graag echter geef ik bij deze het laatste woord aan de Joods-Amerikaanse schrijver Elie Wiesel, die verschillende boeken schreef over zijn ervaringen in de Holocaust, en die in 1986 terecht de Nobelprijs voor de vrede heeft gekregen: ‘Hoop is een geschenk dat wij alleen aan elkaar kunnen geven’. O rationeel schepsel dat eeuwig leven verlangt, als dàt geen ultieme gedachte is om te koesteren?
Ook al zou hij begonnen zijn met een lachend spiegelei, de langste dag heeft er moeite mee. De 21ste juni lijkt er weinig of geen aandacht aan te besteden. Hoe uitbundig de liguster ook bloeit, hij houdt z’n bedwelmende geur binnen z’n bloesempjes. En waar blijft Koning Oberon’s magische mist? De sombere berichtenstroom van kommer & kwel hangt als een grijze hemel boven de dag.
En die fantasierijke midzomernachtsdroom krijgt het al helemaal zwaar te verduren. De romantiek ervan laat zich -sowieso?- niet meer voelen. De kleermaker Robin Starveling hoeft voor mij dus geen jurk van maneschijn meer te maken, als ware ik Helena die treurt om de liefdesweigering van Demetrios.
Een magische bloem, waarvan het sap verliefdheid kan opwekken, als het in de ogen wordt gedruppeld? Dat mag niet meer verkocht worden, zei de apotheker, het blijkt schadelijk te zijn. Zo spijtig, zo helder & zo blauw, je kreeg er rust van in de ogen & grote pupillen. Geen sprake dus van koningin Titania, noch van haar tot de verbeelding sprekende dienaars Peasblossom, Cobweb, Mustardseed en Moth. Laat staan van één of andere Demetrios, die een andere kant op kijkt.
Maar kom. Dan sta je daar in de boekhandel plots met de verzamelde Essays van Michel De Montaigne in je handen, zo lekker dik & compact als een gebakerde baby of een ronkende kattebundel, kortom: hunkerend naar omhelzing. Elke zin die ik er bladspiegelend in las bleek meteen een verrukking voor het geestesoog. De bankkaart kon er alleen maar om juichen. Of om het op z’n Montaigne’s te zeggen: ‘Een mens moet op zijn eigen kosten wijs worden’.
‘De essays, uitgekomen in een prachtige vertaling van Hans van Pinxteren, zou in elk hotel in het nachtkastje moeten liggen naast de bijbel. Het is het boek der boeken van de moderniteit. Met de essays begon de bevrijding uit een tranendal van dogma’s.’ Aldus Vrij Nederland. ‘Over het gebruik kleren te dragen. Over paarden in de oorlog. Over leugens. Over kannibalen. Over… Over… Over..
Dus waar zou ik die crazy midzomernachtsdroom nog voor nodig hebben, of dat elfensap van die magische bloem? Waarom zou de smachtende Helena in mij nog treuren om de liefdesweigering van de onbereikbare Demetrios, ook al staat zijn naam in de balken van mijn houten plafond gekrast, ter ingebeelde vervanging van de verdwenen midzomernachtsdroom? Nutteloze vraagtekens?
Zo blijft de langste dag hoe dan ook tot mijn verbeelding spreken, omwille van die magische kanteling, en het kortstondige daarvan. Slechts één dag in het jaar is zo fascinerend lang, slechts één nacht zo ondraaglijk kort om er alsnog even van te dromen: ‘Omdat hij het is, omdat ik het ben’. Je neus zou van minder gaan bloeden. Alsook het hart: ‘Je veux que la mort me trouve plantant mes choux’?
Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet? Het moet gezegd, een spiegel is een fascinerend ding: een glasplaat met een zilverlaag, en voilà, je ziet jezelf. Echter, je zult Gustav Flaubert maar horen zeggen: ‘Als het gezicht de spiegel is van de ziel, dan zijn er dus mensen die een heel lelijke ziel hebben’. Alsof onze eigen bedenkingen somtijds al niet snerend genoeg zouden zijn, wat dat betreft.
