ZOMERPOST

GROETEN UIT MUSKOGEE,
OKLAHOMA, USA.

Dat zal een tijdreis moeten worden.
Terug naar de hippie-jaren, die rond 1969
op hun hoogtepunt waren, hoewel toen nog enigszins
ver van mijn bed & mijn binnenste.

Maar mijn liefde voor Westerns & Country Music
vond reeds eerder zijn oorsprong: in de Bessy-stripboeken
uit mijn jeugd, waarin de blauwogige Andy Cayoon samen
met Bessy de gevaren van het Wilde westen hielp te trotseren.

Net zoals in die Country Song van Merle Haggard
‘Okie from Muskogee’ paste het daarin geschetste beeld
perfect bij het eveneens toen nog kleine dorp waar ik woonde,
en bij het gezagsgetrouwe leven dat ik toen leefde.

Maar ook: die man, die stem, die beat, dat erotisch
klinkende Amerikaans, het vloeide als smeerolie
tussen de raderen van mijn toen nog haperend brein.
Kortom: ik viel er voor in katzwijm, en nog steeds.

De song kwam op nummer 1 in de hitlijsten
en won een CMA Award in 1970.
Haggard zei dat hij het nummer aanvankelijk schreef
tegen de hippie cultuur in Amerika.

Er werd wiet gerookt en LSD, vlaggen verbrand
en geprotesteerd tegen de oorlog in Vietnam. Terwijl men,
zo vond hij, zelf een vrijgevochten leven leidde.
Hij wilde de soldaten steunen met zijn song.

Daar kwam hij later echter heel wat genuanceerder
op terug. Hij gaf toe dat zijn opvattingen over die
Vietnam-protesten anders waren toen hij het lied schreef.
‘Ik ben het later gaan zingen met een andere intentie…’

Maar dan: zoveel jaren later, déze uitvoering, déze
twee doorleefde mannen, zo zichzelf als men zichzelf maar
kan zijn. Wat een zinderende herbeleving. Wat een aura,
wat een ogentroost voor die van mijzelf.

Je hoeft dus niet per se jong te zijn (of nog in leven..)
voor zulk een onweerstaanbaar sex-appeal,
als dat van deze twee: the biggest trill of all.
I love it, I’m a freak-fan.

We don’t smoke marijuana in Muskogee,
we don’t take our trips on LSD,
we don’t burn our draft cards down on Main Street,
we like living right and being free.

We don’t make no party out of lovin’,
but we like holding hands and pitching woo.
We don’t let our hair grow long and shaggy,
like the hippies out in SanFrancisco do.

And I’m proud to be an Okie from Muskogee,
a place where even squares can have a ball.
We still wave Old Glory down at the Courthouse,
and white lightnin’ s still the biggest tril of all.

Leather boots are still in style for manly footwear,
beads an Roman sandals won’t be seen.
And Football’s stil the roughest thing on campus,
and the kids here still respect the college dean.

Merle Haggard was een van de meest invloedrijke figuren
uit de Amerikaanse countrywereld in het tweede deel van de
vorige eeuw.Tijdens zijn zestigjarige carrière schreef hij
een veertigtal nummer-één-hits in de country charts bij elkaar.

In 1977 werd hij al opgenomen in de Nashville Songwriters
Hall of Fame, en zeventien jaar later viel die eer hem opnieuw
te beurt in de Country Music Hall of Fame.
Hij stierf, 79 geworden, op zijn eigen verjaardag, 4 april in 2016.


Got the news this morning, it would be a tough day:
someone’s so much larger than life, can’t believe
he could pass away. When it comes to country music
he’s the world, and it wouldn’t be all it is, without Merle.

And he won’t ever be gone, his songs live on.
A fugitive and a brand new man, Mama tried to understand.
Left us a lifetime of songs, and he won’t ever be gone.
We were friends right from the start.

And we shared some high times, I would sing
some songs he wrote, and he would sing a few of my own.
Music made us brothers ‘til the end. Not a day
goes by that I don’t miss him.

