EEN WONDER UIT ZIELEGROND

Als een transparant geworden schilfer van de vorige zomer,
dit prachtige hostablad dat ik vanmorgen uit mijn bloemenpers
haalde: ‘…. toen het kon gebeuren dat plots ontstond
met de morgen mee als een wonder uit zielegrond…’

om het met de woorden van de dichter Leopold te zeggen.

De schoonheid ervan oversteeg mijn bevattingsvermogen, doch
de broosheid ervan greep mij ten diepste aan, door het besef:
ooit zal het verloren gelegd geraken, zullen de nerven breken en
zal de adembenemende perfectie ervan alsnog worden vernietigd.
Altijd opnieuw Kundera’s ‘ondraaglijke lichtheid van het bestaan’
of die andere titel van hem, ‘het feest der onbeduidendheid.’

Of hoe ‘onverzoenlijk’ de dingen kunnen zijn.
Mijn geliefde slakken die mijn eveneens geliefde Hosta
zo graag willen ‘zoenen’? Vermanende tikjes op hun huisjes!
Hun bladverterende kussen van 900 graden Celsius zijn zo heet
als brandende sigaretten, en branden dus onherstelbare gaten
in de weerloze hostabladeren. Een onmogelijke liefde dus.
Eens te meer, telkens weer, gelamenteer.

Maar kijk, ik slaagde erin om ze van elkaar weg te houden
met mijn alles overwinnende liefde voor hun beider bestaansrecht.
De slakken krijgen kool, meloenschillen & rotte appels,
terwijl de hosta’s zich mogen koesteren in mijn waakzaamheid.

Uiteraard voelen ook artistiekelingen zich geïnspireerd
door die tot de verbeelding sprekende hostabladeren,
om er sieraden, schaaltjes & schilderijen van te maken.

Doch last but not least, ook de herfst houdt van de hosta’s,
of is het andersom? Als de bladeren op hun mooist zijn verkleurd,
opent mijn bloemenpers z’n deuren, en bereiden de stilte & de tijd
een glansrijke nieuwe regering voor. Ik heb er hoe dan ook alle
vertrouwen in. Met ‘een zielvol oog’ zou Piet Paaltjens zeggen.

Mijn Hosta van deze zomer staat voorlopig nog
groen & wel te pronken in de tuin. Laat ik er hier in Mechelen
op deze dreunende Maanrockse vrijdag de inmiddels
weemoedig geworden zomerhit van Erik & Sanne nog maar eens
tegenaan gooien. Hoe ‘onverzoenlijk’ ook dàt weer moge wezen…

ONTBREEKWOORDEN

In het voorjaar van 2022 startte bij ‘Nieuwe Feiten’ de rubriek ‘het ontbreekwoord’. Daarin gaat Rick de Leeuw elke week met de gewaardeerde hulp van de luisteraars op zoek naar woorden die in de Nederlandse taal nog niet bestaan. ‘Hamerglas’, ‘kapotverbeteren’, ‘einderzucht’, ‘overouderen’, ‘huicheljuichen’, ‘sopperen’: het zijn maar enkele van de tientallen nieuwe woorden die inmiddels geboren zijn onder het wakende oog van enig en alwetend jurylid Ruud Hendrickx.

BENIEUWD NAAR DE TOP 5?

1. Lepeltjesverdriet: het gevoel dat je krijgt wanneer je je partner voor een langere tijd moet missen. 2. Kwijtruimen: iets zo goed opruimen, dat je het niet meer terugvindt. 3. Breinpuin: de onbelangrijke, nutteloze informatie die je toch je hele leven onthoudt. 4. Verstekvreugde: het geluk dat je ervaart om ergens niet te hoeven zijn. 5. Terplekkernij: een streekproduct dat op vakantie veel lekkerder smaakt dan thuis.

Het ideale cadeau voor taalliefhebbers, zoals het wordt aangekondigd? Nou… hoe speels & hoe vernuftig vaak gevonden ook, ik krijg niet meteen het gevoel dat dit woordenboek mij nu echt zou ‘ontbreken’. Maar kom, misschien besef ik niet altijd even precies wat ik allemaal mis in dit leven. Wat zou daarvoor het ‘ontbreekwoord’ kunnen zijn?

Misschien vind ik die ‘ontbreekwoorden’ soms toch net iets té ver gezocht: huicheljuichen, blunderdrang, kwijtruimen, leeswee, settelvet, donderslags, eergenoot, sneuvelambities, rekgesprek.. Of kijk, als ik dat gedicht ‘Tongpuntertje’ van Rik de Leeuw begin te lezen:

Als we op deze zonnegure waandag
de kachelaar begekken tot hij de
terplekkernij mokermoe terzijde schuift…

dan voel ik mij toch al gauw door ‘leeswee’ getroffen. Maar hum, dat leeswee komt mij hier niettemin wel handig van pas. En ook broers & zussen die ‘nesties’ worden, vind ik als oudste van acht toch wel zalig bruikbaar: ‘Hallo Nesties, even jullie aandacht voor volgende kwesties…’

Maar toch. De reeds bestaande woorden geven mij al genoeg hoofdbrekens om ze uitgezocht en gesorteerd te krijgen. Mij lijkt het veeleer andersom: dat het juist de reeds bestaande woorden vaak ‘ontbreekt’ aan hun juiste inhoud. Dat de woorden hun ware betekenis niet kwijt kunnen aan het schrale te beschrijven beschrevene.

