Zo aangrijpend klinkt in Rusland het Onze Vader. Als een berustend gebed vol vertrouwen en geloof in het goede. Dan denk je toch: hoe kan in ’s hemelsnaam die gruwelijke oorlog daar vandaan komen?
Otche Nash is het meest bekende werk van de Russische componist Nikolay Kedrov, die na de Oktoberrevolutie in 1922 emigreerde naar Berlijn en later naar Parijs. Daar doceerde hij aan het Conservatoire Rachmaninov. Otche Nash is gecomponeerd in dat beruchte jaar 1922.
In schril contrast met deze aquarel van de Oekraïense kunstenares Kateryna Lysovenko, gemaakt tijdens haar vlucht naar Oostenrijk. Zie het boeiende artikel van Kateryna Botonova, rectoverso.be: ‘De Oekraïense kunst die werd vernietigd, en de kunst die er nooit kwam‘.
Anastasia Gladilina is een populaire Russische tienerzangeres. Zij zingt hier op 15-jarige leeftijd met ‘the Choir of Sretensky Monks’ het inmiddels wereldberoemde Kyrie. Het contrast kan niet groter zijn.
Zoekend naar een verloren boek, kreeg ik ineens dat verscholen helblauwe ruggetje in het vizier. Al een oud nooit meer bekeken boekje, zo bleek. Uitgegeven door de Bezige Bij in 1994, dus al dertig jaar oud.
‘Een woordenboek waarin in onbruik geraakte Nederlandse woorden door literatoren op persoonlijke wijze worden omschreven’. De titel ‘Vergeetwoordenboek’ sloeg inmiddels niet alleen op vergeten woorden, maar ook dus op het woordenboek zèIf. Geheel onterecht, ik trof daarin meteen een bijzonder fragment aan van Kees Fens.
‘Gestalte’ is veel te concreet. Ik probeer maar: gedaante, suggestie, aanwezigheid, moment. Wat een woorden: ze liggen allemaal verkeerd. ‘Moment’ het minst. Ogenblik – het is eigenlijk wel mooi. Het ogenblik van het eewige. Dat was, dat is, ik weet het niet, de stilte.‘
‘Stilte is weg als je haar opmerkt. Wie haar benoemt, verdrijft haar. Wie aan de speld denkt, is verloren. Maar er is het minimale moment tussen ervaring en het bewustzijn ervan. Daar ligt de stilte. Je hebt haar even en je raakt haar weer kwijt. Voortdurend. Het woord ‘stilte’ is er de herinnering aan. Maar dan vult het zich in een nieuwe uiterste seconde opnieuw met betekenis. Het bestaat weer. Wat een woord, seconde. Er is nu even geen voortgang in de tijd.
Hij was heel ver. Maar ook overal. Hij keek, zei men. Maar hij hoorde vooral, want hij werd de hele dag aangeroepen, al of niet zingend. En dan in een vreemde taal. Dat zingen was, denk ik, het eerste beeld. Hij was muziek. En in de stilten ertussen strekte de eeuwigheid zich even uit.
Er zaten grote ramen in het gebouw. Met heel vaag gekleurd glas erin. Ik zat en keek omhoog naar dat onbeweeglijke licht. Ik trof het, want het moet toen een mooie zomer zijn geweest. Het gebouw was streng, maar bij die ramen hield zich het ochtendlicht op. En dat maakte mij zo gelukkig, dat ik wist dat hij het was: buiten en onbereikbaar, maar naar binnen lichtgevend.
En dat licht was steeds hetzelfde en ook steeds weer anders. Hij was het licht in de ramen, hij was de muziek in het gebouw, hij werd zelfs de rook die omhoog ging en waarvan de geur in de stenen leek te trekken.God. Het is geen woord. Want het kan de hele taal als betekenis hebben.
Stilte is een oud woord geworden. Zoals God, dat het best omschreven kan worden als ‘afwezigheid van stilte’. Maar toch. Heel soms zijn de twee, God en stilte, toch nog even één. Maar ik weet, dat het verlangen naar het definitief samen vallen van de twee een droom is geworden. Welk woord zouden zij samen opleveren? Eeuwigheid, denk ik. Twee metaforen smelten samen tot één en worden werkelijkheid.
