DE ACHTSTE DEZER MAAND

Vergéét het, suikerzieke suikertangen,
de achtste dezer maand weert zoet beleg.
Al joeg Vic Nees graag vrouwen op hun stangen,
de vrouwendag stond hem nooit in de weg.

Hij leerde mij te zwijgen & te zweten,
in weerwil van veel innerlijk gekwek.
En, ontoereikend om zijn maat te meten,
het hoofd te buigen spijts een stijve nek.

Al liep zijn leven in de dood verloren,
-reeds hakt reeds maalt de tijd ook mij reeds fijn-
ik weet, ik zie, ik kan hem zelfs nog horen,
nee, ‘minimaler’ dood kan niemand zijn.

Die dag, die man, ik zal hem blijven vieren,
op duizend zegevierende manieren.

OP VINKENSLAG

Daar is de lente, daar is de zon? Nog niet echt een heteluchtkanon, maar meer moest dat niet zijn voor een zaterdagmorgen in februari. Dus weg met die verfomfaaide varens rond de vijver, waar is de heggeschaar, ik ga ze knippen.

En daar lag je dan plots: vinkje, gods klein pinkje. Met gespreide vleugeltjes op een bedje van klimop. Nog maar juist voorbij de hongersnood, en nu ineens op vinkenslag dood. Te pletter gevlogen tegen het gepantserde raam van de veranda, van waarachter wij jou -behendig zwierend boven de dagelijkse aanvoer van gepelde zonnebloempitten- de hele winter verrukt hadden gadegeslagen.

Je had je wijd open gespreide vleugeltjes blijkbaar niet eens meer kunnen dicht vouwen. Ik zag je oogspleetjes nog een beetje blinken: de prachtige pas begonnen dag bleek ineens je laatste te zullen zijn. Net nu het langzaamaan weer beter ging worden, met de belofte van de beloofde lente weerspiegeld in de ruiten. Nochtans, ze waren vuil, de blauwe lucht kon er zich maar amper in herkennen. En jij jezelf blijkbaar ook niet. Je moet er vanuit zijn gegaan, dat je er dwars doorheen kon vliegen, maar dat bleek echter wraakroepend onmogelijk.

Je leek nog volledig intact, en van een perfectie die mij deed huiveren. Dat wonderlijke kleurenspel van je verrassend zachte veertjes, je tengere pootjes met die vier ragfijne teentjes daaraan, die flinterdunne nageltjes: had ik ooit iets mooiers in mijn hand? Hoeveel ‘kunst & kunst-matigheden’ moet de mens niet verzinnen, om de pracht van nog maar één vinkenveertje te kunnen evenaren? Het onbeschrijfelijke bestaat wel degelijk, en zeker bij gewaarwordingen, die de dampkring der zintuigen voorbij schieten. Want inderdaad, dat doen ze soms.

Hier is uw leven & daar is uw dood? Maar o die denkbeeldige stalen plaat daar tussen, die plots als de valbijl van een guillotine naar beneden valt. Genadeloos, ook al beweerde de arts Joseph-Ignace Guillotin destijds, dat de ‘patient’ daarbij nauwelijks ‘een gevoel van koelte’ in de hals zou merken. En in volle vlucht te pletter vliegen tegen een raam? Het was me alleszins geen troost, vinkje, dat je ’t misschien nauwelijks hebt gevoeld: je neer gestuikte aanblik was verpletterend.

Liefste Suskewiet, hoe betreur ik je mort subite. De winter nauwelijks afgevinkt moest jij het loodje leggen. Bonk, en het was voorgoed gedaan. Van de ene harteklop op de andere. Ik voel me beschaamd & schuldig voor de dubbelglazige ramen waarachter ik mij verschuil. En maar zonnebloempitten strooien. Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht? Wie heeft dat in godsnaam verzonnen.

Doch hoe dan ook voel ik altijd veel ontzag voor het gestorvene, voor de van het leven beroofden, en voor het mysterie daarvan. Steeds fluister ik dan als vanzelf: “O.. mijn.. god..” Met telkens in mijn achterhoofd die eeuwige vraag geloof-jij-in-het-bestaan-van-God, echter nooit zonder het meest goddelijke antwoord (!) ter wereld daarop: dat van Gerard Reve. “Bestaan, dat heeft God niet nodig.”

