Het is zo ver: ik ben kinds geworden?
Het achtergebleven sterrenlichtje van mijn inmiddels volwassen
kindskind staat nu naast mijn bed te flonkeren.
Ik gaap mij te pletter aan de sterrenhemel op mijn plafond
en ik vind het zo fascinerend als het maar kan zijn.
Voor wie zou ik mij moeten schamen op dit nachtelijk uur?
De nachtraaf in mij spreidt z’n vleugels
naar de hoogte die plots open gaat, naar de laatste sikkel
van de maan en naar de sterrenman, hoog boven mij.
Ik los mijn vol gewassen geest en herbeleef
mijn kleindochter ’s kindsheid, alsook die van mezelf,
in dit glinsterende licht van tweemaal zoveel jaren later.
Niettemin, het wekt ook weemoed op, maar
hier & nu vervangt het moeiteloos de eventuele droom,
mocht ik op dit nachtelijk uur reeds in slaap zijn gesukkeld.
Lichtjes. Ik kan er, ab incunabulis, niet genoeg
van krijgen. Ik hoop er tot in mijn stervensuur door omgeven
te worden, vooraleer het voor-immer-stikdonker blijft.