Maar wat is het allerverschrikkelijkste woord, dat maar niet dood wil gaan? Sputum. Sputum zat in een blauw flesje op het nachtkastje van mijn vader. Ik las het sprookje ‘De geest in de fles’ en wist ineens dat hij bij elke hoestbui een deel van zijn geest in dat flesje opsloot. Ineens was het vol en toen was hij dus dood. Hij verdween, het flesje verdween.
Stilte, God, sputum – wie van de drie hebben het meest betekend? Ik weet het niet. Het geloof is een hoestbui, heb ik eens ergens gelezen. Misschien is dat ook waar.’
Hoe kunnen we een leven redden: door met de vingers te wijzen? Hoe kunnen we alzo de strijd ooit beëindigen?
Als schuld de waarheid is die we prediken, en leugens zijn wat we geloven? Niemand wint ooit, als het doel is de score te vereffenen.
Eén voor één zullen wij oproepen tot een STAAKT HET VUREN? Eén voor één zullen we vechten VOOR EEN BETER EINDE? Eén voor één kunnen we de KRANTENKOPPEN HERSCHRIJVEN? Eén voor één BOUWT LIEFDE EEN IMPERIUM OP? Eén voor één slaan we een brug NAAR ONZE VIJANDEN? Eén voor één BEREIKEN WE DE FINISH?
Ook al zijn we zelf verre van perfect, genade is gemaakt voor zij die het niet verdienen.
Het is zo gemakkelijk om de eerste steen te werpen, het is zo moeilijk om de eigen ziel te doorgronden, transformeer onze pijn en geef ons vrede.
Aldus de song ‘Ceasefire’ van de Australisch/Amerikaanse band ‘for King & Country’, geschreven voor de herverfilming van Ben Hur in 2016. American Songwriter beschreef hen als ‘Australië”s antwoord op Coldplay’.
Iemand moet het doen: de boom weer de huiskamer in sleuren. Uit het bos, uit de kelder, of van de zolder? Zo’n Nordmann in een net van bij de Hubo, of op z’n gruwelijkst: die van vorig jaar terug gaan uitspitten in de tuin? Maar dat laatste: trotzdem ohne mich!
U heeft goed gekozen, meneer! Die bakfiets hoeft niet altijd vol te zitten met zelf gebakken kinderen, waarvoor Van Veen zingt: ‘Opzij! Opzij! Opzij! Maak plaats! Maak plaats! Maak plaats! Wij hebben ongelofelijke haast!’ Echter, ik mag wel hopen dat uei zo na thuis bent?
Inderdaad, eindelijk is het weer december. Eén der zusjes opperde dit jaar geen kerstboom te zetten, wegens teveel wereldellende: het zou ongepast zijn. Voor mij echter: hoe meer kerstbomen & hoe meer lichtjes, hoe feller het besef dat er zoveel mensen zijn die dit nu moeten missen.
De kerstboom in al zijn glorie heeft mij van kinds af aan gefascineerd. Die lichtjes, daar is het mij altijd om te doen geweest: ze moesten liefst ontelbaar zijn & in alle zekerheid eindeloos kunnen branden, hetgeen met de eerste generatie lichtjes soms bangelijk was, dus lang leve die zorgeloze ledlichtjes!
Waar is de tijd toen dat nog met echte kaarsjes moest gebeuren, die dan maar heel even mochten branden na lang gezeur. Tot de kerstboom plots als een vlammende fakkel moest worden buiten gegooid. Hoe glansloos de wereld toen opeens was geworden, ik moet er om gejankt hebben, dat kan niet anders.
Maria door een doornwoud trad, ’t had zeven jaar geen loof gehad? Welk lied ik ook zal zingen, het zal altijd ‘Au plaisir de te revoir’ zijn. ‘Als zo’n zin onder aan een brief die plots als een vlinder wegfladdert uit de cocon van de formule’ zoals Luc Devoldere dat zo onnavolgbaar mooi omschrijft.
Boompje groot, plantertje dood? Laten we elke kerstmis blij zijn, dat we er nog bij mogen zijn. Jaren lang kwam onze alleen gevallen vader hier kerstmis mee vieren, en elke keer vroegen wij ons af: zal hij er volgend jaar ook weer bij zijn? En jawel hoor, maar ineens: nooit meer.
Zet hem, zusje-lief, zet hem toch maar. Het hele huis zal er weer van gaan blozen, en wellicht ook jijzelf. Toch niet de achterkant van de maan, toch niet de donkerte achter de ramen, toch niet de matte glans van boze tranen? Je hebt ze meer dan ooit nodig, zusje, die lichtjes.