OPEN KAART

Zou hij in ’t licht van een ander bestaan
dus niet als mijn broer zijn geboren:
ik had hem wellicht aan mijn haak willen slaan,
en verliefd zijn tot over mijn oren.

Was hij in feite dus toch niet mijn broer,
ik zou het wel hebben geweten:
ik zou hem, al bleek het een heksentoer,
achterna willen hebben gezeten.

Maar ’t was niet nodig, dus geen billen bloot,
er zijn zo van die godsgeschenken:
met hem levensgroot als een broer op mijn schoot,
dichterbij zijnd viel niet te bedenken.

Eendere genen, alsook eender bloed,
en waar ’t niet kan gaan zal het kruipen:
dus hem tegemoet dat voelt steeds o zo goed,
als honing die mij blijft bedruipen.

Geeft hem dat kriebels of iets van dien aard,
geen woord waar ik hem mee ontriefde:
thans vier ik hem vurig -ik speel open kaart-
als een soort Valentijnse geliefde.

VRIEZEMAN

Ja hoor, ineens was hij daar. Niet de jonge vrolijke Jack Frost-versie, maar de strenge oude Vriezeman. Hij vroor ons huis uit de grond, tot het ervan kraakte en hield het in zijn ijselijke handen. Probeer dan maar eens op temperatuur te blijven. Maar nee hoor, we laten ons niet gaan, we gaan er duchtig tegenaan.

Vriezeman houdt blijkbaar absoluut niet van gewelfde lichaamslijnen, laat staan van blootpadden. Hij wil ons bedolven weten onder een wirwar van groezelige breisels. Maar wat had hij dan gedacht: dat we ons bloot zomaar aan hem zouden laten zien? Nee hoor, we hebben elkander niet veel meer te vertellen.

Maar des te harder schreeuwt de kou, en ook het bibberlijf zet zich meteen luidruchtig aan de klaagmuur, als het moet worden omwikkeld: te dun! te kort! te somber! te bloot aan de nek! De februari-kleerkast wordt er horendul van, en weet niet wat aan te reiken, want wat een rommeltje, zeg. Niet dat ik als een glinsterende ijskoningin doorheen deze noordoostelijke dagen wil, maar toch.

Hoe dan ook: graag een béétje convenabel in de kleren, dankuwel alstublieft? Zolang het vuurtje op de badkamer brandt, en elk item daaraan kan worden voorverwarmd, begaat bibbermans telkens opnieuw de fout om alle hogere warmte-eisen meteen weer te laten varen. Vriezeman denkt er het zijne van?

Want eenmaal daarvan weg, blijkt het toch al gauw niet voldoende te zijn, en moet er toch weer van alles overheen, om die warmbloedige zevenendertig op peil te houden. Het kan niet pluizig & dik genoeg zijn, en hoe opgewolder hoe liever. Laag na laag worden de hogere pretenties één na één de kop ingedrukt en ontstaat er in de spiegel een ontevreden gedrocht, vol groezelige plakpluizen.

En daar zitten we dan: te klein voor de warmte, te groot voor de kou. Als een hooihopper van wol & wemels. Als een vormeloze textielberg vanwaaruit het moeilijk is handig te blijven, want alles hangt en sliert en belet je. De betere versie – de oude kapel die zich ’s morgens nog had laten versieren op hoop van zegen- voelt zich teleurgesteld: wat baten bloes & strik, onder truien lelijk & dik?

‘Niks, nulkommaniks nog van te zien’ tikken de vingers vanuit de veel te dikke mouwboorden, van waaruit ze als dunne uitgestoken nekken tevoorschijn komen. Als verbleekte tengels die zich het syndroom van Raynaud op de hals dreigen te halen: vingers die er plots zo wit uitzien als die van een lijk, en die aanvoelen alsof ze de mijne niet meer zijn. Het oude vel als van perkament.

Maar ook dàt gaat weer voorbij. M’n vingers raken net niet bevroren en moeten dus niet worden afgezet, zoals echter wel moest gebeuren met de afgevroren pootjes van deze Siberische straatkat Dymka. Gelukkig kreeg ze speciale 3D-geprinte prothese-pootjes, waarmee ze moeiteloos elke vrieskou kan trotseren.

