DICHTER BIJ DICHTER ERWIN STEYAERT

Blijf verwonderd?
Zomaar op een dag stond ik ineens
-en inderdaad als bij wonder-
met die witte dichtbundel van hem in mijn handen
.

Maar deze keer ben ik alleszins niet van een kale reis thuis gekomen.
Ik-zoek-niet-ik-vind, zelfs dàt niet: zijn bundel vond mij en zuchtte:
‘Eindelijk..’

Op zoek naar de verloren tijd had op slag geen zin meer,
want die heb ik inmiddels moeite- & ademloos weten in te halen
door zijn -inmiddels geacht te zijn bewezen ‘onvolprezen’-
verzen te lezen.

Wat ze niet wil

Ik wil geen dichter, zegt ze.
Geen vent die op zijn tenen
het bed uit sluipt
om met de taal te paren.

Ik wil een man die de kou te lijf gaat
met zijn blote handen.
In wie de zomer opgaat als een zon
en die wortelt in het najaar

als een eik met brede takken.
Ik wil een man
die naar de poolnacht reist
op een hengst van licht

en bij zijn thuiskomst het donker
aan mijn voeten legt.

°°°°°°°°°°


Eérst Napels zien en dan sterven, versus éérst Steyaert lezen en dan blind worden?
Waarom hangen zijn prachtige verzen niet als wapperende vanen in de bomen? Nooit nog vergeet ik zijn dichterlijke naam, want niet alleen voor wie hij lief heeft zal hij heten, maar volgens mij ook voor iédereen die hem te lezen krijgt.

De plek

De wind richt de wand op.
Uit de wolken regent het dak.
De verte vordert het raam.
Binnen en buiten betwisten de deur.

De drempel beslist over vreemde
en gast. De tak warmt met vuur
de plek waar het lichaam
zich voedt en ontlast.

Hier wonen we, doorzichtig
als licht bij dag. We kijken door muren
als door glas. We spreken
in klare, sobere taal:

bed voor bed, brood voor brood.
De rest heeft de klank van lucht:
het hijgen in mijn oor wanneer ze komt,
de adem van ons kind terwijl het slaapt.

Alles krijgen hand en blik gezegd.
Het is hier stil. Zo stil
dat je de damp van de koffie hoort
stijgen langs de trap.

Wat op de binnenflap van zijn bundel te lezen staat is dus zowel ongewoon sprankelend als buitengewoon waar: ‘Een man duizelt zich naar boven en mislukt in onweer en hagel, het blauw donkert op uit het wit van de zon. De vader, de zoon, de vrouw, de moeder: in een teer universum dragen lichamen hun verhaal en zoeken ze als de voering van een jas verbinding. Niet om te doorgronden: om de kleine dingen als zand op de top van een vinger te leggen en de adem in te houden’.

Stond daar onlangs op een morgen in de Standaard der letteren die quasi nietszeggende ‘verzuchting’ van Brusselmans’ vaderlijk leven, full-page afgedrukt op een verder totaal lege bladzijde. In een poging om ons gemoed een gevleugeld weekend te bezorgen? Het kon hoogstens dienen voor boekhandel De Zondvloed, om er boeken (is het voor een geschenk?) mee in te pakken op zogenaamd ‘vindingrijke’ wijze. Kortom: alle verhoudingen waren -weer maar eens- zoek en/of ziek.

TER INFO

ERWIN STEYAERT (Brugge, 1959), licentiaat Klassieke Filologie en Filosofie (Gent/Leuven), publiceerde o.a. in Poëziekrant en Het Liegend Konijn en wond diverse poëzieprijzen zoals die van Oostende en Harelbeke, de poëzieprijs Gerolfwal, de Guido Wulmsprijs van de stad Sint-Truiden en de Melopee Poëzieprijs.

Als lid van de dichtersgroep PAZZI DI PAROLE werkte hij mee aan de ‘stilte’-bloemlezing ‘EEN KIER IN HET RUMOER’ (Uitgeverij P, 2015). ALLEEN VAN KALE REIZEN KOM JE THUIS is zijn debuut.

