SPIEGELBEELD

Spiegelbeeld, vertel eens even, ben ik heus zo oud als jij? Zelfs mijn moeder blijkt in haar eigen ‘Spiegel Historiael’ ineens jonger te zijn dan ikzelf. Het vervult me met weemoed: ze raakte geklonterd, moest in de nacht plots twintig minuten nutteloze reanimatie doorstaan, en stierf vervolgens zonder ons, dus moederziel alleen. Gestold in opperste verbazing op haar niet te geloven doodsbed. En ik, ik leef haar thans zomaar voorbij. Nee, niet zomaar..

Zogezegd al ruim vijfentwintig jaar weg van ons, maar die jaren worden telkens opnieuw verwijderd als stukken verkankerde darm die er tussenuit worden geknipt, waarna het jaar dat ze stierf telkens weer met verse steken aan het nieuwe jaar wordt genaaid. De tijd heeft z’n helende strijd opgegeven, wat moeders dood betreft. Haar ondergoed mij door de kliniek meegegeven ligt nog altijd met haar laatste dag in een zichtbare doos op mijn slaapkamer.

Ik moet er echt wel aan wennen, een leeftijd te hebben bereikt, die zij nooit heeft gehad: alsof ik mijn moeder voor de tweede keer ben kwijtgeraakt. Zoals een kind zijn moeder in de supermarkt. Maar zonder een mikro deze keer waarmee kan worden afgeroepen, dat ik op haar wacht aan het onthaal. Ik voelde op deze haasje-over-verjaardag zowel de neiging om mij daarvoor te verontschuldigen bij haar, als het krachtdadige voornemen: komaan moeder, voortaan verjaren we ondeelbaar met z’n tweeën, we maken van elke dag een dubbele.

Zij de zon & ik de maan? Zij het licht & ik haar weerkaatster. Hoe ze naar me wuift, als ze gloedvol ondergaat achter mijn kamerraam en mijn denken vult met haar moederlijke wenken. Dus geen mikro nodig: wij zijn elkander nog nooit één seconde kwijtgeraakt.

En nu ik de eerste knoppen weer zie openspringen: hoe fier ze was op haar seringen, purperder dan waar ook ter wereld. Elke lente stuurde zij mij op pad, met mijn neus diep in de geurige bossen die ik ergens met haar groeten moest gaan afgeven. Ik heb ze gelukkig nu zelf ook in de tuin, straks kunnen wij er samen weer eens diepgaand aan gaan ruiken.

Zal ik dat liedje van de Zilveren Bruiloft nog eens zingen, Moeder? Hoe onvolkomen ook, elk woord ervan blijft nog altijd van tel, en tot in de eeuwen der eeuwen à titre personnel.

Spiegelbeeld, vertel eens even,
ben ik heus zo oud als jij?
Is het waar, word ik vijftig,
is mijn beste tijd voorbij?
Ach, ik ken je bezwaren,
maar wat had je dan gedacht?
Spiegelbeeld, na al die jaren
als oudste van acht?

Spiegelbeeld, op ware grootte,
ben je echt meedogenloos,
ik zie niks dan kraaiepoten
in m’n eigen poederdoos.
‘k Ga voor ’t keren der jaren
bij ons moeder in de leer.
Nooit zal ik haar evenaren
daar komt het op neer.

Spiegelbeeld, m’n eerste rimpels
zijn al dieper dan ik dacht,
zonder vlaggen zonder wimpels,
’t is voorbij midzomernacht.
Raak ik steeds weldoorvoeder,
ben in den overgang,
spiegel ik mij aan ons moeder
dan ben ik niet bang:

want zij deelt al mijn visies,
niemand jaagt mij nog op stang,
’t is voorbij, m’n midlife-crisis,
ik ga weer mijn gang.

EEUWERIK

Het blijkt een verschil
te zijn van dag & nacht:
doch zijn verjaardag
blijft nog steeds kracht.

Al lijkt het een
wankelbaar evenwicht:
van vlees & bloed zijn
of van louter licht.

