BEKENTENIS

De stad
geeft u zo zelden prijs,
gaf mij een
blindenstok in handen?

Dus op
gevaar af van nooit meer,
beken ik
buiten pijn & banden
,

mijn vrees
voor ’t levenseindig vuur,
dat mij plots
van u weg zal branden..


EINDELIJK IS HET WEER DECEMBER?

Iemand moet het doen:
de boom weer de huiskamer in sleuren. Uit het bos, uit de kelder,
of van de zolder? Zo’n Nordmann in een net van bij de Hubo,
of op z’n gruwelijkst: die van vorig jaar terug gaan uitspitten
in de tuin? Maar dat laatste: trotzdem ohne mich!

U heeft goed gekozen, meneer! Die bakfiets
hoeft niet altijd vol te zitten met zelf gebakken kinderen,
waarvoor Van Veen zingt: ‘Opzij! Opzij! Opzij! Maak plaats!
Maak plaats! Maak plaats! Wij hebben ongelofelijke haast!’

Echter, ik mag wel hopen dat u
ei zo na thuis bent?

Inderdaad, eindelijk is het weer december.
Eén der zusjes opperde dit jaar geen kerstboom te zetten, wegens
teveel wereldellende: het zou ongepast zijn. Voor mij echter:
hoe meer kerstbomen & hoe meer lichtjes, hoe feller het besef
dat er zoveel mensen zijn die dit nu moeten missen.

De kerstboom in al zijn glorie heeft mij van kinds af aan
gefascineerd. Die lichtjes, daar is het mij altijd om te doen geweest:
ze moesten liefst ontelbaar zijn & in alle zekerheid eindeloos
kunnen branden, hetgeen met de eerste generatie lichtjes soms
bangelijk was, dus lang leve die zorgeloze ledlichtjes!

Waar is de tijd toen dat nog met echte kaarsjes moest gebeuren,
die dan maar heel even mochten branden na lang gezeur.
Tot de kerstboom plots als een vlammende fakkel moest worden
buiten gegooid. Hoe glansloos de wereld toen opeens was geworden,
ik moet er om gejankt hebben, dat kan niet anders.

Maria door een doornwoud trad, ’t had zeven
jaar geen loof gehad? Welk lied ik ook zal zingen, het zal
altijd ‘Au plaisir de te revoir’ zijn. ‘Als zo’n zin onder aan een brief
die plots als een vlinder wegfladdert uit de cocon van de formule’
zoals Luc Devoldere dat zo onnavolgbaar mooi omschrijft.

Boompje groot, plantertje dood?
Laten we elke kerstmis blij zijn, dat we er nog bij mogen zijn.
Jaren lang kwam onze alleen gevallen vader hier kerstmis mee vieren,
en elke keer vroegen wij ons af: zal hij er volgend jaar
ook weer bij zijn? En jawel hoor, maar ineens: nooit meer.

Zet hem, zusje-lief, zet hem toch maar.
Het hele huis zal er weer van gaan blozen, en wellicht ook jijzelf.
Toch niet de achterkant van de maan, toch niet de donkerte
achter de ramen, toch niet de matte glans van boze tranen?
Je hebt ze meer dan ooit nodig, zusje, die lichtjes.

NOVEMBRRRRRR…

Soms ga ik er in alle regenachtige vroegte
plots van wakker liggen: van het onvoorstelbare, dat
heel even in een flits, ineens toch voorstelbaar wordt.
Iets van op slag. Iets van op de natte stenen.

Dan worden mijn lippen er zo droog van
en mijn ogen zo nat, dat ik het gevoel heb dat het staat
te gebeuren. Op zo’n gure donkere novembermorgen,
zwetend want wetend ze moeten daar door.

In die onheilspellende vroegte vol gevaren, in het
natte licht dat zich chaotisch op de Vroegelingen werpt.
Gejaagd door de wind, rakelings voorbij gezoefd door
andere onmisbaren, die met hun dubbel zoveel wielen.

Bij voorbaat gaan treuren om er alvast aan te wennen,
voor in geval dàt? In de hoop op ‘strafvermindering’?
De geliefden, zo hachelijk onderweg met hun weerloze
pracht & hun niet te beschrijven onmisbaarheid.

ST.ERFDAG

Ja moeder, ik wist het als eerste: wij zijn
allemaal, als brandende kaarsen, uit uw buik gekomen.
Ik was tien, toen uw achtste geboren werd; nog méér
en ik had uw eigen vroedvrouw kunnen zijn.

