Zoekend naar een verloren boek, kreeg ik ineens dat verscholen helblauwe ruggetje in het vizier. Al een oud nooit meer bekeken boekje, zo bleek. Uitgegeven door de Bezige Bij in 1994, dus al dertig jaar oud.
‘Een woordenboek waarin in onbruik geraakte Nederlandse woorden door literatoren op persoonlijke wijze worden omschreven’. De titel ‘Vergeetwoordenboek’ sloeg inmiddels niet alleen op vergeten woorden, maar ook dus op het woordenboek zèIf. Geheel onterecht, ik trof daarin meteen een bijzonder fragment aan van Kees Fens.
‘Gestalte’ is veel te concreet. Ik probeer maar: gedaante, suggestie, aanwezigheid, moment. Wat een woorden: ze liggen allemaal verkeerd. ‘Moment’ het minst. Ogenblik – het is eigenlijk wel mooi. Het ogenblik van het eewige. Dat was, dat is, ik weet het niet, de stilte.‘
‘Stilte is weg als je haar opmerkt. Wie haar benoemt, verdrijft haar. Wie aan de speld denkt, is verloren. Maar er is het minimale moment tussen ervaring en het bewustzijn ervan. Daar ligt de stilte. Je hebt haar even en je raakt haar weer kwijt. Voortdurend. Het woord ‘stilte’ is er de herinnering aan. Maar dan vult het zich in een nieuwe uiterste seconde opnieuw met betekenis. Het bestaat weer. Wat een woord, seconde. Er is nu even geen voortgang in de tijd.
Hij was heel ver. Maar ook overal. Hij keek, zei men. Maar hij hoorde vooral, want hij werd de hele dag aangeroepen, al of niet zingend. En dan in een vreemde taal. Dat zingen was, denk ik, het eerste beeld. Hij was muziek. En in de stilten ertussen strekte de eeuwigheid zich even uit.
Er zaten grote ramen in het gebouw. Met heel vaag gekleurd glas erin. Ik zat en keek omhoog naar dat onbeweeglijke licht. Ik trof het, want het moet toen een mooie zomer zijn geweest. Het gebouw was streng, maar bij die ramen hield zich het ochtendlicht op. En dat maakte mij zo gelukkig, dat ik wist dat hij het was: buiten en onbereikbaar, maar naar binnen lichtgevend.
En dat licht was steeds hetzelfde en ook steeds weer anders. Hij was het licht in de ramen, hij was de muziek in het gebouw, hij werd zelfs de rook die omhoog ging en waarvan de geur in de stenen leek te trekken. God. Het is geen woord. Want het kan de hele taal als betekenis hebben.
Stilte is een oud woord geworden. Zoals God, dat het best omschreven kan worden als ‘afwezigheid van stilte’. Maar toch. Heel soms zijn de twee, God en stilte, toch nog even één. Maar ik weet, dat het verlangen naar het definitief samen vallen van de twee een droom is geworden. Welk woord zouden zij samen opleveren? Eeuwigheid, denk ik. Twee metaforen smelten samen tot één en worden werkelijkheid.
Maar wat is het allerverschrikkelijkste woord, dat maar niet dood wil gaan? Sputum. Sputum zat in een blauw flesje op het nachtkastje van mijn vader. Ik las het sprookje ‘De geest in de fles’ en wist ineens dat hij bij elke hoestbui een deel van zijn geest in dat flesje opsloot. Ineens was het vol en toen was hij dus dood. Hij verdween, het flesje verdween.
Stilte, God, sputum – wie van de drie hebben het meest betekend? Ik weet het niet. Het geloof is een hoestbui, heb ik eens ergens gelezen. Misschien is dat ook waar.’
KEES FENS