Lees, Lea, lees wat
de tijd reeds bewees:
vergankelijkheid krijgt
geen vat op Vic Nees.

IN WOORDEN GEWIKKELD

Vanmorgen weer zo’n prachtige ‘gevederde vondeling’ van de grond moeten rapen, die zich blijkbaar te pletter had gevlogen tegen één van de verandaramen. Steeds weer een onthutsende vaststelling, ik begin er telkens opnieuw – niet te aanhoren – van te jammeren.

De hele winter doorgekomen met mijn gepelde zonnebloempitjes, om binnenkort weer aan het broedseizoen te kunnen beginnen. Doch hetzelfde raam van waarachter ik hem aan de binnenkant zo verrukt heb kunnen gade slaan is hem blijkbaar aan de buitenkant ervan fataal geworden. Ze breken daarbij meestal hun nekje, las ik met ontzetting. Nochtans waren de ramen, zoals mij werd aangeraden, verre van pas gepoetst, verre van glanzend dus. En er kleven bovendien een heel aantal zwarte vogels op, maar blijkbaar is het beter om die er langs de buitenkant op te kleven, anders blijven ook zij de bomen weerspiegelen?

Of zou het uiteindelijk dan toch een paniekvlucht zijn geweest voor de sperwer die hier geregeld rondhangt? Dat hele doodgaan, ik vind het maar niks, de planeet is er van doordrongen, en al helemaal heden ten dage. Het is bovendien inmiddels al het derde voorjaar op rij, dat ik te pletter gevlogen vinkjes moet begraven, het trekt op niks. Opnieuw geen zingend Suskewietje in eigen tuin, dus weer heel wat gerateerd geluksgevoel.

Hier nog in mijn open hand, overgeleverd aan zowel ‘zijn’ als ‘mijn’ volkomen weerloosheid. Maar als mijn vingers zich vervolgens rond het reeds afgekoelde lijfje sluiten, word ik overmeesterd door een welhaast onwrikbaar gevoel het vogeltje weer tot leven te kunnen wekken, met mijn warmte & door mijn wil. Echter, voor de zoveelste keer op rij: niet dus, sukkel die ik ben. Ik heb het bijgevolg onmiskenbaar weer uit handen moeten geven. En bij deze – in woorden gewikkeld – begraven. Suskewietje’s onnoemelijke schoonheid ten spijt.

WINTERBLUES

Het huis te groot. Het bloed te dun. De neus te benig. Dat zijn alvast de bevindingen. Het haar te pluizig, het vel te perkamentig, het syndroom van Renaud in de vingers. Ze beginnen er uit te zien als slecht afgeschraapte schorseneren. Kortom: lelijk worden van de kou. De rode neus, nog net niet die van een cirkusclown. In de greep dus van de winterblues.

De angst van buik & flanken voor elke wc-gang, als dan die ijskoude pikkels zich onder de kleren moeten begeven voor de afstroping van ’t ondergoed. De schokken die dat teweeg brengt aan ’t diep verscholen vel, alsof er schrikdraad op staat. En ja hoor, terug van lang weggeweest: perniones, winterteentjes dus. De twee kleinsten beginnen er uit te zien als voos geworden kerstomaatjes. Je zou meteen zeggen: komaan, in de vuilbak ermee.

Er dient dus noodgedwongen ook ‘gesloefd’ te worden, en ook daar gaat veel zelfvertrouwen aan ten onder. Die fezelende voetstap, dat futloze geluid, die gestalte fnuikende schuiten die je doen besluiten: zo, de deur mag al op slot, ik ben in huis maar desalniettemin voor niemand thuis. De flauw geworden glimlachjes scheuren je de vellen van de mond. Bovendien van de ene bad-hair-day naar de volgende, met haren als gesprongen snaren van een oude mismeesterde viool. Zelfs de haarborstel schrikt ervan.