Acht paar gepoetste schoentjes op rij, bid voor ons,
valkuil vol achterhaalde sinterklazen, idem dito.

Ja Moeder, ik dank u, al voel ik mij soms zo
onzeker als een verkoopster, die zojuist makreeltjes
in olijfolie heeft zitten eten en, stinkend naar het leven,
vragen moet: “Kan ik u helpen, meneer?”

Frikadellen met noordkrieken, bid voor ons,
pioenrozen op het oude kerkhof, idem dito.

Ach Moeder, ik weet niet wat mij vandaag
het meest weemoedig stemt: uw gewijzigde
aanwezigheid in mijzelf, of de erfenis van uw
blijvende – o zo beklijvende – doodsmoedigheid.

Soepknook in de ziedende pot, bid voor ons, en
alle memento-mori-moeders ter wereld, idem dito.

Waft her, Angels, through the skies, far above yon azure plain!

FORÊTS PAISIBLES

Vredige Wouden,
geen enkel ijdel verlangen vertroebelt hier
onze harten, als ze er gevoelig voor zijn.
Fortuin, dat is hier niet de favoriete wens.

Grootsheid, kom ons nooit
je valse aantrekkingskracht aanbieden!
De hemel heeft die uitsluitend bedoeld
voor onschuld & voor vrede.

Laten wij blij zijn met onze toevluchtsoorden,
en genieten van deze rustgevende rijkdom.
Ach! Kan men gelukkig zijn
met een andere wens dan de deze.

Forêts paisiblesis een hoopvolle verzuchting uit Jean-Philippe Rameau’s ballet-opera ‘Les Indes Galantes’ (1735), een mengeling van exotisch gekleurde dansen, verrukkelijke koren, aria’s en ariettes. Les Indes Galantes (de hoffelijke Indiërs) stond toendertijd synoniem voor bewoners van elk denkbaar niet-Europees of exotisch land.

Het gezang van de ‘Vredige Wouden’ wordt vooraf gegaan door ‘Les Sauvages’, de dans van de vredespijp, uit de (Amerikaanse) wildernis. Rameau doelde met ‘les Sauvages’ op de vredespijp rokende Indianen.

Met muziek en dans wordt een schets gegeven van de ontmoeting van de Franse cultuur met wat men toen ‘wilden’ vond, of ‘Indes’: Turken, Inca’s, Perzen – exoten, anders gekleurd en anders in de liefde. Maar toch, rivaliteit, eer, jaloezie – het is ook bij hen niet anders.

(Info: Ben Frie SJ recentie, igniswebmagazine.nl) Hieronder de Concertversie van ‘Les Arts Florissants’ onder leiding van William Christie. Alsook een getransformeerde hedendaagse versie: hiphoppers die dansen op barokmuziek. En in ruil voor al die uitgesmeerde Trump-miserie in woord & beeld ook nog het alles overstijgende ‘Tendre Amour’, uit ditzelfde hartveroverende werk.

VICTORY?

Victorie kraaien: de overwinning op de duisternis, de triomf van het licht? Anno 2024 doet dat heden ten dage eerder denken aan een oude protserige haan, type Trump, boven op de mesthoop van de wereld. Dus niet als aankondiger van de nieuwe dageraad, want wie wakker genoeg is & goed luistert hoort hem eerder ‘Patriarchaat!’ schreeuwen, afgewisseld met beuzelpraat als ‘Weg met al wie mij tegenstaat!”

Hoe dan ook, er worden eieren gelegd bij de vleet, maar vaak hebben ze geen schalen en blijken ze dus niet levensvatbaar. Doch dat zal de kraaiende Trumphaan een zorg wezen: de taak der kippen is niet de zijne. Als attribuut van zijn eigen gepersonifieerde wellust hoeft hij alleen maar koning te kraaien, in god’s naam zelfs, naar eigen zeggen.

Maar in weerwil daarvan is de Trumphaan helaas ‘not a Good Luck Rooster’ want hoor hem maar schreeuwen: “Nog voor ik tweemaal zal hebben gekraaid, zal ik u reeds driemaal hebben verloochend!” Hij regeert de omgekeerde wereld, met zichzelf als de maat der dingen: waar zijn kop met hanenkam moest staan, bevindt zich zijn cloaca, en andersom. Maar het wervende filmpje hieronder slaat je hoe dan ook de bijl uit je handen, hetgeen er dan ook de bedoeling van is.