En ja natuurlijk, het kan ook uitzonderlijk mooi zijn. Je kan prachtige ‘freezing bublles’ blazen in de vrieskou. Of je strooit gepelde zonnebloempitten in de tuin en je krijgt een ballet van dansende vogeltjes, die je bevroren netvlies doen smelten als sneeuw voor de zon. Vriezeman vindt dat we binnen moeten blijven, verscholen als wolluizen in een schapenvacht? Nee hoor, want daar is de zon, en deze hooihopper moet dringend naar de Veritas voor een stopnaald. Catch me, Old Man Winter, if you can, ik ga zonder dralen de lente halen, en jou onderuit!

IN DE STILTE

Het is alweer drie februari. En elk jaar opnieuw denkt Maria Lichtmis: ofwel ben ik te vroég, ofwel is hij te lààt. Het zal altijd een raadsel blijven tussen die twee.

Ondertussen is ‘zij’ alweer voorbij, en zit ‘hij’ op zijn tijdloze werkkamer. Hij houdt er de stilte meestal als een mantel om zich heen geslagen. Dat kriebelende etiket in zijn nek ‘afwezigheid van verkeer, vertier en drukte’ heeft hij eraf geknipt. Alleen al het gekrab deed de stilte samenkoeken tot ongewenste pluisbolletjes.

En dit is het vertrouwde beeld: een gebogen gestalte in z’n eigen stilte, op het versleten gezeten gestoelte van z’n multi-functionele werkkamer vol virtuele werelden. Twee schermen, en het hadden er nog dubbel zoveel mogen zijn. Nochtans, ten dienste van maar één oog, want het tweede is verblindend lui.

Hoe dan ook: altijd weer op zoek naar ‘das Schöne’ zoals geformuleerd door Rainer Maria Rilke: ‘Denn das Schöne ist nichts als des Schrecklichen Anfang, den wir noch grade ertragen, und wir bewunderen es so, weil es gelassen verschmäht uns zu zerstören’. Op zoek dus naar het geheim van het schone, ‘als het verschrikkelijke begin van wat wij nog net kunnen verdragen, en waar we zoveel bewondering voor hebben, omdat het zo gelaten nalaat om ons te vernietigen.

Kortom, begin er maar aan. Maar hij dappert er zich doorheen, weliswaar als ‘een stille in den lande’. Elke dag opnieuw, nadat niettemin elke ochtend het zoveelste bananenschijfje zich weer van hem heeft afgekeerd, richting het laag-bij-de-grondse. Echter, de dag is dan nog lang, hoewel toch nog te kort, dus doe er de halve nachten ook nog maar bij voor een zacht prijsje, want waar het stil is, is het goed haver zaaien: in de heerlijk stille nachten dus, sinds de avondklok.

Sowieso, in de stilte. Zowel letterlijk als figuurlijk. Soms in een vredige, dan weer in een diepe, en soms zelfs in een doodse of een ondraaglijke. Hoe dan ook, tot stilheid geslagen, aldus ‘zijn hoedanigheid niet openbarend’. De stilte is van glas. Alles weerspiegelend: zowel zak & as, als Deo Gratias, voor viool & contrabas.

Soms stolt de stilte in zijn schrijfwerkerij als een bloedkorst boven een wonde: wanneer je er aan begint te pulken, gaat het plots toch weer bloeden. “Van zo’n dikke roven moet je afblijven” zeg ik dan. Men kan zich nu eenmaal aan een vuile paal niet schoon wrijven. En soms hoort hij in de oorverdovende stilte zijn muizenissen zo luidruchtig aan hem knagen, dat het veeleer ratten lijken te zijn.

Als hij tussendoor vol stijfselpap komt te zitten-zitten-zitten, dan loopt hij een paar korte wijlen als een John Cleese rond de tafel, met hoge groteske stappen, om de ‘stessel’ er weer uit te krijgen. Maar al gauw citeert hij vervolgens zuchtend zijn geliefde Gezelle-zin: ‘Scheef is de poorte, van oudheid geweken…’

Ook ‘The Ministry of Silly Walks’ vindt dat het beter kan. Tot zijn broek ervan scheurt, zodat we om een nieuwe moeten, als het weer mag? En hij op de roltrap naar boven weer zal meesmuilen: “Allez, waar is hier de afdeling meelzakken?” Tot even later: “Die spiegels moesten korter zijn, zodat mijn kop niet te zien is!” Of: “Nee, niet te doen, beurzensnijders! En wat een lijf, kom, we stoppen ermee!”