Het spiegelbeeld der herinneringen stelt zich bekken trekkend aan. Dat hooihopperig rondlopen binnenskamers – alsof er een klerencontainer over je heen is gekieperd – levert ook niet meteen een gunstig beeld op van Madam Lijf, op weg naar weeral een jaar ouder. Het verscholen gebeente schilfert zich te pletter onder al die noodzakelijke bedolvenheden, doch voorlopig is het veel te koud in het winterhuis voor tijdrovende opkalfateringen.

Zelfs de inkt der zwarte klik-Biccen vloeit minder soepel dan anders, als je daarmee de nacht noteert, terwijl de pegelneus aanvoelt als een jeukende winterteen op de verkeerde plaats. Echter, niet alleen het onder- maar eveneens het gedachtegoed heeft nood aan thermische omzwachtelingen, want ook de ziel bibbert, ook het inwendige raakt onderkoeld van ’s werelds wereldwijde winter. Terwijl buitenshuis out of the blue de dodelijke honger van de sperwer heerst, die het op de teergetinte tortels heeft gemunt. Laat de luiken geloken zijn? Maar tussendoor is er gelukkig ook nog wel wat ruimte voor vertroosting..

Een gloednieuw woord geleerd van een goede vriend, die knisperende zakjes vol dito lekkers had meegebracht, met de aanstekelige boodschap: ‘Voor een koekegoed jaar!’ Alom gebruikelijk blijkbaar in West Vlaanderen, maar vanaf nu dus ook in Mechelen. Het vrolijke labeltje hangt inmiddels ‘koekegoed’ aan de koffiekast in de ei zo na bevroren keuken.

Doch last but not least: drie in de bib veroverde Canetti’s in de schuif naast het bed, alsook eveneens het pas aangekochte ‘Boek tegen de dood’ van hem. ‘Voor honderd goden heb ik gestaan, en ik heb ze allemaal recht aangekeken, vol haat om de dood van de mensen.‘ En waarin hij tussendoor Soutine tot Emile Szittya laat zeggen: “Ik heb de dorpslager een keer de hals van een gans zien open kerven en hoe hij het bloed liet weglopen. Ik wilde schreeuwen, maar zijn vrolijke blik snoerde mij de keel. Die schreeuw voel ik nog altijd.”

Deprimerend? Toch niet. Als het beest goed gevoed wordt, vergeet het te bijten. Of om het met Canetti te zeggen: ‘Soms komen de dingen zo dicht bij elkaar in de buurt, dat ze elkaar in vuur & vlam zetten. Het is die plotselinge openbaring van nabijheid waarvoor je leeft.’

IK IS EEN ANDER?

Wie een fijne oude dag wil verkoopt zijn huis op tijd?
Slaapwandelen we ongemerkt naar een derde wereldoorlog?
India pikt de westerse dominantie niet meer?

Kortom, er ligt behoorlijk wat smurrie op Putteke Winter’s bodem.
Wie zou zich niet, net zoals ook de Portugese dichter Fernando Pessoa
soms willen afvragen: “Ik is een ander?”

Er zijn ziekten erger dan ziekten,
Er zijn pijnen die geen pijn doen, zelfs niet in de ziel,
Maar pijnlijker dan alle andere.

Er zijn gedroomde angsten, werkelijker
Dan die welke het leven met zich brengt, er zijn gevoelens
Die men voelt alleen door ze te denken
En die meer de onze zijn dan het leven zelf.

Er zijn zovele dingen die, zonder bestaan,
Bestaan, die tergend traag bestaan
En tergend traag de onze zijn, de onze en onszelf.

Boven het troebel groen van de brede rivier
De witte circumflexen van de meeuwen.
Boven de ziel de nutteloze wiekslag
Van wat niet was, ook niet kon zijn, en alles is.

°°°

Ik krijg wat ik mis –
zo niet hier,
dan elders, al is waar ongewis,
ik word toch
wat ik zelf beslis.

°°°

(Met dank voor de vertalingen van August Willemsen)

VAN OUD NAAR NIEUW

(EVEL ONTWERP)

De wensen van hoop, geloof & liefde zijn inmiddels al grotendeels over & weer gegaan, en al branden binnenshuis de oogverblindende lichtjes nog fulltime, in de winkelstraten zijn ze hun magische krachten al bijna geheel verloren. De ontnuchtering staat alweer te trappelen?