De beschermende man, versus de behoedende. Zoals Matthias Schoenaerts dat zo subtiel weet te vertolken in die onlangs terug bekeken film ‘Far from the Madding crowd’. Plots besefte ik het subtiele verschil tussen die twee woorden. Want ook al lijken ze ongeveer hetzelfde te betekenen, het valt bij nader inzien niet mis te verstaan. Beschermend is lijfelijk, is smal, is verticaal. Beschermend is des zilverrugs. Behoedend daarentegen is horizontaal, intens en soms ondraaglijk bescheiden. Behoedzaam is des ziels, en een hint naar het innigste woord op aarde: koestering, far from the Madding crowd.

Laten we verwonderd blijven en er zal ons geen woord ontbreken? Toch niet voor zolang als dat duurt. Of de leuze loven ‘ik-zoek-niet-ik-vind’ en dan wordt een merel een ‘fluitfabriekje’, zoals in dat reeds eerder geciteerde klein boekje met 10 haiku’s van Jeanine Hoedemakers:

Luister even mee
verstopt in de liguster
een fluitfabriekje.

Daar heeft de dichteres geen ontbreekwoordenboek voor nodig gehad. Elk woord ervan zingt zich moeiteloos de hemel in & fluistert: ‘M’n liefje, wat wil je nog meer..?’ Bovendien, elk meer’ is overal om ons heen.

Esdoorn gunt de wind
voortijdig losgelaten
een wentelwiekje.

ODE A L’OUBLI?

Voor G.
(van Godzijdank)

O weemoed, wee uw moed, die nooit zou
zijn beschreven: hoe zou daarvan de gloed
reeds lang zijn opgeheven.

Beneveld, na de nacht, post scriptum
liet je weten: er zij aan ’t licht gebracht,
wat nooit wil zijn vergeten.

Geprezen, a tout prix, we zullen
werd we zouden: werd ode a l’oubli,
aldus, om te onthouden.

Gezworen zwaan-kleef-aan, ten eerste
werd ten tweede: het blijft ons gadeslaan,
dat onvoltooid verleden.

Werd woord & wederwoord, werd vinden
en gevonden: tot spiegeling aangespoord,
verbonden. Onomwonden.

Mitte Confitte

ZOMEREN MET VAN ZOMEREN

Wat wil de koe? O, dat onvergetelijke koeienboek van Koos van Zomeren! Alleen al die titel: als een baanbrekende weg naar het immer ontbroken antwoord daarop, en naar het diepe besef, hoe graag je dat eigenlijk altijd al had willen weten: want ja, wat wil de koe… een kus?

‘Ze kijkt je met haar stille ogen aan. Ze heeft de wimpers van een femme fatale. Iets onbereikbaars dus, iets zeer droefgeestig ook.’

Hoe voortreffelijk Koos van Zomeren dat allemaal beschreven heeft. Over hun natte ruggen in november. Over dat ‘kijken van koeien, dat is zo enorm, dat zul je nooit helemaal bevatten.’ Over momenten van heldere kou. Over likstenen, over het loeien van koeien, en over hun eigen wil.

‘De gemiddelde koe graast acht tot negen uur per dag. Herkauwen neemt een uur of zes. De rest gaat op aan hazenslaapjes, piekeren. Daarbij verwerkt ze tachtig kilo gras. Deze kilo’s worden opgenomen in een pens van ruim honderd liter, waarin doorlopend zeker zestig liter water staat.’

‘Een koe weegt vijfhonderd kilo. Als het er alleen om ging een kalf groot te brengen had ze aan duizend liter melk genoeg. Maar dat kalf wordt van haar afgenomen. Het wordt een kalfje in haar hoofd dat uitgroeit tot een obsederend melk verslindend monster. Het schreeuwt gewoon om melk, daar in haar hoofd, en zij gehoorzaamt maar. Zo levert nu een koe wel zevenduizend liter per jaar, tien maal haar eigen lichaamsgewicht.’

‘En natuurlijk wordt er wel eens eentje afgedankt. Die bindt hij na het avondmelken aan de tractor vast. Hij zet haar voor het laatst op stal; hij stopt haar nog wat lekkers toe en klopt haar troostend op de hals. Ze komen altijd midden in de nacht, zo tussen één en vijf. Die koe gaat dan de wagen in, en weg. Maar, zegt Cees, ik heb er moeite mee hoor, een koe weg te doen. Ik hou er helemaal niet van. Het slachthuis, daar moet ik niks van hebben.’ En kijk, daar worden zelfs gedichten over geschreven..

Veel mensen worden door koeien ontroerd. Laatst, toen ik ergens had voorgelezen, was er een man die haast wanhopig zei: ‘Ik krijg zo af en toe de tranen in mijn ogen van een koe, weet u misschien waarom? Dat wist ik niet. Merkwaardig woord, ontroeren. Net of iets zich roert. Of dat het roer je wordt ontnomen, maar dat komt me meer gevaarlijk dan ontroerend voor. Maar nee, dit is niet het ont van ontkennen, maar van ontstaan, ontsteken, ‘beginnen’ te roeren.

‘Wat betreft de scheiding van koe en kalf onmiddellijk na de geboorte. Zonneklaar: daarmee frustreer je zowel koe als kalf in hun behoeften. Toch wordt deze praktijk algemeen aanvaard. Je kunt dat niet verwerpen zonder de hele melkveehouderij te verwerpen.’

