NESTVLIEDERS

Je nest verliezen, dat overkomt niet alleen vaak de vogels, maar steeds vaker ook de mens. Op allerlei manieren, maar in het ergste geval toch wel: door oorlog of door brand. En wat een onvoorstelbare gedachte: het kwijt zijn van alles. In zak & as zitten is in figuurlijke zin al zo erg, maar in de meest letterlijke zin moet dat ronduit onbeschrijfelijk zijn.

Je nest, dat draag je onbewust altijd met je mee, waar je ook gaat of staat. Voor twee nachten naar Parijs? Ook al vertoef je er nauwelijks: voor mij geen miezerige kamer om kosten te besparen. Het bederft je hele verblijf. Die miezerige kamer gaat ongemerkt overal met je mee, ze houdt huis in je achterhoofd. Dan maar liever een keertje minder.

Echter, wat zet je daar in godsnaam tegenover voor al die mensen die het compleet onvoorstelbare dan toch moeten meemaken? Als zelfs de vleugels van hun bewaarengel vlam hebben gevat? Het is wereldwijd aan de gang. Alleen al mijn gedachten daaraan leggen mij het vuur aan de schenen, terwijl de radio zingt: ‘Vluchten kan niet meer…”

Het doet me bovendien ook weer denken aan ons geliefde ouderlijk huis, dat na vaders dood willens nillens moest worden verkocht.

En alsof dat op zich al niet pijnlijk genoeg was, bleek alleen de oorspronkelijke gevel ervan overeind te blijven. Waarachter vervolgens ons hele huis werd afgebroken & vervangen door een nieuwbouw. Toch ook wel twee keer een voelbare vorm van ‘je nest verliezen’.

Denkend aan de gestorven vader, die het zich eveneens niet zou kunnen voorstellen, dat wij dat hebben laten gebeuren: het weerloos laten verdwijnen van zijn levensgedroomde huis. Hoe de vader in mij daar om treurt. En hoe het mij ontbreekt aan de gepaste troost. Eens temeer, Lucebert, blijkt inderdaad: alles van waarde is weerloos.

LOERHOEK

Neem bijvoorbeeld dat boek ‘De taal der Verliefden’ van de Franse schrijver-filosoof Roland Barthes, waarin hij elk schilfertje gevoel dat daarmee gepaard gaat, letter per letter onder de scanner van zijn denkvermogen legt, zo raak & uitvoerig beschreven, dat ik nauwelijks kon geloven wat ik las. Jaren geleden, maar wat een koortsachtige ontdekking, even zinderend als de zonovergoten zomer van toen.

Overigens, zélf in die tijd ‘ten-prooi-aan’ voelde ik mij bijna ten persoonlijke titel door Barthes beschreven, dus ik vond het wel wat.

Nooit eerder had ik zoiets uitzonderlijks gelezen. Om hem dan onlangs plots, tot mijn blije verrassing, weer tegen te komen in het boek ‘Loerhoek’ van Bernard Dewulf, waarin hij zijn bewondering uitspreekt voor Roland Barthes, in zijn column hieronder: ‘BAKKERIN’.

Roland Barthes heeft de meest wonderlijke dingen geschreven over de minst wonderlijke, waardoor die dan toch wonderlijk werden. Een wonderlijk schrijver dus.

Hem lezend gebeuren er twee dingen tegelijk. De overmoed om het ook zo te kunnen en de moed in de schoenen. Zo wordt het nooit iets.
Barthes is een idool. In het beste geval steekt het ikdool (typfout maar ik laat ze staan?) zelf de scepsis van zijn bewonderaar aan. Wat tot hartverscheurende taferelen kan leiden. Gisterenmiddag zat ik over hem gebogen in de krant. Hij heeft, las ik, een gesprekje met de bakkersvrouw over het weer. Wanneer hij opmerkt dat “het licht zo mooi is vandaag”, antwoordt de bakkersvrouw niets. Besluit van Barthes: ‘Ik begrijp dat het zien van het licht samenhangt met een klassebepaalde gevoeligheid.’ De bakkerin had het licht niet gezien.