Met andere woorden: we hebben het weeral gehad? Wat er ook van zij: december heeft de winter als een kaneelkoek middendoor gebroken, en het hoopvol lengen der dagen weer in gang gezet, een mens zou al om veel minder verheugd kunnen zijn. De kerstengel is er om begrijpelijke redenen moe van geworden, maar heeft hij ons uiteindelijk toch niet een beetje opgepept gekregen? Laten we maar vinden van wel. Hij was sowieso onder ons, ja toch?

In ‘Thuis’ zag ik dat de kerstboom meteen al op tweede nieuwjaarsdag werd afgebroken: alsof het op slag een schande was geworden dat hij daar nog stond te staan. Voilà, kort & bondig afgewerkt, wat kan het ons nog schelen. Voorspel, naspel: niet meer van tel?

Het knallende vuurwerk, dat tussen oud & nieuw de boze geesten zou hebben verjaagd: dat valt helaas te betwijfelen, al geloofden de lallende bewonderaars wellicht van wel. Waar is de tijd van de eenvoudige vuurstokjes en dat feestelijk moment waarop ze joelend werden aangestoken boven de feesttafel. Toen je als kind nog moest leren om die venijnig prikkende gensters op je ver vooruit gestoken hand te durven verdragen, tot moeder ineens ontdekte, dat die gensters kleine schroeivlekjes maakten op het damasten tafelkleed.

Maar kijk, ook in het nieuwe jaar wordt de tijd onmiddellijk weer weggepikt, want geen minuut valt ervan te bewaren voor langer dan zestig seconden. Geen enkele hand of geen enkele horloge zal ooit groot genoeg zijn om het vorte voorbijgaan tegen te houden.

De nog lege agendas zoeken creatieve geesten voor een vrijblijvende, speelse of luchthartige flirt, affaire of avontuurtje? De keuze is geheel aan ieder voor zich. In ieder geval: nieuwe agendas schrijven goed. Het is deze keer een blauwe geworden, en uiteraard zoals van oudsher opnieuw een Paperbanks. Elke avond zal hij weer enkele lijnen afgetapte levensinkt van mij vragen. Echter, net zoals mijn bloed, reeds in hoge mate verdund.

En wat zullen wij er weer eens van gaan breien, van onze zelf gesponnen wol, in een poging om er zo weinig mogelijk steken bij te laten vallen, en anders dat ze alsnog zullen kunnen worden opgeraapt met een tevreden oefgevoel. Of wordt het toch weer een pannelap?

En belangrijker dan ooit: gaan we de vredesduif blijven behoeden voor verhongering, en eindelijk eens ophouden om duiven vliegende ratten te noemen? Wie zou niet willen dat zijn ziel een duif was die naar de hemel op kon stijgen uit z’n eenmaal ooit gestorven levenslijf.

En wat met ons hart, zal dat opnieuw weer als een soort zelfgemaakt speldenkussen worden doorprikt: handig, maar wel een beetje kneuzerig? Laat ons dan tenminste hopen dat het kopspelden mogen zijn met van die kleurrijke knopjes. Of van die lange met een hartje of een parel er bovenop. Hoe dan ook: prikken zullen ze. In ons doorzeefde hart.

Donkere wolken boven de wereldeconomie? Laten we elke witte wolk die we ons nog kunnen herinneren bewaren, in doorzichtige hars gegoten, als een hoopvol gegeven: dit zijn de wolken waar wij naar streven. Wolken als witte schapen met ingetrokken kop & poten.

En zullen we alstublieft, ten diepste gegriefd, de vogels hun steeds moeizamer grootbrengen der jonkies meer dan ooit blijven gunnen? Onze moordzuchtige katten binnen houden ’s nachts. De sperwers weg zien te houden van mijn tortels is al moeilijk genoeg.

