O vader, uw geboortedag! Zo stond het vanmorgen in mijn agenda, reeds lang van te voren opgetekend, al vanaf nieuwjaar. Lachwekkend bijna, alsof ik het zou kunnen vergeten.
Bovendien palmzondag vandaag, en vannacht ook nog de volle maan!
Maar o, het gemis. Jeroen Brouwers wist dat, zoals immer & altijd, zo treffend & herkenbaar te formuleren: ‘Mettertijd worden alle, àlle herinneringen pijnlijker omdat men zich in steeds grotere mate het verlorene herinnert, en de smart daarover schrijnender is dan het verdwenen geluk het hart ooit heeft gestreeld’.
Zoals ook Brouwers’ bekentenis: ‘Mijn sympathie voor mensen die met liefde over hun ouders spreken. Mijn vage jaloezie omdat ik zulke liefde niet ken.’ Het stemt mij alleszins dankbaar dat ikzelf er zo vol van mocht & mag zijn.
Geneigd zich in de eigen ziel te knijpen, voelt hij zichzelf voortdurend aan de tand. Gewend zijn eigen diamant te slijpen, hing hij steeds feller tekens aan zijn wand.
Veel lauweren maar niet om op te rusten, geen uur, geen ogenblik bleef onbewaakt. Zelfs in zijn zwaar gesnoeide tuin der lusten, heeft hij wat loskwam steeds weer vastgemaakt.
Het hart te zwaar, de ziel te fijn besneden, speelt hij een hoofdrol in ’t mysteriespel, sinds ik hem in zijn genen vergezel.
Ik dank hem voor de ruil van lijf & leden, beoog ’t verzachten der omstandigheden, ter vader’s ere, nog immer van tel.
Echter, de dag laat zich niet altijd zomaar plukken, want wat een vlezige stengels soms. Als distels zo stekelig. Zonder knipmes bijna onbegonnen werkom zo’n taaie ‘carpe diem’ geplukt te krijgen.
Je hebt ze bovendien in verschillende gradaties: de Tengere, de Krul, de Knikkende, de Langstekelige, de Veeldoornige & last but not least, de stijfstekelige Kale Jonker. Allemaal dagen die tot de verbeelding spreken.En hoewel ze familie zijn van de zonnebloemfamilie, je zou het niet zeggen. Die aantrekkelijkheid daarvan missen ze dan toch wel.
De verzamelde pers windt er bovendien ook geen doekjes rond. Mijn god, waar zou het dan lente voor zijn geworden? Toch niet ten behoeve van het journaal met al dat bloed aan de paal? Ik zie de bomen & de bloesems overal om mij heen openspringen als een niet te beschrijven weerloos wonder, want helaas niet meer zonder het verdrietige besef: één bom en het is allemaal weg, op slag, de blije mensen incluus.
Misschien moet God zijn geest weer eens over de wateren laten zweven om zijn verlossende belofte nog eens rond te bazuinen: “Fiat lux! Er zij licht! Niet alleen boven eigen stad & land, maar please, ook in onze eigen donkere mensenkop. Want nee, zelf zijn we alles behalve goden, en al helemaal niet in ’t diepst van onze gedachten.
Ondertussen glijdt onze kostbare levensdraad door de bedrijvige handen der schikgodinnen: Clotho, de spinster, Lachesis de verdeelster en Atropos de onafwendbare. Zij weven, tellen & meten onze dagen en raden ons aan om ze te plukken, zoals we dat geleerd hebben met de rozen & hun doornen: even verrukt, alsook even voorzichtig. En hoe dan ook, met de intentie om de duivel te beletten dat hij erop pist.
Maar urgenter nog dan dat, want de kern van elk begin & elk einde: Please, Janneke & Allemanneke, alsook Asjemenouke & Allevrouwke, staakt alstublieft uw wild geraas, het zal niet Baeten. Integendeel, straks durft er geen merel nog te zingen, laat staan een nachtegaal.