And he won’t ever be gone,
his songs live on, ramblin’ fever and the way I am.
Blue collar blues for the working man,
we’ll be singing him back home from now on.

And he won’t ever be gone,
his songs live on.


ZOMERPOST

GROETEN UIT DE TEMPEL
VAN ONGEKORVEN HOUT

Wat een aangrijpende affiche,
van de Zwitserse kunstenaar Hans Erni. Ik heb er minuten lang
naar zitten staren, ze greep mij enorm bij de eigen keel.
Bang geworden van de gedachte alleen al aan het woord: de hakbijl.

En hoe actueel nog steeds. Het gejank van de kettingzagen
gaat door merg & been. Zelfs de Boom van Kennis (!) van Koen & Kwaad
weet niet meer waarheen te wroeten met z’n gekromde worteltenen.

Negen op de tien aanvragen voor ontbossing krijgen groen licht.
Het doet inderdaad denken aan die marteltechniek
in het Oude China: dood door duizend sneden.
‘De wolken worden in ’t Westen hoe langer hoe dikker,
daar is zeker iets, dat ik niet noemen zal, aan de knikker!’

zou De Schoolmeester zeggen.

En jawel, in de nabijheid van bomen begin ik altijd vanzelf
luidop met hen te praten. Mijn ontzag voor hen is enorm,
dus mijn ziel prevelt bovenal ook Gerrit Achterberg achterna:
‘Ik ben te klein om naar u op te zien,
gij kunt me niet tussen de korrels vinden, uw ogen staren
hoog over mij heen. Gij zijt te wijd, ik ben te dicht opeen.’

Ik ben een citerend, alsook een mijzelf eindeloos
herhalend mens, dat tot de vaststelling komt:
ik weet niets van alles, en/of ook andersom.

Zodoende herhaal ik,
bij deze, mijn eigen verzuchting

ALLEEN AL DE BOMEN

Ter sprake, alsook reeds ter zake gekomen,
de eeuwige eindigheid van het bestaan.
Hoezeer ook de zeerte, alleen al de bomen,
ze vangen de vogels, de wind & de maan.

Ze troosten het trieste van wat is geweten:
dat mensen veel eerder verdorren dan zij.
De bomen, ze zien ons hen zien, maar ze weten,
één ding is zeker, ook dàt gaat voorbij.

Al worden wij ooit achterovergeslagen,
al komt er een eind aan ons zijn & ons zien:
de bomen vertragen, de bomen verdagen
zoals wij hen zagen, voor nog lang nadien.

What’s it like to be a tree? Let’s see:
you just grow, very slow, don’t you know so very slow
no one can see, ‘cause you’re a tree.

What’s it like to be a tree? Let’s see:
you don’t worry, never hurry, never do things in a flurry,
you’re as peaceful and calm as can be.

Just be a tree.

ZOMERPOST

GROETEN UIT DE EINDIGHEID

‘O Vader, zeg mij waarom de zon niet valt?’ liet Multatuli een zoon aan zijn vader vragen in zijn ‘vierde geschiedenis van gezag’. Omdat de vader in het verhaal zich schaamde het antwoord niet te kennen, strafte hij daarvoor zijn zoon, op levenslang beïnvloedende wijze.

Maar o, dan te spreken over onze eigen vader! Hem weer kromgebogen te zien zitten, met een horlogeloep voor zijn rechteroog, boven het getik van de tijd. Immer met een luisterend oor & een nooit ontbrekend antwoord. Inmiddels echter, midden in de zomer, reeds voor de achtste keer opnieuw gestorven, met zijn blik op oneindig, maar rond een tafel vol herinneringen door ons weer tot leven gelachen.

Hoe hij op een morgen aan de zorgverpleegster, die hem naar de badkamer riep, vroeg: “Moet dat nu echt élke morgen..?”
-“Jaja, da moet, daar ben ik voor gekomen, hé..” Waarop vader, zich met enige tegenzin ophijsend aan zijn rollator, repliceerde: “Allez, dan zal ik mij onderweg nog maar wat vuil maken, hé..”