En dan hier nog een kleine glinsterende wens, ver weg van kaswitvliegen & bonenspintmijt: mogen uw zelfgekweekte tomaten weer een mooie oogst worden, na succesvol te zijn gespeend, gediefd & afgehard, alsook door u behoed te zijn geworden voor meeldauw, neus-& wortelrot. Tomaten met alles tussen zuur & zoet, uw bord & uw welzijn tegemoet.

Maar bovenal: moge de rode draad die door ons aller levens loopt zowel een houvast blijven als een hersteldraad voor de geschondenheid van losgekomen verbondenheid. En dat de naald die daarvoor nodig is zich niet in een hooiberg bevindt, maar in de eigen naaidoos.

KERSTMIS

Is dit niet de warmte
waar mensen van dromen:
zo’n engel die op zulke
gedachten zou komen?

Met voor ieder hart en
huis op deze aarde:
zo’n hemelse omarming
van hogere waarde.

Laat hij in ’t licht daarvan
nog op zich wachten:
hou deze engel
toch maar in gedachten.

LEG NEER DIE BAL

Veel van ditte, niks van datte,
weer geen witte, weer een natte?
Zou allicht toch zijn gedooid,
sneeuwbal vooraleer gegooid.

Jij te ver voor het lukrake,
ik te onverricht ter zake?
Bommenregens, zwarte sneeuw,
Munch z’n wereldwijde schreeuw.

Niks konfijten, niks confetti,
doch ik dank Elias Canetti:
voor ‘Het Boek tegen de Dood’
op mijn nachtelijke schoot.

DE WIJSHEID VAN HET NIET WETEN

De Poolse dichteres, Wislawa Szymborska, geboren op 2 februari 1923 en gestorven op 1 februari 2012, is goddank dus toch 89 mogen worden. In 1996 ontving ze de Nobelprijs voor Literatuur, en werd ze door de jury geheel terecht ‘de Mozart van de Poézie’ genoemd.

‘Mooi portret van een gerimpeld, fijnzinnig, bescheiden oud besje… zo hebben we ze graag!’
Met die boodschap kreeg ik dit gedichtenbundeltje van Szymborska op mijn verjaardag toegestuurd door mijn Zusje Intimusje, en wat was ik er blij mee. Er zat ook een hartveroverende DVD bij waarop je haar aan het woord kunt horen. En zo fascinerend.

Zo is het genoeg? Hoe mooi ook die titel: voor mij is het alleszins nog lang niet genoeg. Die vierhonderd wereldberoemde gedichten van haar, in 40 talen, vol met ‘de wijsheid van het niet weten’, ook die wil ik graag nog allemaal onder ogen krijgen. Dat wordt sowieso een boeiende zoektocht, al was dat gisteren in de bib nog niet echt een succes. Wislawa, waar ben je, en hoe zet ik dat grappige streepje door jouw letter L? Ik wil er allemaal achter komen, het is gelukkig nog niet te laat. Hieronder het gedicht ‘De spiegel’ dat als een drone over de verwoeste steden van Oekraïne zweeft, op zoek naar die éne nog héle spiegel?

Ja, ik herinner me die wand
in onze verwoeste stad.
Hij stak bijna zes verdiepingen omhoog.
Op het vierde zat een spiegel,
die spiegel, niet te geloven,
was niet verbrijzeld, zat stevig vast.

Hij spiegelde niet meer iemands gelaat,
noch iemands haren schikkende handen,
geen enkele deur ertegenover,
niets dat de naam verdient
van ‘plaats’.

Het was net vakantie –
een levende hemel die zich erin spiegelde,
beweeglijke wolken in een wilde lucht,
door glinsterende regens gewassen puinstof,
vogels op de trek, sterren, zonsopgangen.
En zo, als elk goed gemaakt voorwerp,
werkte hij feilloos,
met een professioneel gebrek aan verwondering.

°°°°°°°

AAN MIJN EIGEN GEDICHT

In het beste geval
word je, gedicht van me, aandachtig gelezen,
becommentarieerd en onthouden.

Tref je het minder,
dan alleen gelezen.

