Hoe kun je ooit blij zijn met een dode mus.
Wat een contradictio in terminis. Ik vond er plots eentje
bovenop de opgerolde tuinslang in het tuinhuis.
Al zou het ook een mereljong kunnen zijn, te zien aan
dat scherpe snaveltje? Maar veel maakt dat uiteindelijk
niet uit, ik kromp er hoe dan ook van ineen.
Die lijdensweg, dat ver open gesperde bekje,
dat bijna afgestorven pootje, waarmee het hopeloos bleek
te zijn vast geraakt tussen de tuinslang-windsels.
Ook de vleugeltjes stonden nog open, er was geen plaats
geweest om ze in te trekken. Van honger, van dorst en van kou
dus. En van een niet in te beelden schrijnende eenzaamheid.
Het is niet, omdat het vogeltje geen mens was, dat het mij
minder zou raken: dat maakt voor mij geen wezenlijk verschil
op zulke verbijsterende momenten.
Lijden verdwijnt niet omdat het voorbij is. Het blijft boven
de aarde hangen. Het is door niets nog weg te cijferen.Tijd is
een verzonnen begrip, vrees ik: er is alleen het eeuwige nu.
Ik weet mij geen raad met het lijden op de wereld: brein is
daarvoor te klein. Ogen te bang van doornen. Gemoed te
binnenskamers. Hart teveel eigenzuchtig gepomp.
Te onoplettend, te kwakkeldoof of te traag geweest? Ach,
mereltje-mus, ik hou me met jou verbonden. Het spijt me,
o zozeer, dat ik je niet eerder heb gevonden.
Wär ich ein Vögelein, wollt ich bald bei dir sein,
scheut Falk und Habicht nicht, flög schnell zu dir;
schöss mich ein jäger tot, fiel ich in deinen Schöss;
sähst du mich traurig an, gern stürb ich dann.