Je hoeft daarvoor niet meer boven een stilstaand water te gaan hangen, of op de reflectie te rekenen van alles weerspiegelende ruiten. Die zijn per slot van rekening lang niet altijd zo blinkend gezeemd als op dit mysterieuze schilderij van de surrealistische Britse schilder Mike Worrall, ‘chasing the reflection.’
De gepolijste glasachtige vulkaanstenen waarin de mens zich aanvankelijk probeerde te spiegelen, alsook de platgeslagen schijven van brons of koper tot hoogglans gepolijst, waarmee de Egyptenaren zich probeerden te behelpen, liggen inmiddels dus ver achter ons. Niets zo blinkend als onze hedendaagse zilverspiegels, eenmaal de tandpastaspatjes er weer van af zijn geveegd. Of is uw spiegel ook niet meer zo mooi als 25 jaar geleden, zoals de Nederlandse schrijver Kadé Bruin zich afvraagt? De spiegels spelen met onze onzekerheden.
‘Zolang de zon gaat langs de lichtwarande zullen er dagen zijn van vrees en schande. Wie reinheid zoekt zal angst en kommer vinden, de spiegelslijper zelf heeft zwarte handen’.
J.H.Leopold
Maar die spiegels, zo blijkt, verzilveren hun eigen leugens: ze tonen je de omgekeerde versie van de werkelijkheid. Daarom vinden wij ons spiegelbeeld altijd mooier dan de foto’s van onszelf, omdat we dat omgekeerde beeld nu eenmaal gewend zijn te zien. Foto’s tonen hoe wij er werkelijk uitzien. De Snapchat-camera maakt foto’s in spiegelbeeld, en die zul je dus mooier vinden.
Wanneer je nooit meer een dwaas wilt zien, sla dan om te beginnen uw spiegel stuk? Echter, dan krijgen we meteen weer een ander probleem: een gebroken spiegel staat garant voor zeven jaar ongeluk. Dat heeft dan weer met de ziel te maken, die daardoor zogezegd beschadigd zou geraken. In de Victoriaanse traditie werden spiegels dan weer bedekt wanneer iemand gestorven was, opdat zijn ziel niet zou blijven vastzitten in de spiegel. De ziel moet kunnen fladderen?
Doch de Italiaanse schrijver Gesuardo Bufalino vraagt zich daarentegen af: ‘Waarom zou men niet geloven dat een spiegel de beelden behoudt die hij heeft gereflecteerd, wanneer het licht van een uitgestorven ster ons nog steeds bereikt?’ Dat doet me denken aan de spiegels van vroeger, waarin ik het naar zichzelf aankijkend gelaat van mijn moeder dus tot lang na haar dood nog zou kunnen blijven zien. Dat zou mij wel aanstaan. En graag ook dan dat van mijn vader, zoals hij zich altijd bekkentrekkend stond te scheren. Zo sterk zichzelf.
Lach, spiegel, lach, want ook daar ben je voor gemaakt. ‘Ik wil best een oude man ontmoeten’ zei cabaretier Fons Jansen, ‘als het maar niet in de spiegel is van mijn kapper.’ De kindertijd is de levensfase waarin je gekke bekken trekt in de spiegel, en de middelbare leeftijd is de levensfase waarin de spiegel wraak neemt? Als je ouder wordt hoef je zelf geen bekken meer te trekken, dat doet de spiegel dan wel op eigen houtje. Alleen op foto’s is het sowieso nog erger?
Want er wordt je wat voor gehouden, op de meest onbewaakt momenten, en niet alleen in spiegelpaleizen. Dus zoals Mark Twain dat stelt: wanneer een vrouw dikwijls in de spiegel kijkt, is ze misschien niet ijdel, doch alleen maar dapper. Sowieso een interessante visie op een onmiskenbaar dubieuze werkelijkheid.
De spiegel van de ziel echter bedient zich van glas noch zilverlaag. De Britse schrijfster Jeanette Winterson wist dat aardig te verwoorden: ‘Toen ik verliefd werd, was het alsof ik voor het eerst in een spiegel keek en mijzelf zag.’ Dan toch dus, waar dat vermaledijde verliefd worden al niet goed voor is. Of is ook dàt uiteindelijk een omgekeerde versie van de werkelijkheid? Hoe dan ook, de spiegelslijper wast zijn handen in onschuld, hij heeft er part noch deel aan.