De derde mogelijkheid is dat
je weliswaar wordt geschreven
maar even later in de prullenmand gegooid.

Je hebt nog een vierde uitweg tot je beschikking:
je verdwijnt ongeschreven,
tevreden mompelend in jezelf.

°°°°°°°

HET BOEK TEGEN DE DOOD

Vanmorgen wakker geworden, precies op hetzelfde uur als toen ik vijfentwintig jaar geleden uit mijn slaap werd gebeld met de boodschap: ‘Het gaat niet goed met uw moeder, het is best om zo vlug mogelijk naar het ziekenhuis te komen..’ Het woord dood werd niet uitgesproken, maar onderweg werd mijn ‘zielenzak’ alsmaar zwaarder, en voelde ik dat zij er niet meer was, onze begenadigde moeder. Ik ben toen in de trein al meteen aan haar doodsprentje begonnen. Om het op til zijnde verdriet nog even op afstand te houden?

Haar plotse nachtelijke dood in het ziekenhuis, een man & acht kinderen hebbend, maar niemand daarvan in de buurt om haar bij te staan tijdens dat fatale uur. Die bloedklonter die haar het leven benam, die twintig minuten durende reanimatie in haar dodelijke eentje.

En zo lag ze daar toen, ondraaglijk weerloos, de strijd verloren. Haar laatste wanhopige hap naar adem hing nog boven haar open gevallen mond, alsof bevangen door een dodelijke verbazing. En niks meer kunnen zeggen tegen ons. Vandaag, vijfentwintig jaar later, zijn zij & ik precies even oud, maar vanaf morgen zal ik alleen verder moeten met mijn zich schuldig voelende leeftijd. Vanaf morgen zal ik schaamtelijk ouder zijn dan zij ooit mocht worden.

Een paar nachten geleden noteerde ik uit het boek ‘Alptraum’ van Koos Van Zomeren (hetgeen blijkbaar misleidend ‘nachtmerrie’ betekent in het Duits): ‘Misschien komt het doordat ze hun naam behouden, dat we ons zo moeilijk kunnen voorstellen, dat de doden zich niet bewust zijn van hun dood.‘ En uitgerekend vandaag viel mijn geestesoog plots op een titel die mij uitermate fascineerde: ‘Het boek tegen de dood’, van Nobelprijswinnaar Elias Canetti. In meer dan tienduizend handgeschreven bladzijden geeft hij, zo te lezen, nauwgezet verslag van zijn streven om grip te krijgen op het ongrijpbare. ‘Lees, kind, lees!’

De dood was prominent aanwezig in Canetti’s leven. Toen hij zeven was, stierf zijn vader en hij heeft diens dood nooit willen accepteren. Als Jood tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft hij ook meer dan genoeg dood en verderf gezien. Hij heeft er een levenslange aversie aan overgehouden voor mensen die elkaar om wat voor reden dan ook doden: ‘Alsof het nog niet genoeg is dat mensen sterven, alsof ze elkaar een handje moeten helpen.’ Voilà. Enfin.

‘Prachtige observaties, verbeelding die hoge toppen scheert, indringende notities over de menselijke zucht naar onsterfelijkheid, over God en dood en dat die misschien één en hetzelfde zijn, over religie als een manier om ons in contact te stellen met de doden. Een weergaloze meditatie over de schaduwzijde van het leven’, zo lees ik in de bespreking ervan. Dat lijkt me dus echt wel een boek, waar ik aan toe ben, liefst meteen al vanaf morgen.

Liefste moeder, in elk woord dat ik zal lezen in ‘Het boek tegen de dood‘, zal ik jouw leven omarmen, maar weet, dat ik evenals Canetti al jaren lang ‘op zoek ben naar woorden om ze de dood in het gezicht te slingeren.‘ Echter, ik weet nu al, dat jij mij alsnog gerust zult stellen, want jouw vijfentwintigjarige dood, milde moeder, is zoveel meer dan ‘een korreltje niks’.