God keek neer op zijn geplande paradijs en zei:” Hier stinkt echt iets. Ik riek iemand die drie Egg McMuffins eet voor ontbijt, haat verspreid, de grondwet vernietigt en de democratie, vijf Big Macs eet als avondmaal. Vervolgens naar zijn Oval Office gaat en de boel daar doet stinken, terwijl hij uitsluitend naar Fox News kijkt.God smelled Trump.

“Ik riek iemand met stinkende oksels die andere wereldleiders doet kokhalzen, scherp genoeg om er zelfs een olifant mee om te leggen. Iemand die de hele planeet doet stinken en met een paar graden doet opwarmen. Komt ranzig thuis en slaat een fles Brut 33 achterover, zonder enig bijkomend effect. God smelled Trump.

God zei: “Ik riek iemand die elk gebod overtreedt, en daarvoor aanbeden wordt door zijn volgers. Iemand die de bedroefden bespot. Iemand die met z’n voeten in de drollen van dictators durft te trappen. Iemand die op wonderlijke wijze het geld van zijn meest fervente fans kan laten verdwijnen. Iemand die het verschil niet kent tussen respect voor de rechtstaat en het onderdompelen van zijn oranje kop in zijn eigen gouden wc.” God smelled Trump.

God rook iemand die tot op de bodem wil gaan om te winnen, en zelfs nog verder. Een put gravend voor zijn rotte leugens, de menigte achter zich meeslepend. God smelled Trump. En God zei: “Ik riek iemand met een schadelijke, weerzinwekkende, kwalijke stank. Die shit heb ik niet gemaakt. Lucifer, ben je de kattenbak weer vergeten? Jesus Christ.”

HET AARDSE TRUMPENDAL

Hij dus. Die loodzware bullebak. Die afstotelijk gemuteerde reuzenkraak met zijn meer dan vier meter lange armen vol zuignappen en z’n vlijmscherpe hoornachtige papegaaienbek. Een nachtmerrie die zichzelf heeft waargemaakt, als een niet meer weg te krijgen gedrocht op het dak van dat witte huis. De hele wereld zal naar hem gaan stinken. Blijkbaar naar rotte zoute drop, zoals alsnog is vastgesteld.

Maar wat een droeve ochtend, wat een ontmoedigende tekens aan de wand. Het woord is vrees geworden: dat prachtige begrip ‘helen’ is vannacht tot moes vermalen door de rotte tanden van de tijd. Al het goud van de wereld lijkt opeens niks meer waard, want te koop geschreeuwd voor een habbekrats, door ’s werelds grootste zwetser.

Het Trumpisme trekt z’n sporen. Tot in de woordenboeken. Tragisch wordt trumpisch, we pinken geen tranen meer weg, maar bittere trumpen. Treurigheid wordt vanaf nu dus volkomen terecht trumpigheid genoemd. Kortom: beland in het aardse trumpendal.

Met een wapen in de hand komt men door het ganse land? We halen niet meer de trekker over, maar de trumper. We lopen niet langer in de tred- maar in de trumpmolen. Een gevecht tegen de tijd & de rimpels? Trumpitur invidia: tegen de nijd & de trumpels, zul je bedoelen.

En beste kinderen, we spreken niet meer van een tra- maar van een trumpezium. Ook de trammelant die jullie altijd maken, dat heet in de nieuwe spelling voortaan: trumpelant. Let op, met een -t- wel te verstaan. En de varkens zoeken niet meer naar truffels, maar naar trumpels. Verder kun je in het ‘Trumpisch Rekenwoud’ zomaar met het blote oog eveneens de schaamteloze ‘Fallus Trumpudicus’ aantreffen, alsook de ‘Kleverige Donaldzwam’ & de ‘Oranje Trumpamaniet’: allemaal even giftig voor de mensheid. Leer ze dus best van buiten.

Veel werkwoorden zijn gewoon vervangen door het begrip ‘trumpen’. Zoals de sabel uit de schede trumpen, of zich de haren uit het hoofd. Ook zal het echte hout grotendeels vervangen worden door goedkope planken van ‘trumplex’, en laten we eerlijk zijn: de populaire maar levensgevaarlijke trumpoline zou best verboden worden. Stop the deal!

