OPEN KAART

Zou hij in ’t licht van een ander bestaan
dus niet als mijn broer zijn geboren:
ik had hem wellicht aan mijn haak willen slaan,
en verliefd zijn tot over mijn oren.

Was hij in feite dus toch niet mijn broer,
ik zou het wel hebben geweten:
ik zou hem, al bleek het een heksentoer,
achterna willen hebben gezeten.

Maar ’t was niet nodig, dus geen billen bloot,
er zijn zo van die godsgeschenken:
met hem levensgroot als een broer op mijn schoot,
dichterbij zijnd viel niet te bedenken.

Eendere genen, alsook eender bloed,
en waar ’t niet kan gaan zal het kruipen:
dus hem tegemoet dat voelt steeds o zo goed,
als honing die mij blijft bedruipen.

Geeft hem dat kriebels of iets van dien aard,
geen woord waar ik hem mee ontriefde:
thans vier ik hem vurig -ik speel open kaart-
als een soort Valentijnse geliefde.