Pazzi di Parole( woordgekken?) is een dichtersgroep met vier leden en een gezamenlijk doel: toegankelijke poëzie schrijven en verspreiden. De Pazzi komen regelmatig samen om gedichten te maken en elkaar feedback te geven. Ze komen ook met hun werk naar buiten: samen en apart, op podium en op papier. Alle Pazzi staan met beide voeten in de realiteit, en dat sijpelt regelmatig door in hun poëzie en hun engagementen. Wie hun verhaal wil volgen kan een kijkje nemen op pazzidiparole.com. Pazzi di Parole zijn Daniel Billiet, Erwin Steyaert, Hilde Van Cauteren & Ann Van Dessel.

DE LIEFSTE WENS?

Geachte dieren,

Koester geen wensen en helemaal geen liefste. Als ze in vervulling gaan, zijn het geen wensen meer en worden het onvrede, onrust en onbehagen. Echte wensen gaan niet in vervulling. Ze knagen, doen pijn, trekken veren uit, ontvellen, schuren en worden nooit vervuld. Ik kan het weten.

De uil legde zijn pen neer. Waarom kan ik het eigenlijk weten? dacht hij.
Toch wist hij dat het zo was. Hij had talloze wensen gehad, waaronder ook uitzonderlijke en liefste. Een aantal was in vervulling gegaan. Maar de pijn die hij had gevoeld was nooit minder geworden en zijn verwachtingen waren elke keer opnieuw veranderd in onvrede, onrust en onbehagen. Zou dat altijd zo zijn, dacht hij, voor iedereen? Ja, dacht hij, voor iedereen. Hij schreef verder:

Ik heb geen wensen meer. Jullie moeten ze ook niet meer hebben. Dat hoop ik vurig. Opnieuw legde hij z’n pen neer.

En wat is dàt dan, dacht hij, die vurige hoop? Is dat geen wens? Hij raakte in een hevige tweestrijd en midden in de nacht vloog hij naar buiten en zweefde hoog boven het bos in cirkels rond. Onder hem sliepen de dieren, dat wist hij. Het was daar stil. Boven hem flonkerden de sterren. Niets wensen, dacht hij, dat is het moeilijkste wat er is. Hij wist dat hij dat niet kon. Toen de zon opkwam vloog hij terug naar huis en verscheurde de brief.

TOON TELLEGEN

DE TELLURISCHE KRACHTEN VAN TOON TELLEGEN

Of hoe hij in alle Toon-aarden op hemelse wijze verbonden blijft met de aarde, waarop hij goddank één der onzen is. Als een absolute One & Only. Elk liedje dat hij zingt is van een verrassende Toon-zuiverheid.

Wie op zijn Toon-ladder klimt hoeft niet bang te zijn voor hoogtevrees. Al vanop de onderste spurt vertoef je in zijn bovenwolkse wereld. En het lijkt wel alsof de Nederlandse schilder/schrijver Jacobus van Looy honderd jaar geleden al over hem schreef: ‘Alles scheen Toon-iger nog onder de gouden manteltjes der vlammen..’

Elk woord van Toon Tellegen draagt inderdaad zo’n vlammend manteltje. Voor mijn part mocht hij de Schepper zijn geweest van de wereld. Geen god, geen appel & geen slang. Zijn boom van goed & kwaad hangt vol onverboden vruchten.

Ik hoor alle boekhandels & bibliotheken onophoudelijk fluisteren: ‘Blijf goed op uw Telle(ge)n passen en zijn tellurische krachten zullen u nooit meer verlaten.’

Zijn initialen-tweeling T.T lijkt zowaar op een soort Arc de Triomphe. Toonaangevend & volkomen terecht.

°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°

DE SCHRIJVER DIE STEEDS MEER OP DE EGEL GAAT LIJKEN

Schrijver en dichter Toon Tellegen is vooral beroemd om zijn verhalen met dieren. De avonturen van de eekhoorn of de mier. De afgelopen tien jaar vereenzelvigt hij zich steeds meer met de egel, vertelt hij aan FRITS SPITS in DE TAALSTAAT, KRO/NCRV OP RADIO 1

Hoewel hij het naar eigen zeggen probeert te vermijden, heeft Tellegen de laatste tijd steeds meer sympathie voor de egel gekregen. “Hij woont in een huisje en zit daar te tobben, maar is eigenlijk best tevreden.” De egel wil eigenlijk wél bezoek krijgen, maar eigenlijk ook liever niet. “Niets maakt hem tevredener dan met één iemand een kopje thee te drinken en dat die dan ook weer weggaat.”