Trumpejaan klim die berg? Aftroggelen muteert tot aftrumpelen. Een troela, al dan niet opgedirkt, wordt een trumpa, en de zwaarste stormen ontwikkelen zich voortaan in de trumposfeer. Schrijlings wordt trumpelings op het paard met zijn vriend Vlad. En in plaats van trompen, hetgeen brullen betekent, zullen ook de olifanten voortaan trumpen, dat speelt sowieso korter op zowel de slurf als op de bal.

De enige hoop die ons nog rest in bange dagen & nachten: Trump z’n smeulende cognitieve achteruitgang als een pad in zijn eigen korf? Zelf zegt hij dat zijn warrige uitweidingen het kenmerk zijn van een levendige en verfijnde geest: “Ik noem dat het ‘weefsel’. Sommige mensen vinden het zo geniaal. Maar de slechte mensen zeggen: ‘Weet je, hij was aan het dwalen.’ Het was echter geen zwerftocht, er is geen sprake van geklets. Dit is het weefsel.” Alzo sprak Zarathoustra?

Maar kom. ‘Weefsel’ kan altijd gaan rafelen. Wie weet komt Dirthy Don vroeg of laat vast te zitten in het ‘harige weefsel’ van zijn eigen hoogmoed? Hoe dan ook, vertroosting zal altijd vertroosting blijven. Geen hond die daar aan twijfelt. En ook vertrouwen kan godzijdank nooit verwoord worden naar ‘vertrumpeling’. Maar Gerard Walschap had gelijk in zijn boek Tor: ‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.

TRUMP L’OEIL

Je zou kunnen zeggen: gezichtsbedrog. Het oog misleid. Gewoon een leeg zwart gat in-de-vorm-van. Die kringgespierde mond die eindelijk niet meer open kan gaan. Niet meer die vereelde stemknobbels over elkaar horen raspelen. Alsook nooit meer dat immer scheefvallende hoofd boven die wapperende handjes-draaien-van-koekebakkevlaaien.

Gewoon de schaar op scherp en knippen maar, tot er enkel nog een sjabloon overblijft waar kinderen koppen mee kunnen tekenen. Horentjes erop en het is weer den duvel, of den batman, of Reuzentong Pokémon Gengar. Maar zie, het hellevuur blijft sowieso branden.

De nobele & erudiete Luc Devoldere leerde mij een confronterend vinnig gedicht kennen: ‘Vieze druppel’ van Palladas van Alexandrië (vierde eeuw na Christus) in zijn boek ‘Lucifers bij de brand’.

Mens, gedenk wat je vader deed
toen hij je verwekte.
Dan zal je wel niet meer verwaand zijn.
Maar Plato heeft je
met zijn filosofische dromen opgeblazen.
‘Onsterfelijk hemels gewas’
noemde hij je.

Uit klei ben je gemaakt.
Waarom zo trots?
Zelfs zo ben je nog
te plechtig geboetseerd.

Wil je de waarheid horen?
Uit tuchtloze geilheid,
uit één vieze druppel
ben je geboren.

Maar kom, we roken nog eens een sigaartje? Nice try, but no cigar? Hoewel iedereen dankzij Freud misschien denkt dat elk min of meer langwerpig object een fallussymbool is en een diepere psychologische betekenis heeft: soms is een sigaar gewoon een sigaar.

Zo te zien een knéiter van een sigaar: een Cubaanse longfiller Bolivar Royal Corona? Staat alleszins garant voor een goede verbranding en een stevige askegel zonder groeven. Niet geschikt voor beginners!

Maar toch wel handig, zo’n hondje met een slim poepeke.

ALLER IJLIGEN

Sloegen hun ogen dicht,
op voor-altijd berekend?

Doch bij doorvallend licht
staat helder afgetekend:

hun zichtbaar watermerk,
hemels precisiewerk.

VEERKRACHT

Geen pluimen, nee, van dode vogels, ze waren, wist ik, in de rui. Zoals ook de vogels op hun beurt weten wie ik ben: Vrouw Granewit die hen, vanaf het ochtendgloren tot in nevel & schemer, naar beneden wenkt met onmachtige gebaren, om hen iedere keer opnieuw een ruisende regen van granen & gepelde zonnebloempitten aan te kondigen.

