IN DE STILTE

Het is alweer drie februari. En elk jaar opnieuw denkt Maria Lichtmis: ofwel ben ik te vroég, ofwel is hij te lààt. Het zal altijd een raadsel blijven tussen die twee.

Ondertussen is ‘zij’ alweer voorbij, en zit ‘hij’ op zijn tijdloze werkkamer. Hij houdt er de stilte meestal als een mantel om zich heen geslagen. Dat kriebelende etiket in zijn nek ‘afwezigheid van verkeer, vertier en drukte’ heeft hij eraf geknipt. Alleen al het gekrab deed de stilte samenkoeken tot ongewenste pluisbolletjes.

En dit is het vertrouwde beeld: een gebogen gestalte in z’n eigen stilte, op het versleten gezeten gestoelte van z’n multi-functionele werkkamer vol virtuele werelden. Twee schermen, en het hadden er nog dubbel zoveel mogen zijn. Nochtans, ten dienste van maar één oog, want het tweede is verblindend lui.

Hoe dan ook: altijd weer op zoek naar ‘das Schöne’ zoals geformuleerd door Rainer Maria Rilke: ‘Denn das Schöne ist nichts als des Schrecklichen Anfang, den wir noch grade ertragen, und wir bewunderen es so, weil es gelassen verschmäht uns zu zerstören’. Op zoek dus naar het geheim van het schone, ‘als het verschrikkelijke begin van wat wij nog net kunnen verdragen, en waar we zoveel bewondering voor hebben, omdat het zo gelaten nalaat om ons te vernietigen.

Kortom, begin er maar aan. Maar hij dappert er zich doorheen, weliswaar als ‘een stille in den lande’. Elke dag opnieuw, nadat niettemin elke ochtend het zoveelste bananenschijfje zich weer van hem heeft afgekeerd, richting het laag-bij-de-grondse. Echter, de dag is dan nog lang, hoewel toch nog te kort, dus doe er de halve nachten ook nog maar bij voor een zacht prijsje, want waar het stil is, is het goed haver zaaien: in de heerlijk stille nachten dus, sinds de avondklok.

Sowieso, in de stilte. Zowel letterlijk als figuurlijk. Soms in een vredige, dan weer in een diepe, en soms zelfs in een doodse of een ondraaglijke. Hoe dan ook, tot stilheid geslagen, aldus ‘zijn hoedanigheid niet openbarend’. De stilte is van glas. Alles weerspiegelend: zowel zak & as, als Deo Gratias, voor viool & contrabas.

Soms stolt de stilte in zijn schrijfwerkerij als een bloedkorst boven een wonde: wanneer je er aan begint te pulken, gaat het plots toch weer bloeden. “Van zo’n dikke roven moet je afblijven” zeg ik dan. Men kan zich nu eenmaal aan een vuile paal niet schoon wrijven. En soms hoort hij in de oorverdovende stilte zijn muizenissen zo luidruchtig aan hem knagen, dat het veeleer ratten lijken te zijn.

Als hij tussendoor vol stijfselpap komt te zitten-zitten-zitten, dan loopt hij een paar korte wijlen als een John Cleese rond de tafel, met hoge groteske stappen, om de ‘stessel’ er weer uit te krijgen. Maar al gauw citeert hij vervolgens zuchtend zijn geliefde Gezelle-zin: ‘Scheef is de poorte, van oudheid geweken…’

Ook ‘The Ministry of Silly Walks’ vindt dat het beter kan. Tot zijn broek ervan scheurt, zodat we om een nieuwe moeten, als het weer mag? En hij op de roltrap naar boven weer zal meesmuilen: “Allez, waar is hier de afdeling meelzakken?” Tot even later: “Die spiegels moesten korter zijn, zodat mijn kop niet te zien is!” Of: “Nee, niet te doen, beurzensnijders! En wat een lijf, kom, we stoppen ermee!”

Enfin, dat geworstel met die ‘schrechlichen Anfang’, daar weet hij inmiddels alles van. Het kriebelt hem onophoudelijk onder de voetzolen, amper te verdragen. Echter, vermits het ‘onaangedaan zal nalaten hem te vernietigen’, durf ik dat vandaag op zijn verjaardag in stilte vieren met een vrolijk gezang. The rest is silence. Niettemin, van rijmdwang tot dadendrang: hij leve lang, hij leven lang!