Koeikoeikoei’ roep ik die door Koos beschreven boer achterna. ‘Dan kijken ook de verste beesten op. Ze staken allemaal het kauwen. Ze komen op ons toe, benieuwd wat de bedoeling is…’ Wat wil de koe? Hoe dan ook, het blijft een boek om te redden uit de brand. Geen enkele daarin beschreven koe mag naar het slachthuis van de vergetelheid worden afgevoerd, zonder eerst nog geknuffeld te worden.

Wordt vervolgd.

DEAR MR. PRESIDENT

Uit het goede ‘oud’ gesneden, in de bloei van uw slijtage, maar de ziel kent geen ouderdom? Niettemin, wat betreft verlies aan decorum, alleszins een genadeloze plundering in de krantencommentaren.

Echter, u lijkt het ook wel hardnekkig te laten gebeuren. Ten voeten uit met stramme benen, de glibberige geschiedenis in? Voornaamheid is altijd uw handelsmerk geweest, en dat weet u sowieso nog altijd in ‘stand’ te houden, dankzij een aantal grijpgrage leuningen. Maar toch.

Broos & sterk tegelijk doet u me aan mijn geliefde vader denken, via die prachtig beschreven bedenkingen van Filosofe Alicja Gescinska, over u en uw inmiddels zo fel besproken ouderdom, onder de prachtige titel:

DE ONTBLOESEMING VAN JOE BIDEN

Loof & prijs Alicja Gescinska, Warme Joe, en kruip onder haar fluwelen woorden als onder een dekentje voor de kou. Ze heeft overigens prachtige ogen, en ze schrijft met een gouden pen. Laat u koesteren door wat ze over u zegt. Meer dan genoeg voor de rest van uw dagen. Omwikkel uw waardigheid met haar omhelzende woorden, en laat het alzo glinsterend zijn afgerond. Want wat een bemoedigend betoog.

Ver weg van al die neerhalende commentaren die als zure regen uw blazoen aantasten. Don’t let the old man in? Ik blijf, net als Alicja Gescinska, begrip hebben voor uw dappere poging om te volharden, maar er is altijd ook nog de alles overtreffende trap daarvan.

Alicja Gescinska is schrijfster en filosofe aan de Universiteit van Buckingham. Ze is ook voorzitter van PEN Vlaanderen en VUB Fellow. Zij breekt een lans voor ouderen in het algemeen en Joe Biden in het bijzonder.

DE ONTBLOESEMING VAN JOE BIDEN: IN ZIJN ‘NEERWAARTS GROEIEN’ TOONT HIJ ZICH NOG ALTIJD VER BOVEN TRUMP.

Over de leeftijd en fysieke paraatheid van Joe Biden is zowat alles al gezegd, behalve wat er goed aan is. Natuurlijk is er geen ontkennen aan: Bidens lichaam én geest laten het steeds duidelijker afweten. Wie beweert dat leeftijd slechts een ingesteldheid is, moet maar eens proberen te huppelen met versleten heupen. Niemand ontkomt aan de wetten van de tijd, zelfs de president van de VS niet. Het leven is een slijtageslag, de jaren eisen hun tol, en in de politiek zelfs nog wat meer dan elders. Politiek is een vreselijk vermoeiende, veeleisende stiel. Maar maakt dat Biden unfit for duty?

In de discussie over Bidens gestel richten media en tegenstanders het vizier al te zeer op het verkeerde doel. De discussie gaat te veel over Biden zelf, en te weinig over wat er van een president verwacht kan worden, én over de plaats en zichtbaarheid van (hoog)bejaarden in onze samenleving. Het is uiteraard een terechte vraag: is Biden nog fit genoeg om president te zijn? Voor een antwoord moeten we niet enkel naar Biden zelf kijken, maar ook naar wat een presidentschap precies inhoudt.

Een presidentschap wordt niet door een president ingevuld, maar door een hele entourage. De mythe van de Amerikaanse president als ‘machtigste man op aarde’ is al langer doorprikt, onder andere dankzij Bidens opponent: Trump. Trump zat als president vaker op een golfterrein en op Twitter dan in zijn Oval Office. Ondertussen waren het de mensen achter en rond hem die het presidentschap min of meer draaiende hielden.

Met Biden is het niet anders. In de campagne zou Biden er goed aan doen om dat open en bloot te erkennen, en zichzelf niet als individu, maar als ploeg te profileren. Hij moet de Amerikanen er niet krampachtig van proberen te overtuigen dat hij het allemaal zelf nog wel kan: hij moet de sterkte van zijn team benadrukken. Kamala Harris moet daarbij meer zijn dan de al te onzichtbare sidekick die ze als vicepresident tot nu toe is geweest. Biden moet de rol opnemen van goedwillende grandpa Joe, wiens moreel kompas ondanks alles nog altijd intact is.

Ook zouden we ons moeten afvragen wat de plaats is van (hoog)bejaarde mensen in onze samenleving en in de politiek. Ronduit ergerlijk zijn de vele filmpjes die op sociale media circuleren en waarin de spot wordt gedreven met verbale onhandigheden en lichamelijk gestuntel van Biden. Eindeloos veel zieliger dan oude mensen zijn zij die met oude mensen lachen.

Als ik een persoonlijke ontboezeming mag doen: ik heb een zwak voor oude mensen. Ouderdom heeft voor mij – al dan niet terecht – een uitgesproken positieve connotatie. Ik kan er zelf haast reikhalzend naar uitkijken om op een dag een oude dag te hebben, en zie vooral veel schoonheid in ouderdom en oude mensen. Maar onze samenleving is geobsedeerd met jeugdigheid en vitaliteit, alle tekenen van veroudering proberen we krampachtig te verdoezelen. Ouderdom zien we onterecht als een chronische ziekte, en ouderen verstoppen we al te zeer en al te snel in een marge van de samenleving.