Soms ga ik er in alle regenachtige vroegte plots van wakker liggen: van het onvoorstelbare, dat heel even in een flits, ineens toch voorstelbaar wordt. Iets van op slag. Iets van op de natte stenen.
Dan worden mijn lippen er zo droog van en mijn ogen zo nat, dat ik het gevoel heb dat het staat te gebeuren. Op zo’n gure donkere novembermorgen, zwetend want wetend ze moeten daar door.
In die onheilspellende vroegte vol gevaren, in het natte licht dat zich chaotisch op de Vroegelingen werpt. Gejaagd door de wind, rakelings voorbij gezoefd door andere onmisbaren, die met hun dubbel zoveel wielen.
Bij voorbaat gaan treuren om er alvast aan te wennen, voor in geval dàt? In de hoop op ‘strafvermindering’? De geliefden, zo hachelijk onderweg met hun weerloze pracht & hun niet te beschrijven onmisbaarheid.
Ja moeder, ik wist het als eerste: wij zijn allemaal, als brandende kaarsen, uit uw buik gekomen. Ik was tien, toen uw achtste geboren werd; nog méér en ik had uw eigen vroedvrouw kunnen zijn.
Acht paar gepoetste schoentjes op rij, bid voor ons, valkuil vol achterhaalde sinterklazen, idem dito.
Ja Moeder, ik dank u, al voel ik mij soms zo onzeker als een verkoopster, die zojuist makreeltjes in olijfolie heeft zitten eten en, stinkend naar het leven, vragen moet: “Kan ik u helpen, meneer?”
Frikadellen met noordkrieken, bid voor ons, pioenrozen op het oude kerkhof, idem dito.
Ach Moeder, ik weet niet wat mij vandaag het meest weemoedig stemt: uw gewijzigde aanwezigheid in mijzelf, of de erfenis van uw blijvende – o zo beklijvende – doodsmoedigheid.
Soepknook in de ziedende pot, bid voor ons, en alle memento-mori-moeders ter wereld, idem dito.
Waft her, Angels, through the skies, far above yon azure plain!
‘Vredige Wouden, geen enkel ijdel verlangen vertroebelt hier onze harten, als ze er gevoelig voor zijn. Fortuin, dat is hier niet de favoriete wens.
Grootsheid, kom ons nooit je valse aantrekkingskracht aanbieden! De hemel heeft die uitsluitend bedoeld voor onschuld & voor vrede.
Laten wij blij zijn met onze toevluchtsoorden, en genieten van deze rustgevende rijkdom. Ach! Kan men gelukkig zijn met een andere wens dan de deze.‘
‘Forêts paisibles‘ is een hoopvolle verzuchting uit Jean-Philippe Rameau’s ballet-opera ‘Les Indes Galantes’ (1735), een mengeling van exotisch gekleurde dansen, verrukkelijke koren, aria’s en ariettes. Les Indes Galantes (de hoffelijke Indiërs) stond toendertijd synoniem voor bewoners van elk denkbaar niet-Europees of exotisch land.
Het gezang van de ‘Vredige Wouden’ wordt vooraf gegaan door ‘Les Sauvages’, de dans van de vredespijp, uit de (Amerikaanse) wildernis. Rameau doelde met ‘les Sauvages’ op de vredespijp rokende Indianen.
Met muziek en dans wordt een schets gegeven van de ontmoeting van de Franse cultuur met wat men toen ‘wilden’ vond, of ‘Indes’: Turken, Inca’s, Perzen – exoten, anders gekleurd en anders in de liefde. Maar toch, rivaliteit, eer, jaloezie – het is ook bij hen niet anders.
(Info: Ben Frie SJ recentie, igniswebmagazine.nl) Hieronder de Concertversie van ‘Les Arts Florissants’ onder leiding van William Christie. Alsook een getransformeerde hedendaagse versie: hiphoppers die dansen op barokmuziek.En in ruil voor al die uitgesmeerde Trump-miserie in woord & beeld ook nog het alles overstijgende ‘Tendre Amour’, uit ditzelfde hartveroverende werk.
Victorie kraaien: de overwinning op de duisternis, de triomf van het licht? Anno 2024 doet dat heden ten dage eerder denken aan een oude protserige haan, type Trump, boven op de mesthoop van de wereld. Dus niet als aankondiger van de nieuwe dageraad, want wie wakker genoeg is & goed luistert hoort hem eerder ‘Patriarchaat!’ schreeuwen, afgewisseld met beuzelpraat als ‘Weg met al wie mij tegenstaat!”