Dat lijkt heden ten dage zowel in letterlijke als in figuurlijke zin wel enigszins te kloppen. Hoe je ’t ook draait of keert, er is moeilijk nog een speld tussen te krijgen, zonder niet pijnlijk te worden geprikt. Hoe grappig gevonden ook, de uitdrukking staat alleszins onder druk.
Maar ‘naar de knoppen gaan’ als eufemisme voor ‘naar de kloten’? Daar willen we met de lente toch liever niet naartoe, me dunkt. Evenmin als naar de haaien, naar de verdoemenis of naar de filistijnen, nee toch?
Toch doen we dat, oppert de nieuwe ‘Denker der Nederlanden’ David Van Reybrouck in De Morgen: ‘Of de Russen komen, moet nog blijken, maar hittegolven komen er zeker. Ik kampeerde voor de noordzijde van de Vignemale, de hoogste top in de Franse Pyreneeën. In de ijstijden was er een gletsjervallei, nu is er een groene kom. Het is een van de indrukwekkendste zichten.
Bij valavond brak daar een stuk van de oostelijke gletsjer… Man, dat geluid! Ongelooflijk. Ik hoorde het tandengeknars van de aarde, een diep aards gegrom dat best lang duurde. Al wat dan vertrouwd en solide is, wordt dan anders en bedreigend. De realiteit van de klimaatverandering sloeg me met zo’n rauwe kracht dat ik het nooit meer zal vergeten. Ik vind het echt belangrijk om gas terug te nemen. Als de wereld versnelt, moet het denken vertragen.
Vorig jaar was ik nog in Barcelona, waar ze toen al bijna duizend dagen geen ernstige neerslag hadden gehad. Een luxehotel had nog groen gras omdat ze met ecologische verf de dorre stoppels schilderden!‘
Maar daar is dan toch weer de lente, mag Nolia nog bloeien, mag alles naar haar knoppen gaan, in het dartel spel der woorden? Helaas, één en ander blijkt dan toch ook letterlijk naar de knoppen te gaan: ik vond alweer een uit het nest gevallen eitje, uit elkaar gespat op het tuinpad.
Hoe dan ook, weldra weer zomeruur. Al hangt er volgens Jeroen Brouwers in de Demian boekenwinkel van René Franken in Antwerpen een niet mis te verstaan advies van Marcel van Maele: ‘Wees voorzichtig bij het naar buiten gaan, en trek wat warme woorden aan.’
Maar kijk, het klusseizoen is inmiddels al begonnen, ook de huiselijke problemen moeten weer worden overwonnen! De grote moersleutel weet wat hem te doen staat: de steeksleuteljongen in z’n nest opvoeden tot passen & meten, hetgeen soms heel wat precisie vergt.
Moeren & steeksleutels doen wat de mensen zélf steeds minder goed lukt: voor verbinding zorgen. Overigens niets zo heerlijk als moeren vastdraaien met de juiste sleutel. Waren wij zelf ook maar op tijd en stond terug wat bij te schroeven op zulk een even vernuftige wijze.
Dit had een schot in de roos moeten zijn, wie had dit, zo ja, willen missen? Een schampende kogel, een oud karabijn, zelfs God kan zich blijkbaar vergissen?
Voorbarig begraven, voorbarig verdriet, ze zouden thans niet meer staan treuren. Die Trump is er ene van lach-of-ik-schiet, voor hen dus een hoogst inferieure.
Rolf Tiemann gaf hen deze roemrijke rol, in humor’s gevestigde orde. Dat gat in de grond, dat raakt sowieso vol, wie durft hier niet vrolijk van worden?
Altijd weer zo wonderlijk, wat mensen weten te verzinnen: nooit eerder van gehoord, maar plots kreeg ik zowaar een ‘bloemenbrief’ van mijn hart- en zielebehoedster Cecilia.
Een platte doos van nauwelijks een paar centimeter hoog, waarin tussen doorzichtige lakentjes van celofaan een aantal doornroosjes steelsgewijs lagen te slapen tussen hun eigen groen, zo freel, zo aandoenlijk, zo verrukkelijk.