Biden daarentegen geeft hen niet enkel een gelaat, hij plaatst hen op het grootste podium van de wereldpolitiek. Dat op zich is al een goede reden om niet uit de presidentiële race te stappen: hij toont dat ouderdom tegen een prijs komt, maar ook zijn prijs waard kan zijn. Oud worden kan erg lijken, maar niet oud worden is nog veel erger.

De Britse neuroloog, filosoof en dichter Raymond Tallis omschreef ouderdom ooit als een ‘ontbloeseming’. Tallis weet waarover hij spreekt: hij is als arts gespecialiseerd in de geriatrie, en heeft zelf inmiddels een gezegende leeftijd bereikt, waarbij hij boeken blijft schrijven, en de wereld blijft rondreizen om lezingen te geven. Uiteraard gaat dat allemaal stroever dan vroeger, maar oud worden is ‘neerwaarts groeien’, zo schrijft hij in een van zijn gedichten.In zijn ‘neerwaarts groeien’ toont Biden zich nog altijd ver verheven boven Trump.

Uiteindelijk is de keuze voor de Amerikanen duidelijk: de keuze tussen iemand die de leider van de free world ambieert te zijn of iemand die de leider van de fact-free world wil zijn. Door het voortdurend over Bidens geworstel met woorden, zinnen en gedachten te hebben, bleef het belangrijkste aspect van het debat tussen Biden en Trump onderbelicht: Trump reeg zoals gebruikelijk de leugens en onwaarheden aan elkaar. Biden kwam niet altijd uit zijn woorden en dat baarde zorgen. Trump kwam wel uit zijn woorden, en die woorden zouden ons nog veel grotere zorgen moeten baren.

Collumn De Morgen.

ACH, JONGEN OP HET DAK..

Jawel, ach jongen op het dak.
De kroniek van jouw aangekondigde dood heeft meer (juiste) woorden
nodig dan er momenteel aan worden besteed, durf ik te denken.
Meer dan de opgewonden verklaring: “Zijn hoofd is uit elkaar gespat.”

Meneer De Vuist kan je alleen maar dankbaar zijn.
Hij die zelf de wereld heeft toegeschreeuwd, dat hij ‘iemand kan neerschieten, zonder daar stemmen mee te verliezen‘. Maar zoals altijd weet hij, ook nu weer, de rollen handig om te draaien.

Het bloed ‘kroop’ meteen waar het niet kon gaan:
‘gutsend’ ware sowieso indrukwekkender geweest.
Nu leek hij slechts een vergezochte piercing te hebben ondergaan.
Zijn omhoog gestoken vuist als een dreigende granaat in de lucht.

Maar wat moeten jongeren van twintig in godsnaam ook denken
van al die ondraaglijke schouwtonelen om hen heen?
Geen enkele letter van de wet wist & weet die ‘gevuiste geviseerde’
ook maar één stap terug te dringen. Dat zegeviert er maar op los.

Terwijl dat hoe dan ook al lang gestopt had moeten zijn.
‘Schuldig verzuim’ is een zeer ingewikkeld begrip, dat weet ik
ook zelf maar al te goed. Het juiste besef ervan moet werken
als de trillende naald op een deugdelijk kompas.

En wat heeft die naald te doen? Het eeuwige noorden aanwijzen,
dat ijkpunt waarop men blindelings moet kunnen vertrouwen.
Zo ook ons aller innerlijk kompas. Ach, jongen op het dak,
jij die de code brak: ik heb met je te doen.

God heeft het ondenkbare voorkomen?”
Dan had God dat al veel eerder moeten doen, net zoals ook die ‘zelfverklaarde god’ dat al lang had moeten overwegen.
Hoe radeloos moeten wij met z’n allen nog worden,
om ook niet alsnog op een dak te kruipen?

VAN DE REGEN & DE DRUP

Die dikke regen, dat roffelend geluid van die vette druppels.
Geen enkel woord is nat genoeg, om er die aanhoudende regen
mee te beschrijven. Deze ten top gedreven nattigheid, dat
sijpelend verlangen om binnen te dringen. Wolkbreuken & popcornbuien? Alleszins geen ‘buitjes voor het stof‘.

Slapen onder het plat dak, het plafond onheilspellend dichtbij.
Dat zenuwachtige getrommel van Gods vingers, als op een tafel
waaronder ik mij heb verstopt. Die nachtelijke zondvloed en
die ongevraagde ruitenwasser achter het donkere raam.
Dat hels gedruis, dat beangstigende carwashgevoel.

Het huis dat zich schrap zet tot in zijn diepste kieren.
Tegen dat kloppende water: ‘Laat mij erin! Laat mij erin!’
Dat striemende versus de mogelijke slijtage van buizen & fittingen.
Die pijpenstelen, die blaaskes, die strontnatte oude wijven?
Dat – noem het gerust bij naam – zompige depressieverschijnsel.

Dat ‘recht op huisdrop’ (het recht van afwatering op het erf
van de buurman toen er nog geen dakgoten waren) of
‘Singing in the rain‘? Vergeet het. Dat onhoudbare ‘ondeweer
doet volgens mij zelfs de hardnekkigste pluviofiel besluiten:
nu heb ik er ook genoeg van!