Nu moet ik toch om brood en is het licht mij dierbaar.
Ik stap de bakkerij binnen, er zijn geen andere klanten aanwezig, en ik zeg rustig ‘mooi licht vandaag’. Even is het diep stil, de bakkersvrouw frommelt haar schort in haar handen, knikt en zegt dan ‘wreed schoon’.
Daar stonden we, Barthes en ik, bien étonnés. Ik had nog nooit iets afwijkends gemerkt aan mijn bakkersvrouw, tenzij misschien in de heupen. Ik keek haar zo ondubbelzinnig als mogelijk aan, liet van mijn impasse niets merken en bestelde het brood.

De mythische handelingen die zich vervolgens voltrokken. Het brood dat toen mijn verdeeldheid aan den lijve ondervond. Ik had er een idool bij.

Maar wat Dewulf hierboven over Barthes zegt, dat geldt minstens evenzeer ook voor hemzelf. Ik gaf af & toe wel eens een reactie op zijn Si & La columns in het Standaard Magazine. Hij heeft me elke keer onmiddellijk geantwoord, en uiteraard op zulk een boeiende wijze, dat ik er maar heel sporadisch gebruik van durfde te maken.

Ondertussen zwijgen zijn niet-meer-geschreven woorden zich al drie jaar dood. Nu ik hem niet meer kan verstoren, durf ik hem wel weer frequenter te schrijven. But his computer says no? Echter, zijn deur blijft open, zijn hart nog meer. Hij zal er altijd zijn.

NIEUWJAARKE ZOETE?

Kerstmis heeft z’n recht gehad, we kunnen weer verder? Het zal wel moeten, met die inmiddels meer dan 8 miljard mensen op de wereld.

Little drummerboy zit thuis alweer vogeltjes te voeren, en de engelen hebben hun vleugels terug over de haag gesmeten, al dan niet van hun kerstgeloof afgevallen. Het kerstekind is ondertussen wellicht gestorven van de kou en de drie koningen geraken hooguit nog tot bij de bakker. Kortom, heel het kerstgebeuren ligt alweer in de uitverkoop.

Geen wonder dat de kerstbomen daar weemoedig van worden. Ze weten, of ze voelen, dat de wereld niet meer écht meedoet. Ook de wind doet meer dan z’n kwaaie best om doorheen kieren & spleten binnen te dringen, in een poging de hogere sferen weer weg te blazen.

Echter, ik zet mij schrap, ik gooi mijn kop in de wind, onze kerstbomen mogen, alle vier, nog dagen lang blijven branden. ‘Meer binnenwaarts dan met gebaar naar buiten’ zou Anton van Wilderode daarvan zeggen.

Hun lichtjes moeten de sterren vervangen, want zijn wij niet van sterrenstof gemaakt, en hoe voelbaar ver zijn wij inmiddels wel niet van hen verwijderd geraakt? Heimwee doet ons hart dan wel verlangen naar de geur van brem en hei, of naar de weiden mistomhangen op een morgen in de mei: er is ook dat diepe heimwee naar het heelal, dat heimwee naar ontsnapping aan onszelf. Mijn nieuwe agenda zal er vol van staan, achter zijn fluisterblauwe klep ‘porta patet, cor magis’.

Nieuwjaar is een roeptoeter, een druktemaker? Echter, we weten inmiddels maar al te goed: niets is wat het lijkt. Meneertje Ouwejaar mag dan wel gebaren van krommenaas, Nieuwjaarke Zoete ligt volgens mij eerder als een weerloze boreling te rillen van de kou. Bang voor de roeptoeters & de druktemakers, die we uiteindelijk zélf blijken te zijn?

Maar toch, moge de mensheid zich, ondanks alle kommer & kwel, op tijd & stond blijven laten zien van een wat vrolijker kant, dankuwel alstublieft. Ook dàt zullen wij uiteindelijk toch weer zélf moeten doen.

En hebben ze geen gelijk, die speelse jonge meiden daar?

BESTE WENSEN?

