Inmiddels is het alweer voorbij half oktober.
Verblindend mijn computerscherm, alsook de vele ogen die ik tekort
kom, om de hartsgrondelijke weemoed ervan verwerkt te krijgen.
Te zien, dat niet alleen vogels veders hebben, maar dat er ook
bomen zijn met gevederde takken. Even hemelgericht als de vogels.
Met hun grillige harttak en hun wufte kruinen
vol zowel licht als schaduw terzelfdertijd. En ja, het lag er weer, dat
prachtige goudgele strooisel van de Valse Christusdoorns op de Keyserlei
in Antwerpen. Bladjes niet groter dan een pissebed,
maar zo vrolijk als confetti, ter ere van Trezeke’s zomer?
Ook in Mechelen kom ik die bomen steeds vaker tegen.
Inmiddels werpen ze hun prachtige kronkelende peulen af, waar ik
niet aan voorbij kan, zodat ik er een hele zak van heb vol geraapt.
Zonder mij af te vragen: wat ga ik er mee doen, maar gewoon
om het wonderlijke ervan.
Maar ook de zaden van de Esdoorn wieken zich wentelend naar
beneden. Alsof piepkleine onzichtbare vogeltjes hun ijle vleugeltjes
zijn kwijtgeraakt. En wat een wonder weet zich daaruit soms
te ontvouwen, met een beetje geluk dan toch. De wereld doet ons janken,
maar oktober droogt ons de ogen.
This is the shape of Time, a river without a line,
a life becoming wider, a heart still learning fire.
I hold what I can’t keep, I wake what hides too deep,
and all I know keeps changing, in the shape of Time.