NIEMAND HEEFT DE MACHT

Tellegen creëert in boeken zoals De eenzaamheid van de egel uit 2006 een wereld waarin ieder dier even groot is. “Het is een hele duidelijke wereld. Ze leven naast elkaar, geen hiërarchie en niemand heeft de macht.” Hij vindt het gemakkelijker om over dieren te schrijven dan over mensen, hoewel de dieren menselijke eigenschappen hebben. “Aan de eekhoorn hoef ik niets toe te voegen. Ik hoef niet uit te leggen hoe hij verschilt van de andere dieren.” Van elk dier in de verhalen van Tellegen, is er daarom ook maar ééntje.

IMPROVISATIES ZOALS JAZZMUZIEK

De bijna tachtigjarige Tellegen, die naast schrijver ook arts is, begon met het vertellen van dierenverhalen aan zijn dochter. Hij verzon ze ter plekke, op de bedrand. “Zij koos het onderwerp en zij koos de eekhoorn.” Tellegen noemt zijn schrijfsels ‘improvisaties’ en kan zich wel in de vergelijking met jazzmuziek vinden, waarbij je ook vaak improvisaties hoort op een thema. In 1984 verscheen zijn eerste kinderboek maar hij schrijft ook poëzie en proza voor volwassenen. Hij won verschillende prijzen. Zijn verhalen zijn vaak filosofisch, maar dat is niet vooropgezet, aldus Tellegen. “Daar denk ik niet over na, maar als dat zo is, dan is dat een aardig gevolg.”

BRIEVEN VAN STEEN

De fascinerende betekenis ervan
ontdekt in de Japanse film ‘Departures’.

Ze liggen er nooit zomaar voor het oprapen,
ze moeten zorgvuldig worden gezocht,
en verrukking opwekken bij het vinden:
jaren lang geschuurd & bijgeschaafd
door een blauwe rivier in de Haute-Provence.

Weggerold uit de tijd toen de mensen
nog niet konden lezen & schrijven,
maar omdat ze niet woordeloos wilden blijven:
naar stenen gezocht die ervoor gemaakt leken
om in iemands handpalmen te worden gelegd.

Geen nood aan woorden, aan pen of papier,
alleen maar dat uiterst intieme gebaar,
ik leg het zachtste van mijn ziel in uw handen:
het ‘onuitsprekelijke’ dat maar alleen
gezegd kan worden in een ‘brief van steen’.

OP ZOEK

Op scherp, de katapult,
in zelvigheid gehuld?
Aldus, heeft men besloten
‘terecht teruggefloten’.

Die kerf in het gemoed,
wekt Trivial Persuit?
In eigen wiek geschoten,
veel hartebloed vergoten
.

Die huiken naar de wind,
men zoekt niet maar men vindt?
In wezen onverdroten
op zoek naar zielsgenoten.

Hun gaven opgesomd,
hun licht dat binnenkomt?
Om ’t samen, vastbesloten,
iets minder te verkloten.

HOOG OPWAAIENDE ZOMERJURKEN?

Ein-de-lijk is daar die zomer, en zowaar geen dag te vroeg?
Maar god, wat een binnenkomer, geen jurk nog luchtig genoeg.

’t Lengend licht al haast verkorven, hitte, gisting, brandewijn:
al ben ik nog niet gestorven, ‘laat de luiken geloken zijn‘.

Glimwormpjes durven niet gloeien, tortelvleugels vatten vuur,
de liguster kan niet bloeien in zo’n droogte-dictatuur.

Zelfs de gaatjes in mijn oren zijn verkleefd of dichtgegroeid,
Flikketeer, het ochtendgloren laat jou, goddank, ongemoeid.

Sorry, nachtelijke schapen, voor die nummers op je vacht,
’t blijft bij geeuwen & bij gapen, ’t wordt een slapeloze nacht.

Taal & tekens die verzuren, in de wereldwijde mond,
heet de adem, heet de vuren, niet te doven lang, de lont.

