Ach, dat schuwe zesjarige kind in mij, ik heb er nog altijd mee te doen als ik niet kan slapen: hoe de duivel zijn eindeloze rondjes heeft gelopen in de donkerte rondom ons bed. In de hoop wellicht dat wij doodzonden hadden gedaan & desgewenst de stuipen zouden krijgen. Ons bed hadden we duidelijk van god gekregen, want daar dorste de duivel blijkbaar niet aan of in te komen, dus daar waren we veilig, daar viel niet aan te tornen.
Echter, we zouden het niet gedurfd hebben een vinger of zelfs maar een klein teentje buiten het bed te steken. Daar hadden wij een fataal gedacht over, mijn zusje & ik, dus vermits we nog altijd leven, is dat bijgevolg ook nooit gebeurd. De duivel moet er vast hoefpijn van hebben gekregen, van al dat nutteloos rond gesluip in onze kamer.
Alhoewel, er moeten een paar weken geweest zijn van godverdomd duivels genoegen, want jawel hoor, vroeg of laat begin je dan ineens toch naar sulfer te ruiken en naar innerlijke brandwonden: ik had een doodzonde begaan, wat een gruwelijk geheim!
Ik had namelijk, voor we naar de mis gingen, een kruimeltje brood van de reeds gedekte tafel gepakt & opgegeten. Toen mijn moeder ons allemaal voor zich uit ter communie joeg, heeft ze mij ongeweten meteen ook mijn eerste doodzonde ingejaagd. Die godverdomde kruimel veranderde op slag geheel mijn kinderleven: ik zou kunnen sterven nog voor ik dat had kunnen gaan biechten! Een doodzonde, de mensen moesten het weten…
Drie keer opnieuw vooraleer ik die kruimel verteerd kreeg, drie keer opnieuw dat bange wachten op vergeving en dus wekenlang onder de doem van doodzonde moeten leven.
Omdat het zich allemaal zonder veel ophef had voltrokken, blééf ik onzeker van de definitieve vergeving. En dat is niet mijn laatste keer geweest, het is zelfs voor herhaling vatbaar gebleken: door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn overgrote schuld.