Enfin, dat geworstel met die ‘schrechlichen Anfang’, daar weet hij inmiddels alles van. Het kriebelt hem onophoudelijk onder de voetzolen, amper te verdragen. Echter, vermits het ‘onaangedaan zal nalaten hem te vernietigen’, durf ik dat vandaag op zijn verjaardag in stilte vieren met een vrolijk gezang. The rest is silence. Niettemin, van rijmdwang tot dadendrang: hij leve lang, hij leven lang!

CARTA FANTASMA

Ach, zijn de dichterbij-tjes
met uitsterven bedreigd?
’t Blijkt hoe dan ook een soort te zijn,
die ’t zwaar te verduren krijgt.

Laat ons de gaten dichten,
die hen ten gronde richten.

ZULK GELUK


Wat een wonderlijke wezens,
viermaal zus & driemaal broer.
Soms tot schrijvens, soms tot lezens,
ruggespraak bij rep & roer.

In dezelfde buik gezeten,
van dezelfde makelij.
Borst-gevoederd, ongeweten,
later werd dat koek & ei.

Vonkelingen, helle vlammen,
gensters van hetzelfde vuur.
Mysterieuze cryptogrammen,
eendracht versus rust noch duur.

Zingen, zwijgen, prutsen, praten,
elk z’n eigen zelfportret.
Het geboortehuis verlaten,
reeds in erfrecht omgezet.

Weg de moeder, weg de vader,
zo vilein, die stervenspijn.
In ons aller hoofdslagader
blijft ons bloed het hunne zijn.

Al geraakt het niet omschreven,
zulk geluk, van meet af aan:
’t blijft een wonderlijk gegeven,
bloed dat kruipt waar ’t niet kan gaan.

AMERICAN DREAM

Het nieuwe jaar was amper een week oud, en de eerste schandvlekken -die er nooit meer uit zullen gaan- waren alweer gemaakt. Er was zelfs braaksel, covid-spuwsel & bloed bij. Onze hoop op een béter jaar werd meteen de kop ingedrukt, met de kreet: “En dit is nog maar het begin, we komen terug, met wapens!”

Oké, hoop begint altijd in de donkerte. Hoop moet altijd worden aangestoken als een kaars, wil ze kunnen ontbranden. Doch niet elke wiek weet de vlam er in te houden, niet elke hoop overleeft dat bevende begin in het duister. Er is warmte & beschutting nodig om de aanmaak ervan een kans te geven tegen de wind in.

We willen uiteindelijk allemaal hetzelfde? Dat lijkt een simpel gegeven, doch er blijken miljoenen ‘verschillende hetzelfdetjes’ te zijn. Een uiterst rekbaar begrip dus, waardoor ongewild ‘mijn’ welbevinden het ‘uwe’ danig in de weg kan zitten, en andersom. Niet ieder schip vaart onder een eendere vlag, en als die vlag daarenboven ook nog eens gehavend is geraakt, ziet niemand nog wat het verschil is tussen de sterren & de strepen daarop. Noch wiens schip het is.

Dat we zo van gedacht & van mening kunnen verschillen over van alles & nog wat, het neemt soms hallucinante vormen aan. We leven daarenboven op een planeet vol contradicties, tot in de kleinste onderdelen daarvan: boeiend langs hier, vermoeiend langs daar. Maar de tweeling Ja & Nee uit elkaar zien te houden bij hun juiste naam: alleszins een nobele betrachting, en een duidelijk begin?

Niettemin, soms kan je alleen nog maar zeggen: daar is mijn kop te klein voor, nu breekt mijn klomp. Soms komt er iemand aan het licht & aan het woord, die eigenlijk al lang had moeten zwijgen, liefst als vermoord. En in dit specifieke geval bijvoorbeeld door elektrocutie, aan die verzengende haarslierten te zien.

Should auld acquaintance be forgot, and never brought to mind? The American Dream kent vele variaties, en dit is nog maar het begin: we komen terug, met bewijzen! And we’ll take a cup o’ kindness yet, for days of auld lang syne.

LORD OF THE LIES

Ik heb een monument voltooid
bestendiger dan brons en hoger
dan koninklijke piramiden;

geen vraatzucht van een regenbui,
geen teugelloze noordenwind
geen eindeloze jarenrij
en vlucht der tijden breekt het af.

Volledig sterven zal ik niet,
van mijn persoon zal een groot deel
ontkomen aan de doodsgodin;

ik zal voortdurend groeien bij
het nageslacht door nieuwe roem
zolang een priester met een maagd
zwijgzaam het capitool beklimt.