Sinds de winter is vergangen zoek ik naar Teer Guichelheil?
Stuit in godsnaam elk verlangen naar ’t geweld van Amor’s pijl
.

Doch besteld op hoop van zegen in dit hete hier & nu,
voor die kwikzilveren regen: deze gouden paraplu!

ZONDER VONK GEEN VUUR

En zonder vuur geen vlam’ lees ik boven een bijdrage over BBQ-wijnen. Dat zou tijdens deze Pinksterdagen dagen net zo goed in een kerkportaal kunnen hangen. Veni, Creator Spiritus: kom, Scheppende Geest. Kom tot ons, als wind die waait in vlagen, of als een duif met een groene tak in de bek. Verlos ons van de après-nous-le-déluge-gedachte. Kom, en zet ons denken nog eens in vuur & vlam. Het zijn sowieso goede geesten, die terugkeren.

Veni, Creator Spiritus, de wereld heeft meer dan ooit nood aan ‘verlichte geesten’. Maar inderdaad, zonder vonk geen vuur. Moge het daarom waar wezen, dat ‘les beaux esprits se rencontrent, toujours suivi d’étincelant: door fonkeling gevolgd dus, zwervend door de straten,’ zoals Gustave Flaubert de ‘verlichte geest’ ooit zo sprankelend heeft beschreven.

Hoe is het ooit ook alweer begonnen? ‘De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de Geest van God zweefde over de wateren…’ Dat lijkt heden ten dage wel de beschrijving van een vernielde stad in Oekraïne. Veni creator Spiritus: help ons, troost ons!

‘Die mij droeg
op adelaarsvleugels
die mij hebt geworpen
in de ruimte
en als ik krijsend viel

mij ondervangen
met uw wieken
en weer opgegooid

totdat ik vliegen kon
op eigen kracht’.

(Huub Oosterhuis)

Rondneuzend in woorden, lees ik hoe ook Horatius dat reeds aanhaalde: ‘Tot de vleugels groter zijn geworden dan het nest‘. Ja, inderdaad, ik heb er het boeiende boek ‘RONDNEUZEN IN WOORDEN’ van Bart Mesotten bijgehaald (tweede reeks etymologische verkenningen). Een waarlijk kostbaar bezit, dat in tien groepen is opgesteld, en waarvan de vierde groep handelt ‘over alles wat des geestes is‘. Met daarin ook deze wijsgerig-theologische opvatting van Pierre Teilhard de Chardin: ‘In haar gewriemel van zielen, die elk op zich een Wereld in het klein is, vormt de mensheid de aanzet van de superieure geest.’

In 4 letters: adem, elan, moed, vuur. In 5 letters: animo, gloed, verve, drive.
In 6: impuls, In 7: neiging, In 8: aandrift. In 9: inblazing, in 10: geestdrift,
in 11: bezieldheid, in 12: gedrevenheid.

Dit kleine ventje heeft het allemaal nog vanzelf in zich, het heeft er nog geen letters & woorden voor nodig, het is één & al geestdriftige verwondering. Moge het zo blijven!


Gesuikerde tongen, gepeperde harten, je weet de weg en je kent de spraak? Ten slotte is er nog dat toepasselijk Chinese spreekwoord: ‘Men heeft zijn verstand nooit zo nodig als wanneer men met een domkop te doen heeft’. Goede verstaanders weten best wel waarom.

MET ZONLICHT GEVIERD

20 mei, de huwelijksverjaardag der ouders. Het blijft een fascinerende foto, ze zo arm in arm uit de kerk te zien komen, om ten diepste aangedaan de erehaag van vrienden en bekenden te passeren. Eindelijk op weg om kinderen te gaan maken, in een tijd toen men daartoe nog christelijk fel werd aangemoedigd. Moeder droomde van 10, het werden er 8.

Van 20 mei naar 1 maart: natuurlijk heb ik dat ettelijke malen opnieuw uitgeteld. Evenwel zonder het minste wantrouwen, maar toch bleef dat altijd even spannend. En hoewel mijn eerste geboorterecht aanvankelijk eerder aanvoelde als en plicht dan wel als een recht, inmiddels weet ik wel beter. ‘In evolutionair opzicht zijn onze hoofden sneller breed geworden dan de heupen van onze moeders. Daardoor doet het baren bij onze soort meer pijn dan bij andere dieren’ lees ik in het Groot lexicon van nutteloze feiten (Meyers, Hein & Rozendaal). Vermits ik moeders eerste was, heb ik haar dus het meeste pijn gedaan.