Het liefst zijn mij de ‘Tortelina’s’ zoals ik ze zelf noem: dat dansende neerdalen in de tuin van die tedere troep (15?) bleke prachtelingen. Hoe noemen ze zulke verrukkingen? Ik wil het niet benoemd weten, ik wil het laten voor wat het is: onbeschrijfelijk mooi. Maar niet alleen mijn geliefde tortels, ook houtduiven, kauwen, eksters, mussen & koolmezen. Ze maken een vlieghaven van onze tuin: de enige waar nooit wordt gestaakt, en waar ook ’s nachts niet wordt gevlogen?

Klein Pluimpje. Daar begon het mee, daar is mijn gouden schaal mee vol geraakt. Hoe prozaïsch hun beschrijving in het woordenboek ook mag wezen: ‘Elk der hoornachtige delen die het huidbekleedsel der vogels vormen‘, iedere gevonden veer wekt mijn be- en verwondering.

Bij deze laat ik graag de (poëtische) entomoloog Hay Wijnhoven even aan het woord, die zich geheel terecht afvraagt: ‘Ik stel me vaak voor hoe dat aanvoelt, al die veren, een dik pakket dode materie waarin de vogel schuilgaat. Tegelijk dringt de kleinste beweging, een zuchtje wind of een aanraking via de wortel van elke pen tot diep onder de huid door.’

Zo hoorde ik in een film eens een schoolmeisje iets voorlezen, te midden van het klastumult waarin haar woorden achteloos verloren gingen: ‘De vleugels van de vogels snijden als scherpe scharen de wolken in kleine stukjes…’ Bijna zoals op dit schilderij van Marc Eemans. En dan denk ik: awel mens, waarom krijgt gij dat zelf niet uit uw pen? Gij ziet dat toch ook elke morgen met eigen ogen gebeuren?

Geef ze een pluim en ze krijgen vleugels? Het omgekeerde zou dan eveneens kunnen gelden: geef ze vleugels en ze verliezen pluimen. Ook mijn innerlijke vogel is zwaar ‘in de knip’ geweest. En kwijt is kwijt, vervangen is er niet meer bij, de veervelden zijn voorgoed uitgedund. Ze kunnen zelfs niet meer dienen om op mijn eigen hoed te steken.

Het is dus hooguit nog schuilevinkje spelen, of pronken met andermans veren. ‘Vogel van waanzin in dit zenuwhuis/duikt in vervoering donkerheden binnen’, zegt Gerrit Achterberg daarover. Maar daar trekken de vogels in onze Taxusbomen zich weinig van aan. Elke verloren pluim zal weer feilloos vervangen worden. Dat vervult mij met ontzag, een woord dat ik helaas nog maar weinig hoor aangehaald.

Ook gevleugelde woorden verliezen weleens hun pluimen. Eveneens het oprapen & bewonderen waard, in de hoop dat ze alsnog weer gevleugeld geraken. Toch lijken sommige woorden hun rui nog maar moeilijk te doorstaan, zoals de schroomdons & de waarderings-pluimen, alsook de nuanceveders & de slagpennen van de waardigheid.

Zo vraag ik me ook af, of ik al ooit in levende lijve een leeuwerik in de lucht heb zien hangen? Eerlijk gezegd, ik kan het mij niet (meer) herinneren. Men zegt dat ze daar – hemelhoog & vroeg uit de veren -gaan bidden. Ik zou er graag een stijve nek voor krijgen, om dat nog eens te mogen zien. Er is goddank ook altijd nog Voltaren Forte.

Al voel ik mezelf alles behalve een hoogvlieger & quasi uitgezongen, mocht ik ooit een leeuwerik zijn – in een vroeger of een later leven – dan zou ik ook zo’n biddend stipje willen zijn in de lucht, ‘singing a hymn at Heaven’s gate’: ‘Heer, hier ben ik, hou u niet ver van mij!’

The lark in the clear air? Weliswaar ietwat àl te zoet gevooisd, maar de échte zingende leeuwerik in het begin klinkt des te veerkrachtiger..

BLADGOUD

Oktober heeft het weer helemaal waar gemaakt en als een go-between z’n edele opdracht vervuld: het goud is gedolven, de meimaand ‘maans’ weerspiegeld. Vonkende dagen die als steekvlammen uit het heelal kwamen geschoten. Een weerzien waar ik jaren lang hetzelfde liedje voor heb gezongen: ‘Ach broeder ‘k zie u weder, dat lenigt mijn verdriet’.