Hun roze ietwat verfrommelde kopjes deden heel even denken aan pasgeboren baby’s. Ik werd dan ook op slag één en al bekommernis om hun welzijn: een vaas vol levensreddend moederwater.
En het wonder geschiedde in een mum van tijd: eenmaal tot ruiker getransformeerd, zag ik ze letterlijk minuut na minuut tot leven komen & tot volle bloei, mede wakker gekust door mijn dankbare verwondering.
‘Love is a rose’ zingt Linda Ronstadt, ‘I want to see what’s never been seen..’ Maar de woorden klinken mooier dan het gezongen lied, brievenbusrozen bezingen zichzelf.
Ik mis een god in ’t diepst van mijn gedachten: een nog levende Vic Nees, arend versus pimpelmees?Vanmorgen hoorde ik in de tuin een pas ontwaakte hommelkoningin onophoudelijk zoemen: ‘Zing Nees…zing Nees…’ en dat heb ik dan ook gedaan, de hele dag lang.
Hij zou weer verjaren vandaag, altijd precies een week later dan ikzelf, dus immer op een zelfde dag van de week, gekoppeld door een luchtbrug van verbondenheid. Maar er was zoveel meer: ik mocht naar hem opkijken, zonder dat ik daarvoor mijn hoofd achterover hoefde te gooien. Waarvan akte bij zijn laatste gezonde verjaardag, anno 2012.
Ik heb hem immer, nou & of, de hemel ingeprezen. Daartoe -Moj Boze & Godlof!- te vaak geknield in eigen stof, maar ‘t was terecht, in dezen.
Een pissebed onder zijn steen, -hoor de bazuinen schallen!- maar zie, ik krimp niet meer ineen, als helder hij als halogeen, zijn licht op mij laat vallen.
Wordt hij tot al wat blijven zal, tot staat van brons gegoten, -de zware sokkel was er al, alsook de zware regenval- hij staat er, onomstoten.
Inmiddels ben ik, anno nu, een nuttig jaartal ouder, laaf ik mij aan zijn cire perdue, ben ik die dikke déjà vu duif op zijn bronzen schouder.
Dinska Bronska, 8 maart 2012. -Ik schrijf zo moeilijk die brief!-
Toen hij stierf noteerde ik:‘Geen tak die mij nu nog in het gezicht kan slaan, op weg naar mijn eigen einde.’ En hoewel dat een voortvarende gedachte bleek, sindsdien schrik ik er alleszins steeds minder van. Inmiddels hou ik zélfs van zijn dood, niets haalt hem uit mijn leven.
Golden boy Ed Sheeran wordt vandaag 34, en hoe noemen we dat: de fleur? Die heerlijke Britse singer-songwriter, even vuurspuwend ros als twee van mijn eigen broers. Altijd felle kleppers, die 24-karaatse koppen, met hun apart koperen-ploert-karakter.
Al werd mijn vader-juwelier er vroeger op aangesproken, wanneer ons jongste Roske eens met hem meeging, toen er ergens weer een klok aan z’n slinger moest worden gevoeld. “Het ziet er een heel handig ventje uit, maar wel spijtig van dat haar, hé..” Waarop mijn vader dan antwoordde: “Integendeel, ik ben niet voor niets een goudsmid, hé..“
Erkenning van Ed Sheeran’s onweerlegbare talent door Elton John mag niet verwonderen. Uiteindelijk werd hij de eerste solo-artiest die helemaal alleen optrad in het gigantische Wembley Stadion, en stond zijn ‘Shape of You’ in meer dan 20 landen op nummer 1. Hij schreef nummers voor ‘The Hobbit’ en voor ‘The Fault of our Stars’. En zo stond hij hierboven voor Buckingham Palace tijdens het slotconcert van het Platinum Jubileum van de Engelse koningin. As a real Mister Sunshine.