Gezwicht voor zijn fluisterblauwe aanblik. Alsook voor de verzilverde achterkant, waarop Oscar Wilde er – als uit de nevelen van de tijd – voor rugdekking zorgt. Daar viel niet aan te weerstaan. Mijn nieuwe agenda van Paperblanks, met ruimte voor een dagelijkse reflectie.

Hij heeft daarenboven een magnetische klep, in plaats van zo’n (toch wel eerder ordinaire) rekker. Mijn woorden & mijn notities gaan daar blij mee zijn. Ikzelf iets minder: die dagelijkse opdracht – hoe miniem ook – laat zich nogal gemakkelijk vergeten. Eertijds moest ik soms tot twee weken later de dagen alsnog zien vol gekribbeld te krijgen.

Het ziet er alleszins een mooi & evenwichtig getal uit. Het vorige jaar is uitermate moe makend geweest op wereldwijd tergende wijze. Er valt heden ten dage zoveel te wensen voor ’t nut van ’t algemeen, dat de mond vol tanden zich geen raad meer weet: welke te kiezen?

Maar ziehier dan deze nachtelijke notitie uit het boek ‘Struinen, lezen en denken‘ van Theodore Dalrymple, met die alles omvattende wens: ‘Ik wens u alle geluk in het nieuwe jaar en bovendien zoveel vitaliteit en energie dat ze het u mogelijk maken om duizend jaar te leven.’

Of die al even zowel vurige als toepasselijke wens van Bertolt Brecht: ‘Moeders, omdat het u is toevertrouwd een oorlog te gedogen of niet, smeek ik u, laat uw kinderen leven! Zodat ze u hun geboorte danken en niet hun dood. Moeders, laat uw kinderen leven!’

Echter, voor mijn meest eigenste nieuwjaarswens ben ik te rade gegaan bij Gerrit Achterberg: Het schijnt een kwestie van meten en tellen, waar of gij in mijn leven wederkeert.’ Maar ook: Diep in de kamers hangt een oude flits van zilver voor de dieven’. Hoe dan ook, zullen we sowieso maar met z’n allen wat beter op onze tellen passen?

Ach, beste mensen, wees mij genadig,
fluistert het Nieuwe Jaar.

LIED VOL AARZELINGEN

Laat nu de engelen zingen:
“Dit kind blijft ongedeerd!”
Of hebben de hemelingen,
zich van ons afgekeerd?

Zij laten zich niet dwingen,
verbaasd, verbouwereerd:
“Ach, dwaze stervelingen,
geen kind blijft onbezeerd!”

Zijn wij God’s hekelingen,
wordt over ons beweerd:
een koor van woestelingen,
dat zingt niet, dat scandeert?

Hoezeer dat ook blijft wringen,
laat ons niet zijn verleerd:
om zélf te durven zingen,
“Dit kind blijft ongedeerd!”

HEER, ONTFERM U OVER ONS?

Zo aangrijpend klinkt in Rusland het Onze Vader. Als een berustend gebed vol vertrouwen en geloof in het goede. Dan denk je toch: hoe kan in ’s hemelsnaam die gruwelijke oorlog daar vandaan komen?

Otche Nash is het meest bekende werk van de Russische componist Nikolay Kedrov, die na de Oktoberrevolutie in 1922 emigreerde naar Berlijn en later naar Parijs. Daar doceerde hij aan het Conservatoire Rachmaninov. Otche Nash is gecomponeerd in dat beruchte jaar 1922.


In schril contrast met deze aquarel van de Oekraïense kunstenares Kateryna Lysovenko, gemaakt tijdens haar vlucht naar Oostenrijk. Zie het boeiende artikel van Kateryna Botonova, rectoverso.be: ‘
De Oekraïense kunst die werd vernietigd, en de kunst die er nooit kwam‘.

Anastasia Gladilina is een populaire Russische tienerzangeres. Zij zingt hier op 15-jarige leeftijd met ‘the Choir of Sretensky Monks’ het inmiddels wereldberoemde Kyrie. Het contrast kan niet groter zijn.