Hoe dan ook, er worden eieren gelegd bij de vleet, maar vaak hebben ze geen schalen en blijken ze dus niet levensvatbaar. Doch dat zal de kraaiende Trumphaan een zorg wezen: de taak der kippen is niet de zijne. Als attribuut van zijn eigen gepersonifieerde wellust hoeft hij alleen maar koning te kraaien, in god’s naam zelfs, naar eigen zeggen.
Maar in weerwil daarvan is de Trumphaan helaas ‘not a Good Luck Rooster’ want hoor hem maar schreeuwen: “Nog voor ik tweemaal zal hebben gekraaid, zal ik u reeds driemaal hebben verloochend!” Hij regeert de omgekeerde wereld, met zichzelf als de maat der dingen: waar zijn kop met hanenkam moest staan, bevindt zich zijn cloaca, en andersom. Maar het wervende filmpje hieronder slaat je hoe dan ook de bijl uit je handen, hetgeen er dan ook de bedoeling van is.
God keek neer op zijn geplande paradijs en zei:” Hier stinkt echt iets. Ik riek iemand die drie Egg McMuffins eet voor ontbijt, haat verspreid, de grondwet vernietigt en de democratie, vijf Big Macs eet als avondmaal. Vervolgens naar zijn Oval Office gaat en de boel daar doet stinken, terwijl hij uitsluitend naar Fox News kijkt.” God smelled Trump.
“Ik riek iemand met stinkende oksels die andere wereldleiders doet kokhalzen, scherp genoeg om er zelfs een olifant mee om te leggen. Iemand die de hele planeet doet stinken en met een paar graden doet opwarmen. Komt ranzig thuis en slaat een fles Brut 33 achterover, zonder enig bijkomend effect.“God smelled Trump.
God zei: “Ik riek iemand die elk gebod overtreedt, en daarvoor aanbeden wordt door zijn volgers. Iemand die de bedroefden bespot. Iemand die met z’n voeten in de drollen van dictators durft te trappen. Iemand die op wonderlijke wijze het geld van zijn meest fervente fans kan laten verdwijnen. Iemand die het verschil niet kent tussen respect voor de rechtstaat en het onderdompelen van zijn oranje kop in zijn eigen gouden wc.” God smelled Trump.
God rook iemand die tot op de bodem wil gaan om te winnen, en zelfs nog verder. Een put gravend voor zijn rotte leugens, de menigte achter zich meeslepend.God smelled Trump. En God zei: “Ik riek iemand met een schadelijke, weerzinwekkende, kwalijke stank. Die shit heb ik niet gemaakt. Lucifer, ben je de kattenbak weer vergeten? Jesus Christ.”
Hij dus. Die loodzware bullebak. Die afstotelijk gemuteerde reuzenkraak met zijn meer dan vier meter lange armen vol zuignappen en z’n vlijmscherpe hoornachtige papegaaienbek. Een nachtmerrie die zichzelf heeft waargemaakt, als een niet meer weg te krijgen gedrocht op het dak van dat witte huis. De hele wereld zal naar hem gaan stinken. Blijkbaar naar rotte zoute drop, zoals alsnog is vastgesteld.
Maar wat een droeve ochtend, wat een ontmoedigende tekens aan de wand. Het woord is vrees geworden: dat prachtige begrip ‘helen’ is vannacht tot moes vermalen door de rotte tanden van de tijd. Al het goud van de wereld lijkt opeens niks meer waard, want te koop geschreeuwd voor een habbekrats, door ’s werelds grootste zwetser.
Het Trumpisme trekt z’n sporen. Tot in de woordenboeken. Tragisch wordt trumpisch, we pinken geen tranen meer weg, maar bittere trumpen. Treurigheid wordt vanaf nu dus volkomen terecht trumpigheid genoemd.Kortom: beland in het aardse trumpendal.
Met een wapen in de hand komt men door het ganse land? We halen niet meer de trekker over, maar de trumper.We lopen niet langer in de tred- maar in de trumpmolen. Een gevecht tegen de tijd & de rimpels? Trumpitur invidia: tegen de nijd & de trumpels, zul je bedoelen.