Dan maar eens driftig in de plassen gaan trappen?
Of zullen wij er alsnog ‘a rainy day coffee shop ambience’ van maken…

ZWARTE NACHT

Vader m’n vader, hoe kon je nu denken,
dat ik je kind niet meer ben, na je dood?
Immer bedacht op je grafstille wenken,
sloeg je hiernamaals mij weer uit m’n lood.

Blijkbaar wist ik deze nacht in mijn dromen
niet dat je eertijds al dood was gegaan?
Ik kon er, eens te meer, niet aan ontkomen,
radeloos liet mij uw dood zich verstaan.

Vader m’n vader & moeder m’n moeder,
helaas gedoemd tot geen schijn meer van kans?
Tot stof & as, of verpulverd tot poeder,
God, wat een stuitende stoelendans.

TOT ZIENS?

Hoe blij ik ben, niet die jaarlijkse hort op te moeten naar verre oorden. Zelfs een vriendenbezoek ietwat verder weg veroorzaakt al een pinklichtje op mijn wandkalender. Elke aantekening daarop een klein wondje dat moet genezen. Maar kom, zo vermemeld wil ik mij nog niet voelen. Sloop die muren om mij heen, help me zo bij jou te komen..

Echter, het toeslaan van de zware voordeur achter mijn gat, doet mijn gemoed sowieso al opschrikken. Ik ben nu eenmaal geen huisjesslak, dus ik moet mijn veilig omhulsel hoe dan ook achterlaten. Ik zet mijn ogen vervolgens meteen op denkbeeldige steeltjes, wetend: want ‘hortekie wezen’ is nog iets heel anders dan thuis boeken zitten lezen.

Vrijdag 5 juli: een zorgvuldig afgesproken weerzien op de planning.
O mooie dagen, ik hou zo van die mooie dagen? De Amsterdammer van 09.24 stond in ’t rood: rijdt niet. De kunstmatige blos verdween van mijn kaken, en de ogen op mijn steeltjes trokken zich meteen diep terug in hun kassen. Bellen dus het spijt me, het wordt een uur later…

De Amsterdammer van 10.24 dus. Ook alweer negen minuten vertraging. En verspoord naar het hemelhoge spoor 11, voorlopig nog zonder roltrap. Die negen minuten werden er al gauw twaalf, spoor 11 werd opnieuw spoor 8, ik ging sowieso mijn aansluiting missen..

Maar erger nog: de trein kreeg dus en surplus ook alle reizigers mee van de voordien afgeschafte. En allemaal minstens één koffer bij, plus een horribele dikke rugzak, plus handbagage. De opstappers bleven zich kwetterend, tot in extremis, naar binnen wringen. Alsof de trein als een steeds dikker wordende worst werd vol gespoten met gehakt.

Zelf geraakte ik niet verder dan het balkon, in een hoek gedrukt en bovendien ook nog eens ter hoogte van de WC, met een versgebakken cake op zak, die dreigde vermorzeld te worden. Ik wist hem echter alsnog heel te houden, tot bij de vrienden waar ik werd verwacht.

Om dan ’s avonds, moe maar tevreden, als een slak terug in mijn huisje te kruipen. Bang, tot in mijn dromen, voor de peuterende bek van de merel? Maar ’s morgens gezond weer op, het is kermis in eigen stad.

VIJFENVIJFTIG JAAR LATER



Al voel ik mij niet meer zo'n frisse,
- dus hier een vloek & daar een zucht -
geen sprong hoeft nog in 't ongewisse,
want hier is 't gat & daar de lucht.


Zo werd ik alsmaar meer de zijne,
- honderd procent onloochenbaar -
en hij alzo steeds meer de mijne,
in wezen haast inwisselbaar.


Dansen wij thans met kromme tenen,
- trappend op die van andermans -
drie juli laat er zich voor lenen,
noem dit gerust een vreugdedans!

BEZIELING

Een schuilplaats of
zoals ook onverbloemd,
eveneens een jurk zo
kan worden genoemd?

Die ziel, alias zij,
hier mee bezig geweest,
gaat er straks hoe dan ook
mee naar een feest.

Ik teken bij deze,
– punt andere lijn –
dat zal toch maar mooi
je kleindochter zijn.

GENOTEERD

Als een ééndagsvliegje zo blij geweest met de dag van gisteren. Of een beetje dichter bij de werkelijkheid: als een bolstaande gelukzak, volgestouwd met van alles & nog wat. Ontbijt aan de buitentafel. De ligusterbomen leken te lekken. Druppels alweer vergane glorie?

Dat schaduwrijke takkendak boven de tafel. Een groene zee van golvende varens. Die aandoenlijk buigende tortelmannetjes. Dat zwarte bendeke luidruchtige kauwtjes. Dat gezoef & dat gefladder. Echter, te midden van al die schoonheid een dood musje gevonden, als een dompertje uit het nest gevallen? Met heel veel spijt begraven.

Schilderijwolkjes in de blauwe lucht alsof geschilderd door mijn vader. Kakelende musmeisjes op de trein. In Hoogstraten staan de lindebomen in bloei, dat moest & zou ik weer geweten hebben. Dan toch zomer? Ik word er helaas altijd lichtschuw & pissebedderig van. Maar toch, ook al is zweten mij immer een horror, en hoe grof mijn poriën er altijd ook van worden: ik waagde het erop.