Of zoals vader op ’t eind van zijn leven zich realiseerde: ‘Ge kunt niets meenemen, ge moet het allemaal achterlaten..’ Hij vond dat een moeilijke gedachte, ik heb ze van hem geërfd.

En dan mijn hooghartige bedenking: dat met mijn eigen dood ook al mijn innige gedachten aan hem zullen verdwijnen. Dat hij dan geen oudste dochter meer zal hebben om nog aan hem te denken, zoals ik dat – hem uitermate liefhebbend – een leven lang zal hebben gedaan. Evenzeer wat ook ons moeder betreft. Hun geliefde afsplitsingen zullen hen één voor één ontvallen, tot ze uiteindelijk door niemand nog ‘mijn vader & mijn moeder’ zullen worden genoemd.

Hoewel de Eeuwige Tijd eender wie kan laten geboren worden of doen sterven, en zelfs rozen kan baren: stilgevallen klokken & horloges zijn hem een voortdurende doorn in het geestesoog. Daarentegen, mijn vader wist daar alles van. Hij kon de stilgevallen tijd telkens in een mum van tijd weer herstellen. Hij kreeg er 98 levensjaren voor.

Ondertussen blijft het wachten op de tijd waarvoor de tijd nog niet gekomen is? In het verleden ligt het heden, in het nu wat komen zal? Volgens Aristoteles is tijd ‘de maatstaf voor verandering’, volgens de filosoof Ernst Bloch ‘het principe van de hoop’. Behoudensgezind kies ik voor het laatste. Vervolgens het o zo blije vers van Bert Schierbeek:

maar we zouden niet vergeten dat
we hebben gelachen, gelachen hebben
we veel en dat zal ik niet vergeten
want we hebben gelachen en veel hè?
en dat zullen we nooit vergeten
omdat we zoveel gelachen hebben en dat
niet vergeten gvd wat hebben we gelachen
en niet en nooit vergeten dat we zo
hebben gelachen omdat we samen waren
en zoveel gelachen hebben dat we
het nooit zullen vergeten

ZOMERPOST

‘De dichter voedt de poëzie’, 1952, Oost-Indische inkt, waterverf op papier,
Collectie Stedelijk Museum Amsterdam.

GROETEN UIT
HET HART VAN DE TIJD

Stille spraak-loze dingen,
botsende woorden, overrompelende beeldspraak?
Uitwaaierende verzen, onvrede met de burgerlijke orde,
duivels, engelen, geestesverschijningen, angstige koppen?
‘Wie wil stralen, moet branden’ heeft hij gezegd.
‘Met zon treedt veel in het licht.
Een kunstwerk moet een prisma zijn,
het moet van alles weerspiegelen.’

Maar dit is misschien toch wel het ultieme bewijs:
‘Alles van waarde is weerloos en wordt
van aanraakbaarheid rijk.’

Dat moet de keizer van de Vijftigers zijn,
alsook de mede-oprichter van de Cobra-groep:
Lucebert, uit te spreken als ‘Loetsjebert’,
naar het Latijnse luce=licht.
‘Schoonheid treft de mens met het besef
een broodkruimel te zijn op de rok
van het universum.’

Dichter, schilder, maltentige losbol, woelgeest,
moerasruiter van het paradijs, en zoals zijn dichterlijke naam
aangeeft: een ‘lichtdelver, maar ook, een oplichter‘ in beide betekenissen van het woord.
Soms zelfs met een even zonsverduisterende vleugelsslag
als de mythologische reuzenvogel Roc.

`

Maar lees hieronder vooral de prachtige ‘Brief aan Lucebert’,
door Koen Vergeer, uit zijn brievenboek ‘Heelal van papier’
gepubliceerd in Neerlandistiek,
het online tijdschrift voor taal en letterkunde.

https://neerlandistiek.nl/2024/05/de-ruimte-van-het-volledig-leven/

En als tegenhanger en/of als aanvulling Maarten ’t Hart aan het woord.