En beste kinderen, we spreken niet meer van een tra- maar van een trumpezium. Ook de trammelant die jullie altijd maken, dat heet in de nieuwe spelling voortaan: trumpelant. Let op, met een -t- wel te verstaan. En de varkens zoeken niet meer naar truffels, maar naar trumpels. Verder kun je in het ‘Trumpisch Rekenwoud’ zomaar met het blote oogeveneens de schaamteloze ‘Fallus Trumpudicus’ aantreffen, alsook de ‘Kleverige Donaldzwam’ & de ‘Oranje Trumpamaniet’: allemaal even giftig voor de mensheid.Leer ze dus best van buiten.
Veel werkwoorden zijn gewoon vervangen door het begrip ‘trumpen’. Zoals de sabel uit de schede trumpen, of zich de haren uit het hoofd. Ook zal het echte hout grotendeels vervangen worden door goedkope planken van ‘trumplex’, en laten we eerlijk zijn: de populaire maar levensgevaarlijke trumpolinezou best verboden worden.Stop the deal!
Trumpejaan klim die berg?Aftroggelen muteert tot aftrumpelen. Een troela, al dan niet opgedirkt, wordt een trumpa, en de zwaarste stormen ontwikkelen zich voortaan in de trumposfeer. Schrijlings wordt trumpelings op het paard met zijn vriend Vlad. En in plaats van trompen, hetgeen brullen betekent, zullen ook de olifanten voortaan trumpen, dat speelt sowieso korter op zowel de slurf als op de bal.
De enige hoop die ons nog rest in bange dagen & nachten: Trump z’n smeulende cognitieve achteruitgang als een pad in zijn eigen korf? Zelf zegt hij dat zijn warrige uitweidingen het kenmerk zijn van een levendige en verfijnde geest: “Ik noem dat het ‘weefsel’. Sommige mensen vinden het zo geniaal. Maar de slechte mensen zeggen: ‘Weet je, hij was aan het dwalen.’ Het was echter geen zwerftocht, er is geen sprake van geklets. Dit is het weefsel.” Alzo sprak Zarathoustra?
Maar kom. ‘Weefsel’ kan altijd gaan rafelen. Wie weet komt Dirthy Don vroeg of laat vast te zitten in het ‘harige weefsel’ van zijn eigen hoogmoed? Hoe dan ook, vertroosting zal altijd vertroosting blijven. Geen hond die daar aan twijfelt. En ook vertrouwen kan godzijdank nooit verwoord worden naar ‘vertrumpeling’. Maar Gerard Walschap had gelijk in zijn boek Tor: ‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.‘
Je zou kunnen zeggen: gezichtsbedrog. Het oog misleid. Gewoon een leeg zwart gat in-de-vorm-van. Die kringgespierde mond die eindelijk niet meer open kan gaan. Niet meer die vereelde stemknobbels over elkaar horen raspelen. Alsook nooit meer dat immer scheefvallende hoofd boven die wapperende handjes-draaien-van-koekebakkevlaaien.
Gewoon de schaar op scherp en knippen maar, tot er enkel nog een sjabloon overblijft waar kinderen koppen mee kunnen tekenen. Horentjes erop en het is weer den duvel, of den batman, of Reuzentong Pokémon Gengar. Maar zie, het hellevuur blijft sowieso branden.
De nobele & erudiete Luc Devoldere leerde mij een confronterend vinnig gedicht kennen: ‘Vieze druppel’ van Palladas van Alexandrië (vierde eeuw na Christus) in zijn boek ‘Lucifers bij de brand’.
Mens, gedenk wat je vader deed toen hij je verwekte. Dan zal je wel niet meer verwaand zijn. Maar Plato heeft je met zijn filosofische dromen opgeblazen. ‘Onsterfelijk hemels gewas’ noemde hij je.
Uit klei ben je gemaakt. Waarom zo trots? Zelfs zo ben je nog te plechtig geboetseerd.
Wil je de waarheid horen? Uit tuchtloze geilheid, uit één vieze druppel ben je geboren.
Maar kom, we roken nog eens een sigaartje? Nice try, but no cigar? Hoewel iedereen dankzij Freud misschien denkt dat elk min of meer langwerpig object een fallussymbool is en een diepere psychologische betekenis heeft: soms is een sigaar gewoon een sigaar.
Zo te zien een knéiter van een sigaar: een Cubaanse longfiller Bolivar Royal Corona? Staat alleszins garant voor een goede verbranding en een stevige askegel zonder groeven. Niet geschikt voor beginners!
Maar toch wel handig, zo’n hondje met een slim poepeke.