Vertellen zal men dat, geboren
waar een woeste Aufidus
rumoert, waar waterarme Daunus
over boeren heeft geheerst,

ik van lage afkomst opklom
door als eerste het Aeolisch
lierdicht tot Italische
verspatronen te verweven.

Toon de trots, Melpomene,
die mijn verdienste van U vraagt:
omwind gewillig nu mijn haren
met een lauwerkrans uit Delphi.

Naar een gedicht van Horatius, in een vertaling van Piet Schrijvers:
‘Ik heb een monument voltooid’.

TUSSEN LICHT EN DONKER

In mijn kinderjaren leerde ik op school ooit een gedicht, waarvan ik mij alleen nog maar de eerste regel kan herinneren, hoewel het hele gedicht destijds veel indruk op mij maakte: ‘Nu luister hoe Jezus die droeve kerstnacht, blijdschap en vree in de loopgraaf bracht…‘ Over een vader die wel of niet terug zou komen.

We leerden het met veel pathos opzeggen, terwijl het buiten steeds vroeger donker werd, en het vond toen veel weerklank in mijn kinderlijk gemoed. Ik moest er deze kerstmis onwillekeurig aan terugdenken bij het dempen van de lichten binnenshuis, en bij het zorgelijk dichtschuiven van de overgordijnen.

Kerstmis zonder getrouwen, zonder vrienden weliswaar, en toch uiteindelijk een muts & een hoedje teveel op de nok van de kapstok? Er waren confronterende gesprekken aan vooraf gegaan, want het helverlichte maaiveld bood weinig zekerheid, tenzij de déze: uw kop zal eraf gaan, als hij zal worden gezien!

Het gaf -eens te meer- een vreemd gevoel: te moeten kiezen tussen het kleine onooglijke ‘welzijn’ of het overgrote ‘algemeen belang’. Hoe kleiner de familie, hoe moeilijker. Slechts één dochter hebben & één al groter kleinkind? De vreemde Covid-kerstmis ‘miek’ er een loopgraaf van, we moesten er kop-in-kas doorheen. Hoop vangt altijd aan in de donkerte, en deze keer dus meer dan ooit.

LICHTJESDAG

Dertien december, dag van Santa Lucia. De vlammen van de brandstapel hadden geen vat op haar. Zij offerde haar ogen aan God en toch kon ze nog zien. Steeds weer weet zij in december de zoekgeraakte zon terug te vinden. Zo brengt zij licht in de korste dagen voor kerstmis, tot ze weldra weer beginnen te lengen.

Het was vandaag ook wereldlichtjesdag, en dat zal Santa Lucia wel bevallen: om zeven uur vanavond wordt er overal een lichtje aangestoken voor ieder gestorven kind. Geen wind of geen mens die het voortijdig uit zou willen blazen.

En in Zweden wordt Santa Lucia gevierd, als de tegenhanger van onze Sinterklaas, van de Britse Father Christmas en het Russische Grootvadertje Vorst. Er komen frisse jonge meisjes aan te pas met brandende kaarsenkronen, die in de vroege morgen iedereen gaan wakker maken met koffie en saffraanbroodjes, in de vorm van de winterzonnewende. Kan het nog mooier?

MOEDER

O wat zijn wij heden blij, want je bent blijven verjaren, liefste moeder, tot op de dag van vandaag. Al 23 jaar lang nemen wij jou mee in de tijd. Op de laatste verjaardagskaart die ik jou heb geschreven -26 november 1996- staan mijn woorden er sindsdien een beetje verweesd bij, maar je hebt ze in ieder geval nog gelezen. Als een onhoorbare hartekreet, want ik zag je alsmaar brozer worden.

Vloei maar
vloedjes, eb maar ebjes,
liefste zee van tijd, volhardt

– springtijd
mag daar zelfs nog schepjes
bovenop doen voor mijn part –

doch ontzie
de doorlaatklepjes
van mijn moeder’s kostbaar hart.

Doch daar had die zee-van-tijd blijkbaar geen oren naar, je hebt je volgende verjaardag net niet meer gehaald, een bloedklonter raakte plots verdwaald.

Moeder, schrijf ik vandaag, wees niet zo eenzaam, ook al krimpen de jaren ineen zoals destijds -meer dan acht keer opnieuw- je baarmoeder. De tijd, niet groter dan je vuist, heeft vrucht gedragen tot ver buitenshuis. Geboren anno 1923 op een vriezende novembermaandag zou je, of liever bén je vandaag op zonnige & windstille wijze 97 geworden. Sluimerend, met een hart dat is wakker gebleven. De tijd heeft geen vat meer op jou, maar jij nog wel op ons, god zij dank.