ZOMERPOST

Evert van Hemert

GROETEN UIT
ALLES-VAN-WAARDE

Dat blijf verwonderd’ laat weer van zich horen,
er brandt weer licht in mijn ivoren toren:
weer een subliem zusje, dat jarig is,
weer dat verlangen naar gelijkenis.

Woorden die zeggen: schrijf op, bloedverwant,
schrijf en gebruik uw gelukkige hand:
maak haar tot een palindroom van een vrouw,
een ‘levensnevel’ verdampende dauw.

Ik is een ander? O nee, dat is zij,
haar ziel is nobeler dan die van mij.
Spiegel im spiegel, ach taalzuiveraar,
ontzie mijn woorden, ze aanbidden haar.

Soeur Sourire


GROETEN UIT NOSTALGIA

Gij zijt verdwenen, zoete vijgen? En ook de kaneelwijn is op?
In de zetel gelegen: dus niet gedanst, niet jong genoeg meer
voor de daad & de durf?
Pluimen verliezen, daar weet mijn innerlijke tortel aardig
van mee te koeren. De veervelden zijn uitgedund,
het is dus hooguit nog pronken met andermans veren.

Vrienden zouden alleen degenen mogen heten,
die ontdekken hoeveel jaren er voor hen in het verschiet liggen
en ze dan onder elkaar verdelen. Maar de vreemdmaker loopt tussen de mensen en duwt ze uit elkaar. Gods hartslag in ons: de angst. Een god die de mensen niet geschapen, maar gevonden heeft. Een god, zo minuscuul dat hij ieder schepsel binnenglipt’.


Aldus Elias Canetti.
Winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur in 1981, en schrijver
van het in mijn schoot verkleefde ‘Boek tegen de dood.’

‘Wat belachelijk dat men wil worden lief gehad en ‘zichzelf kent’.

Niettemin, geliefde genaamde, uw blik op mijn woorden
maakt ze inktblauw, maakt zelfs woorden van de vlekken.
Uw geest zweeft er overheen, als een teken:
‘Er zij licht!’

Maar o, het nostalgisch verlangen
van de fluisterende ziel: zoals het woord ‘ooit’ gevangen zit
in het dichtgenaaide woord ‘nooit’.

I know you know, and that’s all I need.

GROETEN UIT RUKKELINGEN

Plots die uiteenspattende wolk van pluimpjes,
alsof het sneeuwde. Een kortstondige verwondering,
die echter op slag veranderde in hartverlammende afschuw.

Een klamper dus, die zich out of the blue tegen 100 km per uur
op een parmantig rondwandelend tortelduifje wierp,
op nauwelijks een paar meter van ons vandaan.

Plotser bestaat niet.
Ging ook meteen genadeloos rukkend aan het werk.
Ronduit niet om aan te zien. Ik heb mij de rest van de dag
en de daarop volgende nacht eindeloos afgevraagd:
te laat voor welk ingrijpen dan ook?

Waar bleef mijn hartverscheurende schreeuw?
Te laf om er naar toe te schieten, omdat er bezoek was?
Met mijn groot lomp lijf dat kleine weerloze torteltje
niet weten te beschermen: shame were is thy blush?

De schrijnende resten gingen mij door merg & been:
alleen nog het kopje op een bedje van donsveertjes.
Met even nog een helder open oogje, alsof het mij
nog een laatste keer wou aankijken, zoals het dat zo dikwijls
had gedaan. Maar toen kwam er ineens een vliesje over
alsof het zeggen wou: schluss damit.

Ik heb Torteltje’s kopje met beloftevolle woorden
toevertrouwd aan de bloeiende hortensia’s, waarlangs het
voorheen zo dikwijls naar mij toe kwam gewandeld.
De rollen zijn nu dus omgekeerd.
Alleen, ik wandel er niet langs, ik blijf er bij stil
staan.

Die uitgerukte veertjes. De aanblik ervan joeg het kind in mij
naar buiten om te doen wat ik dus heb gedaan:
ze terug bijeen geraapt & opnieuw herschikt.
Wellicht zal alleen god weten & begrijpen waarom.