LIEFSTE ROB

Bert ging je altijd voor,
Bert was de vaandeldrager.
Gaf hij zijn vaandel door,
aan jou, de doodverjager?

De eindeloze knoop
van Bert z’n eeuwig leven,
blijft buiten tijdsverloop
met die van jou verweven.

Trekt zo een dubbel spoor,
een vlugger & een trager.
Bert leeft nu achterstevoor,
jij bent zijn trommelslager.

***

GOUDZOEKER

Vaarwel Oude Vertrouwde. Ik doe het nu met een nieuwe. Jij was te traag geworden, maar meer dan acht jaar ben je mijn trouwe bondgenoot geweest, mijn go-between tussen droom & daad. En ook al stonden er eveneens vaak wetten in de weg & praktische bezwaren, alsook weemoedigheid die niemand kon verklaren, je wist mijn wenken & mijn woorden hun recht te geven of, indien nodig, hen geduldig terecht te wijzen. Doch mijn actie & jouw reactie bleken niet langer compatibel, dus daar viel niet veel heil meer van te verwachten. Maar, oude weerspiegelende Lieverd, je bent me niettemin zeer dierbaar geweest.

De Nieuwerd echter stelde zich in eerste instantie uitermate ontoegankelijk op. Dat leidde onvermijdelijk -zo ben ik dan wel- tot belachelijk gedrag, te horen aan mijn jankerige kreten & te zien aan de uitgerukte haren rondom mijn vergulde toetsenbord. Elk woord dat ik op wilde schrijven raakte omsingeld door bemoeizuchtige kaders, wie zou niet jammeren als een karikatuur van zichzelf.

Goede Gezel vroeg zich wellicht af: wat was dat voor een schreeuw, wordt ze geëlektrocuteerd? Hij snelde toe als een éénmanse reddingsbrigade, maar het bleek gelukkig minder erg, voor hém dan toch. Hij wist het oerwoud van computerale inmenging aardig weg te snoeien, zodat ik eindelijk weer een weg zag doorheen al die overbodige mogelijkheden. Dit scenario heeft zich niettemin ettelijke malen herhaald, een perpetuüm mobile gelijk. Uitermate confronterend.

Hoe dan ook: Nieuwerd ziet er prachtig uit, ik heb hem Goudzoeker genoemd. Hij lijkt te mooi om waar te zijn, te mooi om die morsige zoektocht naar de juiste woorden met mij aan te gaan. Zijn honinggeel muteert vanzelf naar goud en wat een zonnige aanblik. Zeker nu er vandaag nogal wat grijs achter de ruiten hangt lijkt hij de werkelijkheid te overklassen als een fata morgana, en doet hij mij prevelen: heer ik ben niet waardig. Laat ik het niettemin toch maar proberen?

Er klotst voorlopig een zilveren zee over mijn bureaublad, met in de verte een horizonbrede zwarte rots, als een soort buffer tegen de ellende van de wereld daarachter, zo lijkt het wel, al is dat natuurlijk maar zinsbegoocheling, zoveel is zeker. Ik zal er allicht niet naartoe zwemmen: enige terughoudendheid zit mij in het bloed. Maar komaan, Goudzoeker, laat je niet tegenhouden door dit mens.

Het eerste bericht dat op Nieuwerd binnenliep was dat van een zeer nabije vriend, wiens oudste broer die namiddag gestorven was: ‘na het licht het donker in’. Daar heeft Goudzoeker zich meteen ten diepste over ontfermd. De vriend & zijn verdriet, de broer & zijn voorbije leven: daar kan geen enkel wachtwoord nog tegenop. Dit eerste overrompelende bericht maakte er meteen ontegensprekelijk een mij toegeëigende computer van. Opgestart, wit op zwart, na aan het hart.

BIJ ZONDERTJE

Zonder angel, te ontduiken,
onnodig haar weg te slaan.
Blijft uw naam naar nectar ruiken,
zal haar dat wel niet ontgaan.

Zal haar korf niet meer verlaten,
laat stuifmeel onaangeraakt.
Doch verzegeld in de raten
wordt uw honingdauw bewaakt.