De zomer is uit de kast geplukt, de dunne jurken vervangen door de dikke. Het helle felle leek ineens meer iets voor lellebellen. Dus werden de zachte krachten weer bovengehaald, met al hun mededogen. Het lichtschuwe zielement liet begaan en gaf zelfs opluchting te verstaan.

Ondertussen is ook de Dag van de Vlaai alweer voorbij. Toch ruikt het huis nog altijd naar kaneel, zoals ook de tuin weer naar de bloeiende klimop. Om het strijklicht niet te vergeten, dat de fluweelbomen met bladgoud heeft belegd, zo vakkundig als vroeger ook mijn moeder heeft gedaan met het door mijn vader vervaardigde windhaantje, dat inmiddels al jaar & dag rondjes draait op de toren van Hoogstraten.

Oktober pronkt ook met de verjaardag van mijn eerste zusje, alias mijn eerste bedgenoot. Ik was altijd de lichtuitdoenster, zij de helse dichtsmijtster van mijn zorgvuldig open geslagen dekens, ten bate van mijn blinde sprong richting bed, maar o die koude bries, alsook elke keer weer haar ijzingwekkende schreeuw in het donker:”Den duvel!”

En zoals ieder jaar komt oktober ook mijn innerlijk behang weer fatsoeneren, en dat is nodig. Er zijn daar ook deze keer weer scherpe nagels overheen gegaan. Vooral het kleinste kamertje van mijn ziel moet dringend weer overschilderd worden, vol gekribbeld door het eigen ‘gemakzuchtige’ gemoed, in afwachting van wat je ‘verlossing’ zou kunnen noemen. Ook de ontstane innerlijke verruwing moet weer worden glad geschuurd. Het gaat pijn doen, Caillebotte, ik weet het.

Geboren in maart, gestorven in oktober? Ik vraag me dikwijls af welke datum er bij mijn geboortedag zal komen te staan, maar oktober krijgt mijn voorkeur. Al neemt die zachtmoedige gouddelver geen blad voor de mond in zijn oude dag: “Bomen, bijt op uw takken, en maak u klaar voor de naakte waarheid!” Zal oktober dat ooit met mij ook zo doen?

The rest is silence. Als een wandeling in de binnentuin. Vogelveren rapen & mezelf weer bijeen: het kreupel ‘oud’ van mijn zelfbehoud. Ondertussen hoort oktober zowel de boomkruinen als de mensen steeds luiderop denken: ‘Ik wil het laatste blad niet zijn dat valt…’

Alsook de laatste kus niet die zal worden gegeven? Of komt die misschien ook in de plantenpers terecht, hij moest maar zo rood niet zijn uitgevallen op die harde steen: samengeperste lippen zullen het worden? Ober, Ober, mag ik nog een laatste glaasje oktober alstublieft?

DE TAND DES TIJDS

De Tand des Tijds krijgt het zwaar te verduren. Aangetast door tandwolf & zuren is hij willens nillens een ‘smile stealer’ bij uitstek geworden. En zoals één rotte appel de hele mand bederft, zo werkt dat ook met de zwaar ontstoken Tand des Tijds: het ganse gebit van de Tijdsgeest begint er van weten.

Je hoeft er geen haai of een wolf voor te zijn, ook mensen kunnen hem in de mond hebben. En zoals er wordt gezegd: de tand des tijds is een knager, zo is dat ook duidelijk te zien aan de restanten van Hitler’s gebit, kunstmatig bijeen gehouden door enorme bruggen & kronen.

Die restanten, vier stukjes kaak & een enorme brug met kunsttanden, worden in Moskou bewaard in twee verschillende staatsarchieven. Ze liggen daar voorwaar niet te pronken. Wie weet worden ze heimelijk, put-in, alsnog in de mond genomen: bovennatuurlijke krachten liggen nu eenmaal niet voor het rapen.

De tanden van dode soldaten, door tandenrovers met tangen uit de mond getrokken. Vervolgens gekookt & bewerkt om er ivoren kunstgebitten mee te maken. Men sprak indertijd zelfs van een ‘Waterloo-gebit’. Inmiddels roepen Britse tandartsen op om de ‘taartcultuur’ op het kantoor een halt toe te roepen.