GROETEN UIT NIEMANDSLAND

Er werd zogenaamd ‘gefeest’ gisteren. Onder het motto:
als je jezelf niet kittelt, dan lach je nooit.
Dat resulteerde helaas enkel tot de pijnlijke vraag:
waar is der vaderen fierheid heen?

Moest dàt de reflectie zijn van Vlaanderen’s betekenisevolutie:
dat opgefokte flierefluitersfeest op de Grote Markt in Antwerpen?
Die sterrenparade van kromme liedjesteksten?
Brabo, die op zijn eenzame hoogte zin leek te krijgen om die
bronzen reuzenhand met een slingerworp de stad in te gooien?

De vleierijen op de Navo-top richting Trump stelden
plots niets meer voor. Het geslijm richting podium hing gisteren
in zware slierten boven wat er van Vlaanderen nog over bleef:
onwaarachtigheid & een gekweeld, veelal amechtig taalgebruik.
Ook het begeleidende orkest verdiende beter.

Voor goudzoekers, maaglijders & kribbebijters viel er alleszins
niet veel te rapen, mijn gedacht. Figuurlijk bekeken alleszins
weinig ‘gulden sporen’ te bespeuren.
Leve Zjef Vanuytsel in het Land van Ooit.

GROETEN UIT WOLKENKOEKOEKSHEIM

Van vliegen gesproken: je moet er wel
een hemelhoge vlucht voor nemen om er te geraken,
in die door de vogels gebouwde luchtstad
‘Wolkenckuckucksheim’ zoals beschreven door de
Griekse dichter Aristophanes in zijn komedie ‘De Vogels’.
Het thema daarvan lijkt actueler dan ooit: ‘Macht en
desillusie, op zoek naar een utopische samenleving’.

Voor wie vleugels heeft staat de hoogte open?
Geen vogel die er de vleugels voor laat hangen.
Maar ook al wordt er beweerd: het is beter eens
in de hemel, dan zeven keer aan de deur, men kan
niet met kousen en schoenen in de hemel komen.

Dat kan dus alleen maar ‘auf flügeln des Gesanges’.
Wie eine Berührung der Seele.

Of zoals Achterberg zou zeggen:
En de ziel, het helle zeil,
als een vogel over mij.
Hemelsnede.
Heil.

TO DO LIST?

Ondanks de wetten & de weemoedigheid
tussen Elsschot’s beruchte droom & daad:
toch leren vliegen deze zomer, om gewoonweg
weg te vliegen: maar naar waar dan wel?

Om te beginnen, tortelduifsgewijs naar
de dikste tak van de Taxus in eigen tuin,
met diezelfde niet mis te verstane tortelroep:
I love you! I love you! I love you?

Of zal het in feite alleen maar neerkomen
op mezelf trachten te overstijgen,
en er eindelijk dan toch eens in te vliegen,
in die nabestaande ballast van ons huis?

Gedoemd dus tot traagzame zomerpost,
bevrijd echter van het dwingende betoog, om
van elk geworden woord te moeten denken:
ik had liever gehad dat het vloog?

Doch dat dichterlijk ‘verre tussen u en mij’
in Leopold’s ‘Rijkdom van het Onvoltooide’
valt niet in droefenis te verstaan: ik blijf
u nabij, ondanks dat verre-tussen-u-en-mij.

IK STUUR EEN KRUIWAGEN MET KIKKERS AAN

Iemand in zijn gat kruipen? Daar valt niet meer over te Ruttentutten, het is wat het is: iemand op zogenaamde slaafse, kruipende wijze vleien en dienen. De uitdrukking in verband met de Mark-Rutte-laudatio voor Trump op de Navo-top heeft zich inmiddels onuitwisbaar in de geschiedenisboeken genesteld als een tang op een varken.