Acht de hoornaar niet bij machte,
noch de honingslingeraar,
om haar zoemende gedachten
weg te roven van aldaar.

Bij genaamd, nabij te noemen,
mensvormig, antropomorf?
Laat Bij Zondertje maar zoemen,
in haar honingzoete korf.

LIEDJE VOOR LATER

– “Dag lieverds, wij blijven in Gent dit weekend, we zijn heel moe. We gaan morgen lekker eten maken en naar het Smak om onze 3 jaar samen te vieren..”

Aldus het sms-je van kleindochter Engelina, vanuit hun gezamenlijk kot in Gent. Een berichtje als een dansend ééndagsvliegje in de najaarszon. Ik werd er blij van, maar tevens ook wat weemoedig. Drie jaar alweer? Alsof ik er in een flits de film van mijn eigen leven in zag herhalen. Hoe dan ook, het sms-je ontroerde mij, zowel wat betreft het feestelijke ervan, als het immer, immer voortschrijdende.

En hoe wij meegesleurd worden in de tijd, tot wij er elke seconde van bewust zijn geworden dat het niet zal blijven duren. Dat wij niet bij machte zullen zijn om onze nakomelingen levenslang bij te staan. Dat wij vanaf (on-)zekere datum niet meer op de hoogte zullen zijn van hun reilen & zeilen. Want geen sms-jes meer.

Dus heeft, bij leven & welzijn, deze melige Omi-Pomi daar maar al te graag op geantwoord met haar zoekende wijsvinger, nu het nog volop kan: “Al drie jaar samen? Dat mag inderdaad worden gevierd! Geen wonder dat de zon zo uitbundig hangt te schijnen als een gouden slinger van verrukkelijk licht!” Leef, kind, leef!

En toen moest ik denken aan dat prachtige liedje van Robert Long: Weet je nog, Gent? Alsook aan het feit dat Long zelf ook al lang niet meer op de hoogte is van de-dag-van-vandaag, maar dat maakt zijn liedje juist nog zoveel mooier. Een liedje over vroeger, dat klinkt als een liedje voor later. Oktober weet er alles van.

MEEDOGENLOOS UNANIEM

Geachte De Vadder, Brink- & Beeckman,

Geachte blijf ik sowieso een gepaste aanspreking vinden, echter wat betreft de Afspraak van vrijdag 30 september laat ik voor deze keer de voornamen liever achterwege. Op politiek vlak voel ik mij eerder ongebonden, maar ik heb u tijdens die betreffende uitzending niettemin alle drie met stijgende ergernis aanhoord. Ik waande mij zowaar in een rechtszaal: daar zitten de rechters ook zo met z’n drieën naast elkaar, hoog boven de rooster der beklaagden.

Echter, deze keer leek het eerder een rooster te zijn van een heet geblakerde barbecue: hoe had u uw vlees graag gehad? Drie maal saignant, zoals bleek. En zo kreeg ik het dus ongevraagd eveneens op mijn bord: bloedend. Quasi rauw.

Vervolgens moest de hele CD&V, en vooral diens voorzitter, blijkbaar hoognodig onder de scanner, waarna de vermeende diagnose op uiterst gevoelloze wijze werd meegedeeld: “Ongeneeslijk, we dachten het al.” Meedogenloos unaniem.

Op zeker moment moest ik zelfs denken aan het Orakel van Delphi, waar de Pythia haar godsspraak pleegde te verkondigen op haar Drievoet. Doch hoe zangerig ook, het werd een onthoofdend betoog. Als een mes op de keel.

Beste hooggeachten, ik kan niet anders zeggen, dan dat mijn vrijdagavond zowat naar de knoppen was, en dat ik die ongenade van jullie tenenkrommend vond. Wat zeg ik: het leek wel alsof de Parketschavers van Caillebotte door mijn maag kropen. Toevallig ook met z’n drieën. De schilder echter had een veel effectievere aandacht voor de benadering van het onafwendbare ‘tegenlicht’.