Het is ook zo indrukwekkend: het leven dat ze je geven, om daarna uiteindelijk zelf te moeten verdwijnen, als een conditio sine qua non. Na het overlijden blijven de hersenen nog 3 dagen signalen uitzenden? Echter, die van ons moeder zijn dat inmiddels al 26 dode jaren blijven doen, en die van onze vader toch ook al bijna zes. Toch moet ik ook altijd weer denken aan ‘de dode hond’ van Rutger Kopland: ‘De hond is nergens meer, iedere dag, dat is de eeuwigheid, het weg zijn van die hond’. Zo ook dus ‘het weg zijn‘ van de ouders.

En dan was daar vannacht plots die vreemde droom: met vrienden & bekenden in bootjes op het water. De afspraak was, dat we iets van een geliefde dode in het water zouden werpen, als een soort van afscheidsritueel. Ik had het -onlangs van mijn broer gekregen- schilderijtje bij, met daarop ons moeder. Kostbaar. Dierbaar. Mijn vertwijfelde worp heeft de droom overleefd, en staat thans voorgoed op mijn netvlies gebrand: de radeloze boog die het schilderijtje maakte en vervolgens de hoek waarmee het zich in het water spiesde, dat er hoog van opspatte. En ook, hoe ik mezelf absurd ”dag moeder!’ hoorde roepen.

Doch ik had er onmiddellijk enorm veel spijt van & ik vroeg me ‘ten hemel schreiend’ af: heeft dit eigenlijk wel zin, waarom doe ik hier in godsnaam aan mee, wie is hier uiteindelijk mee gebaat? Inmiddels wakker tot in m’n tenen, blijft die droom & zijn betekenis mij bezig houden. Het kan sowieso niet de bedoeling zijn dat ik definitief afscheid neem van mijn moeder. Het enige wat ik kon bedenken was: ….. maar misschien wél van haar dood?

Visueel lijkt het woord ‘dood’ op een bed, evenals het woord ‘bed’ zélf. Dan staat het woordje ‘bed’ in de kinderkamer, en het woord ‘dood’ in de ‘masterbedroom’? Hoe dan ook, het schilderijtje was er nog, toen ik beneden kwam. Ik denk inmiddels te weten wat ik heb gedroomd: dat zelfs moeders ‘visuele dood’ mij dierbaar is, ook al blijkt dat een procrustesbed te zijn. Maar van ‘uitrekken tot zij erin past’ is absoluut geen sprake. Haar dood blijkt een bed te zijn van ‘verstelbare’ makelij, en heeft zich aan hààr aangepast in plaats van andersom. Ook dat wordt vandaag met zonlicht gevierd. Komaan, vurige vader, voer haar nog eens door die erehaag, en zeg niet dat je daar geen zin meer in hebt..

OMI’S & OPI’S

Ook engelen hebben dus,
net zoals mensen,
omi’s & opi’s van veel vlees & bloed.
Al zie je ze langzaam
als bloemen verflensen,
voorlopig floreren ze eig’lijk nog goed.

Tenminste, dat dénken ze
toch van hun eigen,
omi’s & opi’s, ’t is moeilijk in ’t echt:
ze kunnen niet luist’ren,
ze kunnen niet zwijgen,
en ook niet onthouden wat pàs is gezegd.

Ja, omi’s & opi’s,
ze doen je soms zweten,
ze horen tevéél, of zijn oostindisch doof.
Het is wat gescheten,
maar engelen weten:
ze zwichten & dichten haast iédere kloof.

ZIJ

Zij voedt ons verbeeldingsvermogen,
wij staan, door de tijd overmand,
in haar lapis lazuli-ogen
zo graag op haar netvlies gebrand.

Wij meten met eendere maten,
wij delen elk just-wait-and-see,
als communicerende vaten,
in een veilig gesloten circuit.

Al worden wij twee oude dwazen,
zij verheft onze oudworderij:
het mag ons dus niet meer verbazen,
zij maakt de familieziel blij!