Daar was zelfs die hilarische scène uit Borreltijd- Kabouter Prikkeprak destijds nog klein bier tegen, tijdens een zogenaamde nieuwe methode om darmpoliepen weg te snijden, met behulp van een kabouter die daartoe in het achterwerk van Arjan Ederveen kroop.

En waar patiënt Ederveen nog liet uitschijnen dat het toch wel wat pijn deed, vond Trumpie Dumpie het blijkbaar heerlijk, die tocht van Kabouter Prikkeprak doorheen z’n omvangrijk darmgestel? Men zegt bovendien niet voor niets, dat de ziel in de darmen zit, immer in de heimelijke hoop er een verlossende wind te kunnen vangen.

Was dat daar in Den Haag een grap, of om te huilen? Wat er ook van zij, ook hierover valt niet te Ruttentutten: je moet het maar doen, jezelf zo te kakken durven zetten voor het zogenaamde ‘goede doel’, namelijk: de boel bij elkaar zien te houden. Niettemin, met wàt een resultaat!

Tekening Siegfried Woldhek.

Echter, voor hetzelfde geld ook best wel tenen krullend: dat het uitvoerend ego zichzelf zoveel potsierlijk geweld aan moest doen, om de wereld leefbaar te houden? You’ll just have to deal with it: to make a screw cap of your own head, of hoe zeg je dat ‘in broken English’?

Het eigen ego daartoe uitgewrongen als een dweil en er de vuile vloer mee aangeveegd. Oftewel, de keizer zonder kleren alsnog verder uitgekleed, namelijk: tot op het bot. Well Done, Mark Rutte, well done!


HET VRAAGT EROM

Satura lanx waarvan het woord ‘satire’ is afgeleid, betekent: schaal met gemengde vruchten. Dit verwijst naar de eeuwenoude associatie van satire met het consumeren van voedsel voor de geest.’

Satire wordt ook weleens geassocieerd met de geneeskunde, waarbij de satiricus als een arts de maatschappij tracht te ‘genezen’. Het heeft een relativerende werking, waardoor de spanning er even afgaat.’

Volgens NPO Kennis is het een komisch commentaar op de werkelijkheid. Een kunstvorm waarbij vaak op humoristische wijze maatschappijkritiek of kritiek op personen wordt gegeven. De kritiek kan geleverd worden via parodie, ironie, sarcasme, en karikatuur.

Humor draagt de ziel over afgronden heen, en leert ze met haar eigen leed te spelen’, aldus de kunstschilder Anselm Feuerbach. Maar, waarschuwt de schrijver Baer-Oberdorf: ‘Neem u in acht voor degenen, die uw scherts niet begrijpen; zij begrijpen uw ernst stellig nog minder’.

Satire is komisch commentaar op de werkelijkheid, zo simpel én zo ingewikkeld is het’, volgens satireprofessor Wim de Bie, 2012. En Freek de Jonge vindt ‘dat satire de werkelijkheid moet kunnen overdrijven, maar die is zélf soms zo sterk overdreven, dat satire niet meer werkt.

Ironie is milde spot. Een half ernstige, half humoristische aanval op menselijke dwaasheden of maatschappelijke toestanden.

Sarcasme is de laagste vorm van humor, maar de hoogste vorm van intelligentie’, zei Oscar Wilde. Uit een studie van de Harvard Business School blijkt dat sarcasme de hoogste vorm van intelligentie is. Het blijkt een soort van dieper denkvermogen, dat zich uit in bijtende spot.

Cynisme toont ongeloof in de oprechtheid of goede bedoelingen van de mensen, en die houding wordt met bittere of wrede spot geuit, ingegeven door boosheid of teleurstelling.

Omdat satire met een kritische blik naar de samenleving en de machthebbers kijkt, is de functie ervan niet te onderschatten.

Het midden van de jaren 90 was een bloeitijd voor satire in Rusland, maar die is nu weer ondergronds. Toen Poetin kwam was meteen duidelijk dat alles anders werd. Alleen in Rusland noemen we een zwart-wit TV ‘regenboog’, handboeien ‘tederheid’, een kettingzaag ‘vriendschap’ en ballistische raketten ‘vrede’, aldus Michael Zadornov, één van de bekendste Russische satirici.