CHECK-UP

Die dode huid moet van mijn ziel.
Gevoelige snaren best vervangen.
Vermoeide stem, spaak in mijn wiel.
Niet meer in staat tot jubelzangen.

Mijn alziend oog krijgt grauwe staar.
Het puntje van mijn tong verloren.
Geen sprake meer van engelenhaar.
Ondraaglijk droog achter mijn oren.

De maat der dingen kwijtgeraakt.
Nog lang niet zinnens los te laten.
Dus ijlings het verschil gemaakt.
Heb al bij al niet makkelijk praten.

UIT HET VERGEETWOORDENBOEK

Zoekend naar een verloren boek, kreeg ik ineens dat verscholen helblauwe ruggetje in het vizier. Al een oud nooit meer bekeken boekje, zo bleek. Uitgegeven door de Bezige Bij in 1994, dus al dertig jaar oud.

Een woordenboek waarin in onbruik geraakte Nederlandse woorden door literatoren op persoonlijke wijze worden omschreven’. De titel ‘Vergeetwoordenboek’ sloeg inmiddels niet alleen op vergeten woorden, maar ook dus op het woordenboek zèIf. Geheel onterecht, ik trof daarin meteen een bijzonder fragment aan van Kees Fens.

‘Gestalte’ is veel te concreet. Ik probeer maar: gedaante, suggestie, aanwezigheid, moment. Wat een woorden: ze liggen allemaal verkeerd. ‘Moment’ het minst. Ogenblik – het is eigenlijk wel mooi. Het ogenblik van het eewige. Dat was, dat is, ik weet het niet, de stilte.

Stilte is weg als je haar opmerkt. Wie haar benoemt, verdrijft haar. Wie aan de speld denkt, is verloren. Maar er is het minimale moment tussen ervaring en het bewustzijn ervan. Daar ligt de stilte. Je hebt haar even en je raakt haar weer kwijt. Voortdurend. Het woord ‘stilte’ is er de herinnering aan. Maar dan vult het zich in een nieuwe uiterste seconde opnieuw met betekenis. Het bestaat weer. Wat een woord, seconde. Er is nu even geen voortgang in de tijd.

Hij was heel ver. Maar ook overal. Hij keek, zei men. Maar hij hoorde vooral, want hij werd de hele dag aangeroepen, al of niet zingend. En dan in een vreemde taal. Dat zingen was, denk ik, het eerste beeld. Hij was muziek. En in de stilten ertussen strekte de eeuwigheid zich even uit.

Er zaten grote ramen in het gebouw. Met heel vaag gekleurd glas erin. Ik zat en keek omhoog naar dat onbeweeglijke licht. Ik trof het, want het moet toen een mooie zomer zijn geweest. Het gebouw was streng, maar bij die ramen hield zich het ochtendlicht op. En dat maakte mij zo gelukkig, dat ik wist dat hij het was: buiten en onbereikbaar, maar naar binnen lichtgevend.

En dat licht was steeds hetzelfde en ook steeds weer anders. Hij was het licht in de ramen, hij was de muziek in het gebouw, hij werd zelfs de rook die omhoog ging en waarvan de geur in de stenen leek te trekken. God. Het is geen woord. Want het kan de hele taal als betekenis hebben.

Stilte is een oud woord geworden. Zoals God, dat het best omschreven kan worden als ‘afwezigheid van stilte’. Maar toch. Heel soms zijn de twee, God en stilte, toch nog even één. Maar ik weet, dat het verlangen naar het definitief samen vallen van de twee een droom is geworden. Welk woord zouden zij samen opleveren? Eeuwigheid, denk ik. Twee metaforen smelten samen tot één en worden werkelijkheid.

Maar wat is het allerverschrikkelijkste woord, dat maar niet dood wil gaan? Sputum. Sputum zat in een blauw flesje op het nachtkastje van mijn vader. Ik las het sprookje ‘De geest in de fles’ en wist ineens dat hij bij elke hoestbui een deel van zijn geest in dat flesje opsloot. Ineens was het vol en toen was hij dus dood. Hij verdween, het flesje verdween.