Omi & Opi

FESTINA LENTE

De zonnewagen wordt weer gesmeerd? Zowel de gouden zon als de bronzen maan aan de achterkant worden eindelijk weer eens opgepoetst? Het winteruur is aan zijn zomerslaap begonnen, en de dagen lengen thans met een steeds langer gerekte haneschreeuw.

Deze beroemde Zonnewagen van Trundholm werd in 1902 door een boer op het Deense eiland Seeland tijdens het ploegen uit de grond gehaald. Gedateerd rond 1400 voor Christus, uit de eerste metaaltijd dus, thans in het Kopenhaagse Nationaal Museum.

De sneeuwvlokjes, alias de ‘vroegopjes’ zoals ze in de volksmond ook worden genoemd, zijn inmiddels alweer uitgebloeid & verwelkt. Echter, ze hebben aan hun zaden een wit zoet uitgroeisel, het zogenaamde ‘mierenbroodje’, waarmee de mieren graag hun larven voeden, waardoor ze alzo meewerken aan de verdere verspreiding van de sneeuwklokjes.

God schiep als een voorbeeldig dier de nijvere mier, zijn tweede schepping was nog beter: de miereneter’? Als het van de dichter Alfred Kossmann afhangt, in ieder geval wel.

Het wordt nu wachten op de eerste koolwitjes, die je met een beetje fantasie ook vliegende sneeuwklokjes zou kunnen noemen, maar ook op het gebrom van de hommelkoningin, in de hoop dat ze deze keer het honinggele hommelhuisje zal weten te vinden in de tuin, in plaats van daar opnieuw het onhandige borstelhok voor te kiezen.

Het ochtendgezang der vogels, daar kunnen we tegenwoordig naar fluiten, al ben ik daar zélf nauwelijks toe bekwaam. Je moet er voor naar het internet, als je niet tussen de velden woont. Wat een pijnlijk verontrustend signaal en wat een godsgruwelijk gemis.

Niettemin toch een jonge merel gehoord die soms zeer bescheiden alsnog zijn eerste deuntje probeert te oefenen. Gelezen echter dat ze het voorbeeldgezang missen van de verdwenen oudere merels. Dus gedroogde meelwormen op het tuinpad gestrooid en met appelen staan gooien alsof de tuin een ballenkraam op de kermis zou zijn, in een ultieme poging om mereltje hier te houden. Raak gooien hoeft gelukkig niet, liever niet zelfs.

De donkerrode pantservellen rondom mijn wintertenen beginnen eindelijk af te brokkelen, terwijl de bruine lente-tenen van de varens daarentegen alsmaar dikker worden, en dus weldra zullen openbarsten. Het eigen menselijk verlangen naar lente-opkalfatering neemt gestaag toe, al zorgt de schrale noordoostenwind voor zowel vertragingen als uitdagingen.

De bloesemboom van de buren alsook mijn eigen seringen beginnen kleur te bekennen. Ik wou dat ik mijn beide ogen hommelvleugels kon geven, zodat ik ze in vogelvlucht boven de stad kon doen vliegen, maar wat blijken het honkvaste bolussen te zijn. In combinatie met mijn huismusserigheid ontsnapt mij dus sowieso heel wat moois, spijtig genoeg.

Het leven legt de mens steeds meer het gepaste zwijgen op, doch mijn al dan niet geschreven of al dan niet verzonden geraakte brieven zullen sowieso verzegeld zijn met een al dan niet geoorloofde kus. Kortom, de lente viert zowel het nieuwe aanbod der zegeningen, als de oude moed der immer aanwezige wanhoop. Festina lente, lente!

DEAR FATHER, WE DREAM…

Op palmezondag 13 april 1919, honderd en vier jaar geleden dus, wist onze vader-in-spe ter wereld te komen. Het was een redelijk zonnige & koele dag met een dikke drie uur zon, een matige wind en een onderkoelde zeven graden in de aanbieding. Slaap, kindje, slaap…

Al gauw zou blijken dat kleine Vader een fel klepperke was. 1919 bleek tevens het memorabele geboortejaar van de kleine Briek Schotte, het ijzeren coureurke in wording. Ze kregen het gezelschap toegewezen van La Petite Esterella, en de toen nog fopspeen zuigende Zangeres Zonder Naam. Als dat niet -enigszins- als muziek in de oren klinkt?