Ik durfde het absoluut niet luidop vast te stellen, maar de donkere ondergrondse koelte in Antwerpen- Centraal voerde even een zalige tussentijdse controle uit in mijn brein. Toch hoopte ik dat de nieuwe opstappers niet te lang zouden treuzelen. Ik probeerde het zonnige verder zoeven prettig te vinden, en dat lukte ook wel, want uiteraard zat ik aan de schaduwkant, dankzij mijn slim poepeke.

Het voorbijschuivende groen pronkte zich de hemel in. En ik vroeg mij af: dat blauwe uitspansel, die beschermende stolp, wie heeft die ooit zo behoedzaam over ons heen gezet? Wat moet ik aanvangen met al die pracht? Het bebliksemde mij weer met felle schichten, die echter onmiddellijk werden afgeleid naar de onzichtbare ondergrond van mijn bestaan. M’n vader had z’n wolken ondertussen met verve groter gemaakt, omdat hij tot in zijn dood blijft weten dat ik uiteindelijk de volle maan verkies boven de volle zon?

Eenmaal ter plekke in zusje’s tuin, joekels van Hoogstraatse aardbeien op tafel, en een kom verse frambozen van de buren. Wuivende grassen, uit de niet meer gemaaide gazon ontsproten, als een freel beginnend korenveld. En onder de verdronken notenboom gezeten, in een zee van oplichtende pantervlekken, witte wijn in de glazen. Zingende merels, scherende vogels, koelte zoekende katten. Een dag die in z’n ééntje een hele zomer zou kunnen waarmaken, indien dit de enige zou zijn.

Maar verdronken bomen? Nooit eerder van gehoord, doch wat blijkt? Als de grond vol water komt te zitten, zoals nu dus, zit er geen zuurstof meer in, en kunnen de wortels geen voedsel meer opnemen, waardoor ze ‘verdrinken’. Niet elke boom is er even vatbaar voor, maar het blijkt dit jaar in sommige bossen & tuinen een zichtbaar spijtige vaststelling. De anders luchtdichte kruin van mijn zusje’s notenboom leek daardoor deze keer veeleer op een kapotgeschoten dak vol gaten.

Terugreis dan toch met hindernissen. Busje komt zo? Nee dus. Ook het geluk gedraagt zich soms als een verdronken boom, in een noodwendige poging het evenwicht te bewaren? Droogte, vernatting, alsook over-vergelukking, het eist blijkbaar allemaal zijn tol. Doch een uur later dan toch op mijn huiswaartse trein geraakt, even gelukkig & tevreden als de egel in dat blozende ‘misschien-wisten-zij-alles-boek van Toon Tellegen, dat ik bij mijn jarig zusje had achtergelaten als een glinsterende zwerm vééldagsvliegjes.

GISTEREN, MAAR WELLICHT OOK MORGEN NOG..

DE KUNST VAN HET LEZEN

‘Ik hoor de tegenwerpingen al. De kunst van het lezen, is dat niet wat overdreven gesteld? Een vaardigheid, soit, maar een kunst? Dat is nu net het probleem, geloof ik, dat het nooit die verheven positie heeft bereikt. Het lezen wordt in de eerste plaats als een techniek voorgesteld, een techniek die men dient te beheersen om het lezen vaardig te worden, opdat men begrijpt wat er staat. Begrijpen wat er staat is een definitie. Zeker. Begrijpend lezen heet dat in het basisonderwijs, inderdaad. Maar het verhoudt zich tot de kunst van het lezen als rekenen tot de wiskunde.

Aldus P.F. Thomése aan het woord, één van de veelzijdigste schrijvers van ons taalgebied, in zijn boek ‘Verzameld nachtwerk’. ‘Het oeuvre van Thomése barst uit zijn voegen van zinnen die geciteerd willen worden.’ -Tzum.nl. ‘Ook Verzameld nachtwerk is dusdanig rijk dat iedere poging iets over die rijkdom te zeggen tekortschiet.’ Leeuwarder Courant.

Het is vreemd dat de kunst van het schrijven, die toch algemeen erkend is, geen evenknie heeft gekregen in die van het lezen. In verhouding tot de muziek, waar de praktijk van het interpreteren zeker zo belangrijk is als die van het componeren, komt de literatuur er bekaaid van af. En dit terwijl het lezen van een roman of gedicht het best vergeleken kan worden met hoe een dirigent zich over een partituur buigt. Hij moet er muziek van zien te maken. Zonder hem blijven de noten dood aan hun balken bungelen.

Hetzelfde geld voor de bedrukte bladzijde. Hoe virtuoos, gevoelig, verfijnd en diepzinnig de woorden ook zijn neergeschreven, ze blijven van papier en drukinkt zolang er geen prins langskomt om ze wakker te kussen. Elk boek is voor honderd jaar in slaap gevallen, wachtend op die ene ware lezer die zich door de woekerende rozen van loze woorden een weg naar binnen weet te banen om zo de tekst wakker te kussen en weer te bezielen met een leven dat eruit verdwenen was.

Hoeveel boeken hebben niet voor dood op mijn bureau gelegen, naast mijn bed, in mijn tas onderweg: je doet je best, maar ze gaan niet zingen in je hoofd. Je leest ze, maar je leest over de zinnen heen. Het lukt niet om er contact mee te krijgen. Het kunnen erkende klassiekers zijn, bestsellers van het jaar, romans van vrienden, boeken die ik vroeger erg goed vond… Ik wil maar zeggen, aan die boeken ligt het niet.