Stilte, God, sputum – wie van de drie hebben het meest betekend? Ik weet het niet. Het geloof is een hoestbui, heb ik eens ergens gelezen. Misschien is dat ook waar.’

KEES FENS

STAAKT HET VUREN?

Hoe kunnen we een leven redden:
door met de vingers te wijzen?
Hoe kunnen we alzo de strijd ooit beëindigen?

Als schuld de waarheid is die we prediken,
en leugens zijn wat we geloven? Niemand wint ooit,
als het doel is de score te vereffenen.

Eén voor één zullen wij oproepen tot een
STAAKT HET VUREN?
Eén voor één zullen we vechten
VOOR EEN BETER EINDE?
Eén voor één kunnen we de
KRANTENKOPPEN HERSCHRIJVEN?
Eén voor één
BOUWT LIEFDE EEN IMPERIUM OP?
Eén voor één slaan we een brug
NAAR ONZE VIJANDEN?
Eén voor één
BEREIKEN WE DE FINISH?

Ook al zijn we zelf verre van perfect,
genade is gemaakt voor zij die het niet verdienen.

Het is zo gemakkelijk om de eerste steen te werpen,
het is zo moeilijk om de eigen ziel te doorgronden,
transformeer onze pijn en geef ons vrede.

Aldus de song ‘Ceasefire’
van de Australisch/Amerikaanse band ‘for King & Country’,
geschreven voor de herverfilming van Ben Hur in 2016.
American Songwriter beschreef hen als
‘Australië”s antwoord op Coldplay’.

BEKENTENIS

De stad
geeft u zo zelden prijs,
gaf mij een
blindenstok in handen?

Dus op
gevaar af van nooit meer,
beken ik
buiten pijn & banden
,

mijn vrees
voor ’t levenseindig vuur,
dat mij plots
van u weg zal branden..


EINDELIJK IS HET WEER DECEMBER?

Iemand moet het doen:
de boom weer de huiskamer in sleuren. Uit het bos, uit de kelder,
of van de zolder? Zo’n Nordmann in een net van bij de Hubo,
of op z’n gruwelijkst: die van vorig jaar terug gaan uitspitten
in de tuin? Maar dat laatste: trotzdem ohne mich!

U heeft goed gekozen, meneer! Die bakfiets
hoeft niet altijd vol te zitten met zelf gebakken kinderen,
waarvoor Van Veen zingt: ‘Opzij! Opzij! Opzij! Maak plaats!
Maak plaats! Maak plaats! Wij hebben ongelofelijke haast!’

Echter, ik mag wel hopen dat u
ei zo na thuis bent?

Inderdaad, eindelijk is het weer december.
Eén der zusjes opperde dit jaar geen kerstboom te zetten, wegens
teveel wereldellende: het zou ongepast zijn. Voor mij echter:
hoe meer kerstbomen & hoe meer lichtjes, hoe feller het besef
dat er zoveel mensen zijn die dit nu moeten missen.

De kerstboom in al zijn glorie heeft mij van kinds af aan
gefascineerd. Die lichtjes, daar is het mij altijd om te doen geweest:
ze moesten liefst ontelbaar zijn & in alle zekerheid eindeloos
kunnen branden, hetgeen met de eerste generatie lichtjes soms
bangelijk was, dus lang leve die zorgeloze ledlichtjes!

Waar is de tijd toen dat nog met echte kaarsjes moest gebeuren,
die dan maar heel even mochten branden na lang gezeur.
Tot de kerstboom plots als een vlammende fakkel moest worden
buiten gegooid. Hoe glansloos de wereld toen opeens was geworden,
ik moet er om gejankt hebben, dat kan niet anders.

Maria door een doornwoud trad, ’t had zeven
jaar geen loof gehad? Welk lied ik ook zal zingen, het zal
altijd ‘Au plaisir de te revoir’ zijn. ‘Als zo’n zin onder aan een brief
die plots als een vlinder wegfladdert uit de cocon van de formule’
zoals Luc Devoldere dat zo onnavolgbaar mooi omschrijft.