Hieronder dan weer een boeiende studio-opname van Ed Sheeran’s nummer ‘Perfect’ met Andrea Bocelli. De titel van het lied alsook het hele gebeuren dekken in mijn ogen de lading volkomen. Beautiful music, beautiful people, daar hoeft volgens mij geen tekening meer bij.
Die blije opwinding. Dat heerlijke plan. Die beloftevolle & de glorieuze voltooiing ervan. Die zinderende stemmen. De ziende versus de horende. De zichtbare levensvreugde dit samen te kunnen doen.
Die tastende vingers van Andrea Bocelli langs Ed Sheeran’s woorden, versus die bewonderende blik van Ed Sheeran zelf. Pure ogentroost.
Als er één titel in de bibliotheek mij niet kon blijven ontgaan, dan is het wel deze. Mijn eigen broers & zussen hebben die literatuur niet eens nodig, ze hebben genoeg aan die fascinerende titel ‘Opgebouwd uit hetzelfde’ om mij minstens even zeer te boeien, want wat liggen ze mij na aan het hart, mijn eigen ‘opgebouwden uit hetzelfde’.Maar juist ook mede daarom wist dit boek van Jan Fontijn mij zo te intrigeren.
Jan Fontijn was een Neerlandicus en literatuurwetenschapper, geboren in Amsterdam op 6 januari 1936, en gestorven op 9 februari 2022. Hij verkoos de biografie als literair genre, en was de echtgenoot van schilderes & schrijfster Charlotte Mutsaerts. Hij had zes zussen en vijf broers, dus allemaal eveneens ‘opgebouwd uit hetzelfde’.
Hij vangt aan met zijn eigen verhaal daaromtrent: ‘Families zijn kruitvaten die bij het minste of geringste kunnen exploderen. Ik weet dat eigen ervaring. Toen ik, de een na jongste van een gezin van twaalf kinderen, een autobiografisch familieroman schreef, barstte de bom.
Geen van mijn zusters wilde nog iets met me te maken hebben. Ze waren woedend. Men belde mijn uitgever op en verweet hem dat hij het boek uitgegeven had. Wat men mij precies kwalijk nam, is me nooit duidelijk geworden. Ik schreef hen brieven, organiseerde gesprekken en verweerde me door erop te wijzen dat het een roman was en dat het heel goed mogelijk was dat zij andere visies hadden.
Het baatte niet. Langzamerhand drong het tot me door dat ik hen nooit zou kunnen overtuigen. Zij hadden over het familieleven hun eigen beeldvorming, die evenals de mijne niet alleen uit feiten maar ook uit mythes en wishful thinking bestond, waarbij allerlei onaangename herinneringen niet werden toegelaten. Blijkbaar had ik door mijn familieroman het broze en gecompliceerde web dat ze zelf over hun jeugd en familie hadden geweven wreed verstoord.’
Dit probleem hier door Fontijn aangehaald heeft mij persoonlijk altijd ten zeerste bezig gehouden. Ik herinner mij daarover een nachtelijk gesprek in een café in Rijkevorsel, met mijn verre neef Leo Pleysier: ‘Dat ik dat nooit zou willen, durven of kunnen, mijn eigen familie bloot schrijven, en of hij dat geen probleem vond.’ Zijn antwoord ging grotendeels verloren, want even later viel de politie er binnen, om iedereen die daar nog zat na het sluitingsuur, te proces verbalen.
Echter, ik kan mij de confronterende situatie wel voorstellen: je zal maar zo’n schrijver in je familie hebben. Doch ook Leo Pleysier heeft dit euvel moedig & glansrijk weten te overwinnen,en/of te omzeilen.Dus zijn antwoord destijds zal sowieso het juiste zijn geweest.
Toen ikzelf onlangs ter sprake bracht, hoe wonderlijk ik dat vond, dat wij allemaal in dezelfde baarmoeder hadden gezeten, werd dat eerder een ongemakkelijke gedachte gevonden. Mij echter ontroert dat nog steeds. Te weten bovendien hoe ziek ons moeder er altijd van werd, acht keer opnieuw, plus nog een miskraam en eentje doodgeboren.
