LIEVE VRIENDIN

Dat liet me gisteren niet onberoerd,
die afspraak met jou in het park. Ik ben er nadien nog even
gaan rondfietsen met het kleine-meisje-in-jou achterop.
Hou je maar goed vast, heb ik gezegd.

Ik vond het, in uitgesteld relais, een ondraaglijke gedachte,
de manier waarop jij van kleins-af-aan je weg & jezelf moest
zien te vinden. Ik kan alleen nog maar omarmend aan jou
denken, voor al die keren dat dat niet is gebeurd.

De moeder, de vader en hun verlossende dood?
Omdat het was, wat het was. Omdat het is, wat het is:
wie zij waren en niet zijn geweest. Omdat het
niet is mogen worden wat je zo graag had gewild.

En zo is dit vogeltje uw kleine-meisjes-hart?
De vleugeltjes bijeengebonden, terwijl de hoogte wenkt
en de afgrond te diep is om veilig genoeg te kunnen landen?
Wat een aangrijpende machteloosheid.

Dat jij, ondanks alles, bent kunnen worden wie je bent,
dat wekt mijn ontzag. En als bij wonderlijk toeval kreeg ik
vanmorgen plots een gedicht van Ida Gerhardt onder ogen,
zo vlijmend trefzeker dat ik het bijna niet kon geloven.

Tristis imago

Wat staat gij naast mijn bed, Moeder van gene zijde?
Wat doet gij in mijn kamer in de zwarte nacht?
Kan mijn bestaan zich nooit van uw bestaan bevrijden,
dat gij mijn slaap nog met uw heimelijkheid bevracht?

Wat praat gij tegen mij, Moeder van gene zijde?
Ik wil niet wakker worden, als gij naast mij staat.
Het hart zal mij stukhameren, als ik moet lijden
het verschrikkelijk verwijt op uw gelaat.

Ida Gerhardt (1905-1997)

Echter, moge het inmiddels voor jezelf iets minder schrijnend zijn. Ik laat je bij deze omarmen door mijn eigen liefdevolle moeder.