Boompje groot, plantertje dood?
Laten we elke kerstmis blij zijn, dat we er nog bij mogen zijn.
Jaren lang kwam onze alleen gevallen vader hier kerstmis mee vieren,
en elke keer vroegen wij ons af: zal hij er volgend jaar
ook weer bij zijn? En jawel hoor, maar ineens: nooit meer.

Zet hem, zusje-lief, zet hem toch maar.
Het hele huis zal er weer van gaan blozen, en wellicht ook jijzelf.
Toch niet de achterkant van de maan, toch niet de donkerte
achter de ramen, toch niet de matte glans van boze tranen?
Je hebt ze meer dan ooit nodig, zusje, die lichtjes.

NOVEMBRRRRRR…

Soms ga ik er in alle regenachtige vroegte
plots van wakker liggen: van het onvoorstelbare, dat
heel even in een flits, ineens toch voorstelbaar wordt.
Iets van op slag. Iets van op de natte stenen.

Dan worden mijn lippen er zo droog van
en mijn ogen zo nat, dat ik het gevoel heb dat het staat
te gebeuren. Op zo’n gure donkere novembermorgen,
zwetend want wetend ze moeten daar door.

In die onheilspellende vroegte vol gevaren, in het
natte licht dat zich chaotisch op de Vroegelingen werpt.
Gejaagd door de wind, rakelings voorbij gezoefd door
andere onmisbaren, die met hun dubbel zoveel wielen.

Bij voorbaat gaan treuren om er alvast aan te wennen,
voor in geval dàt? In de hoop op ‘strafvermindering’?
De geliefden, zo hachelijk onderweg met hun weerloze
pracht & hun niet te beschrijven onmisbaarheid.

ST.ERFDAG

Ja moeder, ik wist het als eerste: wij zijn
allemaal, als brandende kaarsen, uit uw buik gekomen.
Ik was tien, toen uw achtste geboren werd; nog méér
en ik had uw eigen vroedvrouw kunnen zijn.

Acht paar gepoetste schoentjes op rij, bid voor ons,
valkuil vol achterhaalde sinterklazen, idem dito.

Ja Moeder, ik dank u, al voel ik mij soms zo
onzeker als een verkoopster, die zojuist makreeltjes
in olijfolie heeft zitten eten en, stinkend naar het leven,
vragen moet: “Kan ik u helpen, meneer?”

Frikadellen met noordkrieken, bid voor ons,
pioenrozen op het oude kerkhof, idem dito.

Ach Moeder, ik weet niet wat mij vandaag
het meest weemoedig stemt: uw gewijzigde
aanwezigheid in mijzelf, of de erfenis van uw
blijvende – o zo beklijvende – doodsmoedigheid.

Soepknook in de ziedende pot, bid voor ons, en
alle memento-mori-moeders ter wereld, idem dito.

Waft her, Angels, through the skies, far above yon azure plain!

FORÊTS PAISIBLES

Vredige Wouden,
geen enkel ijdel verlangen vertroebelt hier
onze harten, als ze er gevoelig voor zijn.
Fortuin, dat is hier niet de favoriete wens.

Grootsheid, kom ons nooit
je valse aantrekkingskracht aanbieden!
De hemel heeft die uitsluitend bedoeld
voor onschuld & voor vrede.

Laten wij blij zijn met onze toevluchtsoorden,
en genieten van deze rustgevende rijkdom.
Ach! Kan men gelukkig zijn
met een andere wens dan de deze.

Forêts paisiblesis een hoopvolle verzuchting uit Jean-Philippe Rameau’s ballet-opera ‘Les Indes Galantes’ (1735), een mengeling van exotisch gekleurde dansen, verrukkelijke koren, aria’s en ariettes. Les Indes Galantes (de hoffelijke Indiërs) stond toendertijd synoniem voor bewoners van elk denkbaar niet-Europees of exotisch land.

Het gezang van de ‘Vredige Wouden’ wordt vooraf gegaan door ‘Les Sauvages’, de dans van de vredespijp, uit de (Amerikaanse) wildernis. Rameau doelde met ‘les Sauvages’ op de vredespijp rokende Indianen.