Klaargespeeld op tien jaar tijd, plus een zaak opgebouwd. ‘Zo vriendelijk en veilig als het licht, zoals een mantel om ons heen geslagen’.Zelfs Oosterhuis heeft het geweten& opgeschreven.
Ik hoorde onlangs klagen over het woord ‘mantelzorger’: men meende dat daar een beter woord voor moest worden gezocht? Toen ik die benaming voor de eerste keer hoorde, klonk mij dat echter als poëzie in de oren, want wat een ‘betekenisvolle’ omschrijving, los van hoe moeilijk dat soms ook kan zijn: ‘Ik sla mijzelf als een beschermende mantel om je heen.’ Heden ik, morgen gij, dankuwel, alstublieft.
Het zal misschien wel zo moeten, of nodig zijn, maar het is een feit: wantrouwen heerst. Zowel over- als onbe-. Het morrelt zowel aan de voor- als aan de achterdeur van wellicht ons aller gemoed? Het lijkt heden ten dage alvast geen synoniem meer voor dat waardevolle woord ‘behoedzaamheid’, niettemin aangegevenals..hetzelfde?
Zo wantrouwig als de reus Argus met zijn honderd spiedende ogen, zo moet men blijkbaar in het leven staan, om geen naïeveling te worden genoemd? En ook al vallen er om beurten telkens twee van in slaap, de andere 98 weten perfect wat hen te doen staat: wantrouwig blijven.
Ooit stond de ‘maar’ voor de ‘ja’ zoals in: zeg maar ja tegen het leven. Doch steeds vaker zijn de rollen eerder omgekeerd, en staat de ‘maar’ achter de ‘ja’ als de stijve kwispel van een boze hond z’n staart.
Niettemin, het is geweten, het is uitgelegd: de extremen zijn nodig om een ei hard gekookt te krijgen. Het eiwit is er al lang klaar mee, maar de dooier schreeuwt om meer, als hij een volle maan wenst te worden. Desnoods via verzengende achterdenkendheid, en/of de wangunst van het reeds voldoende gestolde eiwit, maar het moet & het zal: hard zijn.
Het woord ‘maar’ staat als een dubieuze schizomyceet in het woordenboek. En net zoals de echte splijtzwam in de natuur, dreigt ook het woord ‘maar’ vaak een even dubieuze rol te spelen richting vergiftiging, door afscheiding van toxinen. Ach, de gevoeilige snaren.
Gelukkig hebben niet alle ‘maars’ zulke toxische bedoelingen. Integendeel zelfs, soms lijken het zelfs vredevolle onderhandelaars: het kan zo, maar het kan ook zus, aan u de keuze. Hetgeen ons brengt bij een sowieso uiterst boeiende les: het conflict als bron van energie. Halleluia, maar het blijft, hoe dan ook, een uitputtende zaak.
Harde tijden dus voor de confliktvermijders onder ons, die soms met hun ziel onder de arm niet meer weten waarheen, omdat zowel horen, zien als zwijgen hen de duisternis in jaagt. Omdat ze weten: wij zijn de zachte heelmeesters, wij veroorzaken stinkende wonden?Of explicieter nog:omdat ze wegrennen van de wonden, zoals ik dat ook over Godfried Bomans hoorde zeggen, in een uitzending over hem?
What’s in a name? De voorbije nacht in het parlement wist men het ook niet. Wie kroop niet liever onder de grond, dan dat hij daar bij had moeten zijn? Echter, ondergronds is het al niet veel beter: ook de mieren, de slakken & de blinde mollen onder ons worden bestreden.
Maar tussendoor kwam er goddank ook nog iets anders ter sprake in die inspirerende uitzending over Bomans, waarin hij zei: ‘Humor is eigenlijk overwonnen verdriet.‘ Jerooms gevallen engel dan maar?