Je moet je niet afvragen: wat geven die boeken mij? Maar: wat heb ik die boeken te bieden? Wat heb ik voorhanden, wat stop ik erin? Iedereen die wel eens een Moeilijk Boek heeft proberen te veroveren, weet waarover ik het heb. Je moet weten hoe je binnenkomt. En als je binnen bent, is het moeilijk te zeggen waar je bent. Het is als het lezen van een vreemde taal. Je snapt het, min of meer, maar je moet niet vragen hoe. Je zou handen en voeten nodig hebben om uit te leggen wat er staat. Maar zolang je leest, is er niets aan de hand, want je bent alleen, je hoeft je niet te verantwoorden.

Langzaam waag je je dieper en dieper het boek in, op de tast, zonder te weten waar je heen gaat of waar je uit komt. en dan is er plotseling iets wat je thuis weet te brengen, iets wat het vreemde een glans van vertrouwdheid geeft. Daar begint het. Daar waar er een verbinding ontstaat. Als het goed is, als het werkt, wordt een boek aangesloten op alles wat je in je hebt: je herinneringen, je kennis, je verlangens en verwachtingen, je angsten, je smaak, je stemming van het moment, je tijd.

Nu zijn er boeken die weinig vragen, de meeste vrees ik, maar er zijn wegens de goedkope productievoorwaarden nu eenmaal veel te veel boeken. We hebben het, bij uitsluiting, over bijzondere boeken, boeken die je aandacht hebben verdiend, die er zogezegd om schreeuwen…

En zo gaat hij nog even voort in zijn ‘Verzameld nachtwerk’. Meegebracht uit de bibliotheek, maar daarna ook zelf aangeschaft, want o zo boeiend. Het eerste boek dat ik van hem las was het aangrijpende ‘Schaduwkind’, over de dood van zijn dochtertje Isa. Hoe zou je zijn naam & zijn schrijverschap ooit nog kunnen vergeten..

GROENE WIND, GROENE TAKKEN.

Verde que te quiero verde.
Verde viento. Verdes ramas.

Groen wat hou ik van je groen.
Groene wind. Groene takken.

De vijgenboom laat zijn wind langs
schuurpapieren takken schaven?

Deze fragmenten uit ‘Slaapwandelromance’ van Federico Garcia Lorca passen perfect bij de groene weelde in eigen tuin. Niet de vijgenboom laat de groene wind door z’n takken varen, maar wel de dit jaar overweldigende bloeiende Liguster. De al even overvloedige regen heeft hem goed gedaan, zo te zien. De eerder zeldzame vlagen zon hebben hem dan toch in bloei gekregen.

Echter, inmiddels gezamenlijk alweer op weg naar de langste dag & het wederom korten der dagen, strooit hij z’n uitbloeiende weelde over het wit be-ster-de tuinpad.

Om alsnog van zijn bedwelmende geur te kunnen genieten buiten de natte verwaaide tuin, diende ik er een paar takken van binnen te halen, want zonder de liguster te hebben geroken is de lentezomer van geen tel geweest, waarvan akte. Signa, signetur, signentur.

De liguster geurt naar zoete herinneringen, naar onvergetelijkheid en ‘hemelse goedheid.’ Maar bovenal naar het onmiskenbare begin van de zomer. Een geur die in dierenproeven blijkbaar werkzaam is gebleken tegen tumorcellen in de darm. Deze ontdekking van geurvorsers aan de universiteit van het Duitse Bochum kan naar nieuwe behandelingen van darmkanker leiden.

Maar er is ook de weemoedige verklaring
van Thomas Lieske in zijn gedicht:
Hoe je geliefde te herkennen
.

Dit is wat de geliefde verspreidt:
een geur van zomerlinde, van avondmelk,
van naakte huid onder een joppertje,
een geur van de liguster aan het eind van de tuinen,
waar in het lage licht met het geduld
van spinnen de geheimen worden prijsgegeven.

Luister even mee,
verstopt in de liguster
een fluitfabriekje.

Jeanine Hoedemakers, Triona Pers 2016
10 x 7 cm, 16 pagina’s, Oplage 175, helaas uitverkocht.
Dertien haiku’s in dit kleine boekje portretteren op originele wijze allerlei dieren. De linosnede op het omslag is van Flora de Jong.

En last but not least, dat felle Nelleke Noordervliet,
met haar prachtige bloeiende ligusterkop,
over ‘Vergeetgeuren’.

Ook te beluisteren op NPO Radio 1,
21 juni 2021.

Bloeiende liguster en de walm van een petroliestel. Dat zijn twee geuren die de wereld van mijn vroegste jeugd oproepen. Dat oliestel was vrij pregnant en permanent aanwezig, de bloeiende liguster alleen in het zomerseizoen op een warme dag. Weinigen zullen nog dat oliestel in hun geurgeheugen hebben. De liguster is waarschijnlijk wel herkenbaar. Maar bij niemand behalve bij mij hangt er een complete wereld aan. Nu zal ik niet in de verleiding komen een zevendelige romanserie op te zetten uitgaand van die geurcombinatie, maar ik snap wel hoe dat werkt. Een geur is moeilijk te omschrijven omdat er niet alleen sprake is van feromonen en chemische reacties. Het hele persoonlijke bewuste en onderbewuste leven bevindt zich opeens in de neus. En dan ben ik nog maar ergens tussen 1945 en 1950. Elke levensfase wordt begeleid door karakteristieke geuren, waarmee de persoonlijke geschiedenis kan worden geschreven.