Geen pluimen, nee, van dode vogels, ze waren, wist ik, in de rui. Zoals ook de vogels op hun beurt weten wie ik ben: Vrouw Granewit die hen, vanaf het ochtendgloren tot in nevel & schemer, naar beneden wenkt met onmachtige gebaren, om hen iedere keer opnieuw een ruisende regen van granen & gepelde zonnebloempitten aan te kondigen.
Het liefst zijn mij de ‘Tortelina’s’ zoals ik ze zelf noem: dat dansende neerdalen in de tuin van die tedere troep (15?) bleke prachtelingen. Hoe noemen ze zulke verrukkingen? Ik wil het niet benoemd weten, ik wil het laten voor wat het is: onbeschrijfelijk mooi. Maar niet alleen mijn geliefde tortels, ook houtduiven, kauwen, eksters, mussen & koolmezen. Ze maken een vlieghaven van onze tuin: de enige waar nooit wordt gestaakt, en waar ook ’s nachts niet wordt gevlogen?
Klein Pluimpje. Daar begon het mee, daar is mijn gouden schaal mee vol geraakt. Hoe prozaïsch hun beschrijving in het woordenboek ook mag wezen: ‘Elk der hoornachtige delen die het huidbekleedsel der vogels vormen‘, iedere gevonden veer wekt mijn be- en verwondering.
Bij deze laat ik graag de (poëtische) entomoloog Hay Wijnhoven even aan het woord, die zich geheel terecht afvraagt: ‘Ik stel me vaak voor hoe dat aanvoelt, al die veren, een dik pakket dode materie waarin de vogel schuilgaat. Tegelijk dringt de kleinste beweging, een zuchtje wind of een aanraking via de wortel van elke pen tot diep onder de huid door.’
Zo hoorde ik in een film eens een schoolmeisje iets voorlezen, te midden van het klastumult waarin haar woorden achteloos verloren gingen: ‘De vleugels van de vogels snijden als scherpe scharen de wolken in kleine stukjes…’ Bijna zoals op dit schilderij van Marc Eemans. En dan denk ik: awel mens, waarom krijgt gij dat zelf niet uit uw pen? Gij ziet dat toch ook elke morgen met eigen ogen gebeuren?
Geef ze een pluim en ze krijgen vleugels? Het omgekeerde zou dan eveneens kunnen gelden: geef ze vleugels en ze verliezen pluimen. Ook mijn innerlijke vogel is zwaar ‘in de knip’ geweest. En kwijt is kwijt, vervangen is er niet meer bij, de veervelden zijn voorgoed uitgedund. Ze kunnen zelfs niet meer dienen om op mijn eigen hoed te steken.
Het is dus hooguit nog schuilevinkje spelen, of pronken met andermans veren. ‘Vogel van waanzin in dit zenuwhuis/duikt in vervoering donkerheden binnen’, zegt Gerrit Achterberg daarover. Maar daar trekken de vogels in onze Taxusbomen zich weinig van aan. Elke verloren pluim zal weer feilloos vervangen worden. Dat vervult mij met ontzag, een woord dat ik helaas nog maar weinig hoor aangehaald.
Ook gevleugelde woorden verliezen weleens hun pluimen. Eveneens het oprapen & bewonderen waard, in de hoop dat ze alsnog weer gevleugeld geraken. Toch lijken sommige woorden hun rui nog maar moeilijk te doorstaan, zoals de schroomdons & de waarderings-pluimen, alsook de nuanceveders & de slagpennen van de waardigheid.
Zo vraag ik me ook af, of ik al ooit in levende lijve een leeuwerik in de lucht heb zien hangen? Eerlijk gezegd, ik kan het mij niet (meer) herinneren. Men zegt dat ze daar – hemelhoog & vroeg uit de veren -gaan bidden. Ik zou er graag een stijve nek voor krijgen, om dat nog eens te mogen zien.Er is goddank ook altijd nog Voltaren Forte.
Al voel ik mezelf alles behalve een hoogvlieger & quasi uitgezongen, mocht ik ooit een leeuwerik zijn – in een vroeger of een later leven – dan zou ik ook zo’n biddend stipje willen zijn in de lucht, ‘singing a hymn at Heaven’s gate’: ‘Heer, hier ben ik, hou u niet ver van mij!’
The lark in the clear air? Weliswaar ietwat àl te zoet gevooisd,maar de échte zingende leeuwerik in het begin klinkt des te veerkrachtiger..