Spijtig genoeg bleek dat ook het geboortejaar van de toen nog onschuldige Mikhail Kalasjnikov, de latere Russische wapenontwerper. Dus al bij al bleek onze beloftevolle kleine Vader-in-spe meer dan welkom op deze wereld, zeker voor zijn acht toekomstige kinderen, want die zouden onder geen enkel beding een andere vader hebben gewild, laat staan hebben geaccepteerd. Zelfs gestorven is hij nog altijd onze absolute One & Only.

Ondertussen was politiek België volop bezig met het verwerken van de oorlog, en ook dat verliep niet zonder slag of stoot. De burgemeester van Meerle noteerde in zijn dagboek: ‘Er is een kwade geest onder het werkvolk, de boeren zijn begonnen, zeggen ze, en nu wij’.

De Parijse Vredesconferentie besluit op haar 2de zitting tot de oprichting van de Volkenbond, op basis van het Verdrag van Versailles, gevestigd in Genève, met de intentie om ‘een einde aan alle oorlogen’ te maken. Kortom, onze pasgeboren toekomstige vader en kajotterleider zal weten wat hem daartoe te doen zal staan: gewoon zichzelf zijn.

Hoewel hij tenslotte ‘maar‘ 98 is geworden, blijven wij onze vader in gedachten ‘onze Honderdman’ noemen. Zonder die val uit zijn bed zou hij vandaag allicht 104 zijn geworden. En dat feest? Het is zo goed alsof we ’t vandaag zullen hebben gevierd!

Trok onze honderdman zijn levenslijn
tot ver voorbij elke gevarenzone,
wat zou hij graag 104 geworden zijn,
deels als bewijs: ik ben gene gewone.

Wij noemen hem onze Methusalem,
in elk van ons verklaarde hij zich nader;
nog horen wij hem in elkanders stem,
thans zijn wij met z’n allen onze vader
.

Het haantje op de toren van Hoogstraten – hierboven zelf door hem in de verf gezet – kreeg de naam van zijn maker in de staart gegraveerd:
die van onze vader, Jos Martens.

PAASBESTIGHEDEN

Op z’n paasbest, dat had vroeger een werkelijke betekenis. Hoe koud het soms ook nog was, moeder moest & zou haar nieuwe deux-pièce aandoen om naar de paasmis te gaan. Onze acht paar schoenen stonden vanaf paaszaterdag in een lange rij klaar, met dunne nieuwe witte sokjes erin. We liepen er met Pasen allemaal glanzend & pastelkleurig bij, er werd daarin gebibberd & geklappertand, maar dan wel met een uitermate feestelijk gevoel.

Zeker in combinatie met de Klokken van Rome, de prille bloesems & de paaseieren in het bedauwde gras. Alles fezelde over een nieuw begin, na die dramatische Goede Vrijdag, die in mijn kindertijd telkens een diepe indruk op mij maakte. Dat sterfuur, om drie uur in de namiddag, was toen voor mij het meest aangrijpende uur van het jaar. Ze wisten niet wat ze deden? Maar met Pasen was dat lijden gelukkig voorbij. Al weet ik inmiddels wel beter.

De dag van vandaag zie ik de winkels gewoon hun deuren opengooien tijdens het hele paasweekend. Je zou je van minder Marie Melancholie gaan noemen. Ring the bells that still can ring, forget your perfect offering? Ja hoor, die klepel weet ik nog steeds hangen, daar moet ik godzijdank niet voor in een winkel zijn. Bij Leonard Cohen is het altijd Pasen.

Hoewel geen paasei-kindertjes meer in huis, rijst toch weer de familiale vraag: zullen we toch nog eens doen alsof? De tuin staat er sowieso klaar voor: enigszins rillend, maar dat hoort zo met Pasen. De torteltjes zitten gepaard in de pril gebladerde seringenboom, en de houtduifdoffers lopen aandoenlijk diepbuigend over de tuinmuur de duivinnetjes achterna, hun staarten als uitroeptekens omhoog gestoken. Dus komaan, waar wachten we nog op?