Een in de thee gedoopte madeleine is een geur die eenvoudig opnieuw kan worden geproduceerd, maar er zijn geuren die zijn verdwenen of die je zelden meer ruikt. Vergeetgeuren. Zoals er vergeetwoorden zijn, woorden die in onbruik zijn geraakt of dreigen te raken, zo zijn er vergeetgeuren, geuren die je bijna nooit meer ruikt. De milieuwetgeving heeft ons beroofd of bevrijd van veel industriële geuren, al stuurt de linoleumfabriek in Krommenie nog altijd af en toe de geur van pas aangelegde gymzalen de lucht in. Zo liet het petrochemische complex bij Rotterdam in de jaren vijftig en zestig ruimhartig zijn onbeschrijflijk vettige en gore geur neerdalen over de wijk waar we woonden.

En dat niet alleen: het roet sloeg zichtbaar neer op de vensterbanken en ongetwijfeld in de longen van de Rotterdammers. Als de wind de andere kant op stond overtrof de beendermeelfabriek Gekro bij Overschie Pernis in smerigheid met een soort lijkenlucht die schreeuwde om in pepermunt gedrenkte mondkapjes. Geen wonder dat mijn moeder erg gesteld was op de geur van uitgereden mest. Dan was je tenminste op het platteland en koeienstront was een natuurlijk product. Daar zou ze nu misschien anders over denken maar alles is relatief.

De jaren zeventig brachten de bedwelmende geuren mee van wierook. Waar die aanvankelijk alleen bij hoogtijdagen in de kerk ruikbaar was als de misdienaar het wierookvat enthousiast heen en weer zwaaide, werd je nu – nadat je door een gordijn van kamerplanten was heengebroken – in ieder huis onthaald met overal walmende wierookstokjes. Die zijn inmiddels vervangen door allerlei soorten huisparfums. Ach, hoe huizen roken en tantes en babies. Hoe solutie rook als je je band plakte. Hoe de Miss Blanche-sigaretten van mijn ene opa roken en de gematteerde Willem II sigaren van de andere. Hoe de kelderkast rook en het roestige zand van de opgebroken straat. Hoe het verleden rook. Ach. De liguster bloeit weer.

EITJE PELLEN

Soms. Ineens. Is het daar: als een denkbeeldige beroerte, als een klonter ontroering die uiteenspat in mijn gemoed, en die daar heel eventjes alles lam legt. Starend naar dat ei in mijn hand, dat meest perfecte ding op deze aarde.

Ik wou het klutsen, maar kreeg plots de kip voor ogen die het had gelegd. Die er aan overgeleverd was geweest dit ei voort te moeten brengen, en wellicht sowieso niet in de allerbeste omstandigheden.

Mijn bewondering daarvoor, mijn terechte ontroering. Het ondraaglijke besef hoe deze totaal onbekende kip dit voor mij heeft gepresteerd. Voor geen geld. Voor geen enkele dankuwel. Dit ei, waar ze 26 uren voor nodig heeft gehad, om het te ‘maken’.

Al die menselijke dwingelandij. Die schaamteloze afpakkerij. Dat gesjoemel met lichturen. Al dat mateloze geforceer. Het fijne daarvan? Dat wou ik eigenlijk liever niet weten. Ik raakte er ei zo na mijn kluts van kwijt. Blijf verwonderd? Soms zou die oproep eerder moeten klinken als ‘blijf gechoqueerd!’

Van nature leggen kippen slechts hooguit 20 eieren per jaar. Veel vroeger zelfs maar een twaalftal. Echter, de mens dwingt hen door broodfok & kunstmatige lichtschema’s tot het leggen van een ei per dag, hetgeen een grote aanslag is op hun lichaam. Hun leg-apparaat bezwijkt hieraan op de duur, en bezorgt de kippen allerhande kwetsuren, met een pijnlijke dood als gevolg.

En nog meer pijnlijke gevolgen. Bijna de helft van de eierimport naar Europa is afkomstig uit Oekraïne. Die import is sterk gegroeid nadat de EU vorig jaar besloot om geen invoerheffing meer te heffen op eieren uit Oekraïne, om zo het land in oorlog te helpen.

Het gaat echter veelal om eieren uit traditionele kooien & legbatterijen, een huisvestingssysteem dat in Europa al langer dan tien jaar verboden is. Deze import roept veel beroering op onder de Europese pluimveehouders, die aan strenge welzijnseisen moeten voldoen.

Wat we zien is dat we er een paar gigantische bedrijven mee helpen, zoals de eiergigant Ovostar. Een bedrijf dat in zijn eentje al net zoveel legkippen heeft als wij in heel Nederland bij elkaar. We zitten dus een paar mensen die al heel groot en rijk zijn, oligarchen, hiermee te helpen. De lokale boer in Oekraine wordt hiermee niet in het minst geholpen,‘aldus Hans Bijleveld, redacteur pluimveehouderij.

In 2022 zou bijna 13 miljoen kilo eieren uit Oekraïne zijn geïmporteerd, tegen bijna 2,3 kilo in 2021. Die importeieren komen niet als tafeleieren in de supermarkt terecht, maar worden verwerkt in producten als koekjes, pasta’s en sausen.

En dan… het leggen van dat ei. Simple comme bonjour? Vergeet het: wat een moeizame arbeid, ik schrok er van. Volkomen ‘op de force’, dat zie je meteen. Echt niets om elke dag te moéten presteren.

Kip, Kip, Kip,
vergeef mij m’n wanbegrip!