IUSTITIA


Zij wikt, maar wat tracht zij te wegen,
haar schaaltjes zijn zo leeg, zo klein:
zij weegt, al wat niet werd verkregen,
wat er niet is kan er niet zijn?

Elk woord dat niet werd uitgesproken,
of tot een drogreden verdraaid:
een dag die niet raakt aangebroken,
hoe zeer de haan er ook naar kraait?

Hoeveel in rook ook opgestegen,
haar gouden zwaard zet nooit kwaad bloed:
zij weegt, wat toch niet valt te wegen,
zij weegt alleen wat er toe doet?


PROEFKONIJN

 

Toen ze amper 5 jaar oud was, en voor ’t eerst in haar leven de zonovergoten Antwerpse Meir overschouwde, besefte ze plots: de wereld zal altijd te groot zijn voor mij.
Het beste wat ze dus kon doen, was zélf dan maar groter worden, en dat lukte ook wel. Ze groeide in haar nylonkousen en haar eerste roze BH, nog voor ze daar echt zin in had, doch inderdaad, zo leek de wereld gaandeweg -op het tweede, het derde en zeker op het vierde gezicht- toch iets minder groot.
Doch op een dag kreeg het hart in haar binnenste zulk een groteske omvang van al de daarin opgeslagen wanstaltigheden, dat zij er niet meer omheen paste met haar ontoereikend bestaan. Bovendien dreigde de scherp geworden punt ervan zich door haar verslapte middenrif te boren.
Dus deed zij het Boek der Spreuken open, betoverde zichzelf en werd alzo bijgevolg kleiner en kleiner, in de hoop dat haar hart en haar pijnen dat ook zouden doen. Helaas, haar zoveelste misrekening. Vanaf toen was niet alleen de wereld te groot voor haar, maar zélfs de zetel waarin zij zat.