Trump is zowel in letterlijke als figuurlijke zin, hoe kwalijk ook, een kleurrijke figuur. Ook de groteske Poetin spreekt tot de verbeelding. Maar met Netanyahu valt weinig aan te vangen, als het op satire aankomt. Hij inspireert voor geen millimeter. Met Trump valt sowieso nog te lachen, Bibi echter zet elke satiricus op zwart zaad.

Mijn computer zit inmiddels vol satirische vluchtheuveltjes om even te kunnen ontsnappen aan de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Met jaren lang al Peter van Straten, de fijnzinnigste observator ter wereld.

Kamagurka met zijn speelse, absurde helderheid.

Jeroom, met zijn dolle prachtprentige satire.

En last but not least de gallige Gummbah die zich in mijn map ‘Gortjes’ heeft genesteld. Allemaal binnen handbereik voor als de ziel niet kan opboeren, en o zo bevrijdend. Je krijgt er wel gniffelige rimpels van.

Deze onschuldig uitziende prent in de Humo destijds wilde mijn kleindochter graag uitknippen voor in haar poëzie-album…

Humor: de glimlach van iemand die weet hoe weinig er te lachen is’, zoals aforisme-auteur Julien de Valckenaere beweerde? Echter: ‘Sommige mensen kan men alleen amuseren door uit te glijden op een bevroren trottoir of over een bananenschil’ meende de Amerikaanse Edgar Watson Howe.

Hoe dan ook, volgens de poëtische realist Wilhelm Raabe is humor ‘de zwemgordel op de rivier des levens’.

PORCUPINE’S BIRTHDAY

Het stekelvarken had altijd ongelijk.
Als hij iets beweerde, een standpunt innam of ergens zijn mening over gaf, zeiden de dieren tegen hem: ‘Dat slaat nergens op, stekelvarken’ of ‘Wat een onzin!’ of ‘Hoe kom je dààr nou weer bij?’ en schudden hun hoofd over zoveel domheid en kortzichtigheid.
Toen hij bijna jarig was nodigde hij de dieren uit:

Beste dieren,
Ik ben morgen jarig.
Komen jullie?
Als jullie iets willen geven, geef me dan gelijk.
Het Stekelvarken.

De volgende dag, op zijn verjaardag, waren er veel dieren.
Ze feliciteerden hem en luisterden aandachtig naar hem.
Hij sprak met iedereen en gaf de ene onjuistheid na de andere ten beste, poneerde op niets gebaseerde stellingen en verkondigde onzinnige standpunten, pertinente onwaarheden en klinkklare nonsens.

De dieren zeiden telkens, ook al sloeg hij de plank volkomen mis:
‘Je hebt gelijk, stekelvarken, je hebt helemaal gelijk.’
Zelfs de mier gaf hem in alles gelijk.
Tegen de avond gingen de dieren naar huis. Ze bedankten hem voor zijn verrassende inzichten en baanbrekende opvattingen, die hen -zoals ze zeiden – aan het denken hadden gezet.

Uit: ‘Niemands verjaardag’
van de Tijdloze Toon Tellegen.

WITTE ZONDAG

Keert steeds, niet te vergeten,
terug van nooit weg geweest.
Dat licht, u aangemeten,
kenmerkt u ’t allermeest.

Hoewel in ’t stof gebeten,
maakt gij ons onbevreesd.
Spraakmakend, zo geheten,
een glossolaliefeest.

Zo kwam het hart te weten:
uw naam is Pinkstergeest.

PUR TI MIRO

Dat zilveren zwaluwtje in dat
doosje vol fluweel, dat gevonden
vogelveertje en dat bundeltje
zielsverbonden woorden:

het vertelt bijna perfect
op welke wijze ik aan jou denk,
iedere keer als ik dat blauwe lint
van mijn gedachten losknoop,

en het naar jou genoemde
doosje weer eens openmaak.