Arme Tand des Tijds. Geopperd wordt, dat hij er eigenlijk uit zou moeten, want rot tot in z’n diepste wortels. Echter, men vreest de gapende wonde, het niet te stelpen bloed, het stinkende gat dat mogelijk niet meer te dichten valt? Bovendien, zelfs de Tandenfee wil hem liever niet in haar collectie hebben.

Weldra worden ook de vampiertanden weer boven gehaald, en zal de behoedzame kus in de hals – de innigste van allemaal, ik beloof het u – weer een boertige beet worden, die van de hals een nek zal maken.

Zou het onderstaande verwarde gedicht van de wanhopige Tandenfee kunnen zijn? Een noodkreet, waar zowel de driedubbele Dikke van Dale als de vertaalmachines op het internet van begonnen te knarsetanden?

GOEDENTANDJES

(Letterlijk genoteerde vertalingen uit het Engels over tandaandoeningen op het internet)

Ik zou eens hebbende, dat ze hebben genoemd,
frequente snoep van suikeren been.
De etter maakt vloeiwegen van getrokken tand.
Zorg teen van u is gebogen. Twee teen per dag
ontmoeten tandpasta van fluoride.

Kunnen terugstaande lijkgoten teruggroeien?
Huis-remedies voor de behandeling van gezwollen granaten
en mondwater voor een terugkijkende gomaline.
En kijk, daar is de Covid-tong-en mondingszoener weer,
in de loop van de laaglijn uit overvolle tanden.

In de mondholte verzamelen zich kleuren
van senaatssoorten virussen en schimmels
op de vloer van de mond. Het kan helpen het glazuur
van de winkelwagen van uw tanden te versterken
tegen zuur en slachtige bacterieën.

De wasser is op de gaten
en het invult een onverstand.

I
Ach, ik ga er mijn tanden niet op stukbijten, voor je het weet
heb je alleen nog maar tandvlees & een tong.

IK ONTHOU

Dankzij ons weerzien
werd – punt aan de lijn –
mijn ijzeren plots weer
een gouden gordijn.

Of hoe ik mijn dank
woordenschattig herschep:
te blijven verwoorden
hoe lief ik u heb.

Uw Woordhoudster.

DE MANTEL DER LIEFDE?

En weer kwam Gerrit Achterberg mij vanochtend vertellen: ‘Door de kieren van de morgendeuren steken speren ijskoud licht!’

En hoewel letter per letter daarvoor gewaarschuwd en dus op mijn hoede, liep er plots toch weer bloed uit mijn ogen. En ja hoor, het kroop weer met veel moeite waar het niet kon gaan: richting mond, een beetje zoals ook bij Trump, toen hij beschoten werd. En hoewel goed-kijken-of-je-zag-het-niet-eens: het trok niettemin z’n sporen.

Het werd meteen een beetje melig koud in mijn hart. Ook zonder dat rasperige liedje van Frank Boeijen: blootgewoeld & onderkoeld.

Echter, mijn ooit zo warme mantel der liefde is inmiddels al zo oud als de straat, dus die moet eerst nog hersteld worden, vooraleer hij z’n beschuttend werk weer kan doen.

Ik heb zo’n zelfgebreide. Een beetje het model zoals hierboven op dat schilderij van Jetty Bindels. Alleen maar rechtse steken, zodat ik er niet teveel bij moest nadenken? Ingeslopen breifouten hebben er gaten in gemaakt, en men beweert zelfs dat hij stinkt.

Bijgevolg durf ik er ternauwernood nog de straat mee op. Het is een gedrocht geworden, dat zie ik in de winkelruiten. Alsof ik er van alles onder heb zitten, dat zich nauwelijks nog laat raden. Wat sleep ik toch allemaal mee? Wat zit daar in godsnaam onder gefoefeld.

Dus allesbehalve in fluweel gemanteld. Ik ben dan ook de Moeder Gods niet, met haar breed uitgeslagen Allemansmantel. Ik ben de eigen mantel zelfs uitgeveegd voor mijn zogenaamde op pek-en-veren-gelijkende miskoop, en voor het durven dragen daarvan.


Kon ik dat mooie lied van Huub Oosterhuis nog maar eens onbekommerd de kerkgewelven in jagen, doch mijn stem is al lang geen vogel meer, hooguit nog een dode gevederde vondeling
.

Toch fluister ik Achterberg nog altijd achterna: Moge. Ik zingen vinden.’ En ja, misschien ook een nieuwe mantel? Of zouden die der liefde inmiddels uit de mode zijn. Anyhow, you can call me old fashion.