Mmmm… taart… Daar hoort sowieso een lekker kopje koffie bij?
Niet voor deze Mona Lisa in haar kogelwerende glazen behuizing. De heerlijke slagroom maakt alleen maar wat witte vegen op haar kleine ‘kamer met uitzicht’. Ze hoeft echter nooit verder te kijken dan haar neus lang is: er is alleen maar dat eeuwige uitzicht op een drukke schare mensen met omhoog gestoken gsm’s, goed voor een ultieme foto met-eigen-mobieltje gezien. Maar wat riep die plotse taartgooier ook alweer: “Sommige mensen proberen de aarde te vernietigen! Let op de aarde!” Of bedoelde hij misschien: let op de ‘waarde’? Van de aarde..?
Echter, wat een verrassend klein schilderijtje is die Mona Lisa: amper 77 cm op 53. Geschilderd met olieverf op een paneel van populierenhout. Dagelijks passeren er zo’n slordige 30.000 bezoekers die zich er rond staan te verdringen. Laat staan dus dat je het ooit fatsoenlijk zou kunnen bekijken. Je voelt je al gauw niet meer geroepen om je door die massa heen te gaan wringen, integendeel, er gaat een welhaast lachwekkende gewaarwording van uit. Wélke geheimzinnige glimlach? Heb ik die niet al duizend keer (al-dan-niet) gezien?
En lacht ze nu of lacht ze niet? Ze vertoont in ieder geval niet die zogenaamde ‘twaalf tanden van de glimlach’ dus ze zal er alvast geen lachrimpels aan overhouden. En ook die duizende verfkrakjes kunnen eveneens niet door haar onbeweeglijke zelf zijn veroorzaakt. Niettemin blijkt menige man ooit bloemen & gedichten voor haar te hebben neergelegd. Ze heeft daar trouwens nog altijd haar eigen brievenbus voor de liefdesbrieven die haar worden toegeschreven.
Maar zelfs een schilderijvrouw wordt eveneens voortdurend belaagd: is het niet met zuur, of met stenen, dan is er wel weer een boze Russin die er haar theekopje tegenaan gooit omdat ze de Franse nationaliteit niet heeft verkregen. Echter, nog frappanter: ze is zelfs gestolen geweest door de Italiaanse museum-mederwerker Vincenzo Peruggia, omdat hij vond dat de Mona Lisa thuishoorde in Italië, alwaar ze volgens hem in het Uffizi van Florence zou komen te hangen.
Er werd twee jaar lang zwaar gerouwd in het Louvre om Lisa’s aanwezige afwezigheid, het lag er eens te meer vol bloemen onder haar nagelaten leegte.
Maar zoals is gebleken: ze keerde weer, na een bedenkelijk verblijf van twee jaar onder Peruggia’s bed, of was het onder zijn fornuis? Echter, toen hij de opgerolde Mona Lisa ten berde bracht bij een Italiaanse kunsthandelaar kwam hij ermee in de problemen, en werd er toch zwaar getwijfeld aan zijn -nobele?- bedoelingen.
Mona kreeg meteen haar eigen geklimatiseerde kamer in het Louvre, met daarin niet een glazen kist zoals Sneeuwwitje, maar wel als het ware een kogelwerende glazen kooi. Zodat iedereen zich weer met een gerust hart kon afvragen: waar zijn haar wimpers & haar wenkbrouwen? Per ongeluk weggevaagd tijdens een restauratie, of is het schilderij niet helemaal afgeraakt omdat Da Vinci een gedeeltelijke verlamming kreeg in zijn rechterhand, toen hij er aan bezig was?
Haar wimpers & wenkbrouwen blijken uiteindelijk gewoon vervaagd door de tijd die er overheen is gegaan. En dat zal de tijd allicht blijven doen, net zoals over ons allemaal. Tot we voorgoed verstopt worden onder zijn bed van voorbijheid, om nooit meer te worden terug gevonden. Er is tenslotte maar één Mona Lisa.