Wat een gezegende novemberdag, moeder, elke keer opnieuw. Al voel ik mij soms radeloos omdat ik van het ‘uw-kind-zijn’ zoveel vergeten ben. Maar toch.

AMOR FATI

November voelt langs alle kanten nattigheid. Alleen de klimop durft nog te denken: wat blijf ik er toch goed uitzien en grijpt vervolgens triomfantelijk met verre vingers zowel naar het tuinpad, als naar de dakrand van het huis.

De zon speelt met de volgspot: vijf minuutjes de volle focus op de verlaten tuinzetel, daarna al gauw overspringend naar de bos verkleurde hortensia’s, om mij even later plots frontaal te verrassen met een verblindend oog in oog.

En inderdaad, Guido Gezelle: hoe zeere vallen ze af, de zieke zomerblâren, hoe zinken ze, allemaal, die eer zo groene waren, te grondewaart! De loofbomen staan weer met al het geduld van de wereld hun lot te aanvaarden, en daardoor het dus ook in stand te houden. Daar valt iets van te leren: amor fati, omarm uw lot. Het roept alleszins een bemoedigend beeld op, vooral dat ‘omarmen’ dan toch.

Tot één van mijn taaie zusjes ineens angstwekkend ziek blijkt te zijn en dus onderworpen dient te worden aan pijnlijke onderzoeken: als een bitter apéritief voor het galgenmaal dat nog moet komen? Bovendien kan er van daadwerkelijk ‘omarmen’ voorlopig niks in huis komen, want vooral ‘dat‘ mag thans niet meer.

Het zal dus vooral met woorden moeten gebeuren, maar zoals de schrijfster Marie d’ Agoult al zegde: ‘Er zijn woorden die opstijgen als een vlam en andere die neervallen als regen.’ Als een vlam die zowel kan oplichten als verwarmen als verbranden, of als regen die zowel uiterst heilzaam kan zijn, maar ook troosteloze zompigheid kan veroorzaken? Woorden, het is geweten, laten aan duidelijkheid soms veel te wensen over. Allemaal dubieuze januskoppen.

Met herfstige slierten muziek dan maar, die in de ijlte grijpen als wilde wingerd op zoek naar de laatste houvast van het jaar. Of met vergeten melodieën, die net als verdroogde rozen hun schoonheid wisten te behouden. Zal ik alvast duizend kraanvogels vouwen, in de hoop dat ik dan een wens mag doen? Ondertussen probeer ik sowieso mee te zingen met Jenn Johnson’s ‘You’re gonna be akay‘ in de hoop dat het waar mag zijn voor mijn zieke zusje, in dit al even zieke jaar.

ACHTERUITKIJKSPIEGEL

(naar een gedicht van Gerrit Komrij)

Hij leest, zonder te lezen, een verhaal
Dat als een scheermes door zijn hersens gaat,

Dat in zijn nek slaat als een bliksemstraal
en dan blijft steken in zijn ruggegraat.

Het is een koud verhaal, vol hete haat.
Het gaat tekeer en vult hem vertebraal.

Zijn mergpijp gilt ervan als vlees dat braadt.
Het is geschreven in zijn moedertaal.

Hij leest het. En zijn achterkant voelt kaal
En open aan, een ruggelings gelaat,

Een reflecterend vlies, waarin brutaal
zijn eigen spiegelbeeld hem gadeslaat.

HOOGDAG

Dag moeder & dag vader, herenigd met elkaar in het hemel weerspiegelende graf, toegedekt met de door mijn zusje weer wit geschrobde woorden daarop:
‘Ik sluimer maar mijn hart is wakker‘.

De Hoogdag van Allerheiligen doet dit jaar onwillekeurig – alsook noodgedwongen – weer denken aan die veelzeggende zin van Anton van Wilderode: ‘Meer binnenwaarts, dan met gebaar naar buiten.’ Maar ook aan dat prachtige duet van Händel: ‘As steals the morn upon the night..

‘Zoals de morgen de nacht besluipt en de schaduwen doet smelten, zo verjaagt de werkelijkheid de bekoring van fantasieën & wanen die het verstand benevelen, en doet zo het licht van de rede terugkeren.’