FELIX FELICIS

Vettige Teen, de visser met zijn vermiljoen gezicht, zijn witte stoppelbaard en zijn wimperloze oogskens? ‘Hij heeft het zilveren Onze Lieve Vrouwenbeeld gestolen uit het blauw glazen kapelleke der Begijnhofstraat. Och, ’t was zo rap gegaan, ’t lag in zijn armen zonder dat hij ’t wist, alsof het erin gesprongen was.

De scherp geribde Kruislievenheer, en de zwart gekapmantelde vrouwen die zwart op de witte sneeuw gingen? Rikuske de koster met zijn kiekenkop waarop één pluim haar waaide, en Snoekevet, de krantenhandelaar? Dat Maangetijgerde en gespikkelde bos, of die labberlotten Sint-Medardregen…?

Dat moét wel Felix Timmermans zijn. Zelfs zonder Pallieter of Begijntjen Symforosa te vernoemen: nomen est omen. Hij die blijkbaar als geen ander met kleurrijke woorden het geluk van zijn voornaam in elkaar wist te timmeren ‘tot de morgen weer aan zijn licht geraakte, zoekend en tastend in de witte nevels naar zon en waterspiegels.’

Ik kreeg de bundel ‘Minneke Poes en ander proza’ mee naar huis van een vriend, die het zelf pas met veel plezier had herlezen: ‘Voor in de trein…’ Het bleek een oud bibliotheek-boek dat in de verkoop was gegaan: Erven Felix Timmermans, 1986, eerste druk bij Manteau, met die typische illustraties van hemzelf.

Helaas, voor bibliotheekgebruik met stevige touwen in de rug gegrepen, dus weerbarstig. Maar wie zou niet zwichten & oplichten bij het openbreken ervan, om er vervolgens meteen in vogelvlucht overheen te scheren: ‘Vredig slenteren witte wolken, dik van geluk door de zondagmorgen, aan de vertelselblauwe lucht. Een distelvink tikt gaatjes in de stilte. En op het glanzend vlies van ’t diepe water ligt de hemel genietend op zijn rug…’

Na de mis, ’t is kleine kermis, gaat de processie uit. De nonnekens zingen een musfijn latijn, en de wierook walmt als een maneschijn door de dreven. De zon speelt in de galon en in de katonet, en als de nonnekens zwijgen, ruist de fanfare los, breed en hard dat de hoge bomen er van singelen. Doch van verder-op, door de zon en de dennenaalden gefiltreerd, wordt het land als met een muziekhand bestreeld.’ (katonet? ik kom er niet achter..)

De muziek van de fanfare, die uiteindelijk blij de staminees van de omtrek opzoekt, ligt als een dons over het horizontale landschap. Al uren lang verwittigt de stroomtram vanuit de verte dat hij op komst is. Eerst als het westen zijn gouden kazuivel aantrekt, komt hij als een kwade hond, van achter de omdraai, ledig aangedaverd. Geliefden verdwijnen in donkere wegen, en in d’ene of d’andere zweetherberg, waar een harmonica zeurt. Men voelt het, ’t wordt hier goed en schoon.’

En inderdaad, het werd meteen niet uit te leggen goed en schoon in mijn gecharmeerd gemoed. Alsof ik via een soort tijdscapsule terug terecht was gekomen in de tijd-van-toen, los van de zwaartekracht der huidige dagen. Niet om er te blijven, echter wel om er mijn oude ziel even mee tegemoet te komen, als troost voor al ’t verloren gewaande.

Ondertussen staat ‘De Fé’ verbronst te mijmeren onder de treurwilg op het Felix Timmermansplein in Lier: ‘De mijmering over een ding is sterker dan het ding’. Doch hoe levendig & fel op de foto hieronder, met zijn zoon Gommaar. En hoe geliefd..

Felix Felicis, het geluk van de gelukkige? Als een gouden toverdrank, zoals in de Harry Potterboeken: het giet de drinker vol tijdelijk geluk.

En wat inmiddels met die vijftig-beste-boeken-lijst, dat ons-kent-ons-gedoe? Ik zou zeggen: breek mij de bek niet open, blijf van mijn lever, weg met die trechter. Ik zie hem sowieso dag & nacht glinsteren, op zoek naar mijn strot, als ware ik een hottentot.