Met muziek en dans wordt een schets gegeven van de ontmoeting van de Franse cultuur met wat men toen ‘wilden’ vond, of ‘Indes’: Turken, Inca’s, Perzen – exoten, anders gekleurd en anders in de liefde. Maar toch, rivaliteit, eer, jaloezie – het is ook bij hen niet anders.

(Info: Ben Frie SJ recentie, igniswebmagazine.nl) Hieronder de Concertversie van ‘Les Arts Florissants’ onder leiding van William Christie. Alsook een getransformeerde hedendaagse versie: hiphoppers die dansen op barokmuziek. En in ruil voor al die uitgesmeerde Trump-miserie in woord & beeld ook nog het alles overstijgende ‘Tendre Amour’, uit ditzelfde hartveroverende werk.

VICTORY?

Victorie kraaien: de overwinning op de duisternis, de triomf van het licht? Anno 2024 doet dat heden ten dage eerder denken aan een oude protserige haan, type Trump, boven op de mesthoop van de wereld. Dus niet als aankondiger van de nieuwe dageraad, want wie wakker genoeg is & goed luistert hoort hem eerder ‘Patriarchaat!’ schreeuwen, afgewisseld met beuzelpraat als ‘Weg met al wie mij tegenstaat!”

Hoe dan ook, er worden eieren gelegd bij de vleet, maar vaak hebben ze geen schalen en blijken ze dus niet levensvatbaar. Doch dat zal de kraaiende Trumphaan een zorg wezen: de taak der kippen is niet de zijne. Als attribuut van zijn eigen gepersonifieerde wellust hoeft hij alleen maar koning te kraaien, in god’s naam zelfs, naar eigen zeggen.

Maar in weerwil daarvan is de Trumphaan helaas ‘not a Good Luck Rooster’ want hoor hem maar schreeuwen: “Nog voor ik tweemaal zal hebben gekraaid, zal ik u reeds driemaal hebben verloochend!” Hij regeert de omgekeerde wereld, met zichzelf als de maat der dingen: waar zijn kop met hanenkam moest staan, bevindt zich zijn cloaca, en andersom. Maar het wervende filmpje hieronder slaat je hoe dan ook de bijl uit je handen, hetgeen er dan ook de bedoeling van is.

God keek neer op zijn geplande paradijs en zei:” Hier stinkt echt iets. Ik riek iemand die drie Egg McMuffins eet voor ontbijt, haat verspreid, de grondwet vernietigt en de democratie, vijf Big Macs eet als avondmaal. Vervolgens naar zijn Oval Office gaat en de boel daar doet stinken, terwijl hij uitsluitend naar Fox News kijkt.God smelled Trump.

“Ik riek iemand met stinkende oksels die andere wereldleiders doet kokhalzen, scherp genoeg om er zelfs een olifant mee om te leggen. Iemand die de hele planeet doet stinken en met een paar graden doet opwarmen. Komt ranzig thuis en slaat een fles Brut 33 achterover, zonder enig bijkomend effect. God smelled Trump.

God zei: “Ik riek iemand die elk gebod overtreedt, en daarvoor aanbeden wordt door zijn volgers. Iemand die de bedroefden bespot. Iemand die met z’n voeten in de drollen van dictators durft te trappen. Iemand die op wonderlijke wijze het geld van zijn meest fervente fans kan laten verdwijnen. Iemand die het verschil niet kent tussen respect voor de rechtstaat en het onderdompelen van zijn oranje kop in zijn eigen gouden wc.” God smelled Trump.

God rook iemand die tot op de bodem wil gaan om te winnen, en zelfs nog verder. Een put gravend voor zijn rotte leugens, de menigte achter zich meeslepend. God smelled Trump. En God zei: “Ik riek iemand met een schadelijke, weerzinwekkende, kwalijke stank. Die shit heb ik niet gemaakt. Lucifer, ben je de kattenbak weer vergeten? Jesus Christ.”