De vredesduif heeft het moeilijk. Hoe onuitputtelijk & vernuftig ook haar vliegvermogen, het luchtruim blijkt op bepaalde plaatsen niet meer levensvatbaar te doorkruisen.
En dan rest alleen nog, als ultieme hoop, een duifje van papier in de handen van een kind, te midden van een immense menigte vuurzuchtige zwavelkopppen?
Het dreigende vuur in de verte, de bezorgde blik van het jongetje dat vertwijfeld naar de lucht kijkt en de witte weerloosheid van het duifje: ook de papieren vrede verkeert in groot gevaar.
Het betreft hier Cartoons van de Poolse grafische kunstenaar Pawel Kuckzynsky. ‘Zijn illustratieve stijl staat in schril contrast met de grimmige onderwerpen, en verzacht alzo de beleving van de toeschouwer.’
In 2011 was er een tentoonstelling in Brussel van zijn inmiddels wereldbefaamde en bekroonde grafisch werk, ter ere van de toetreding van Polen tot de Europese Unie.
Zoals men ook in bredere lijn kan vaststellen mag Polen oprecht fier zijn op het verheven werk van zijn grafische kunstenaars. Moge ze nog lang onbevreesd aan het werk kunnen blijven, in hun oorlogs-nabije land.
De Maranta? Noem hem liever bij z’n zinneprikkelende naam: de Tien-geboden-plant. Dan wil je toch meteen weten waarom? Omdat men ging vinden, dat de bladeren deden denken aan die beruchte stenen tafelen van Mozes met de tien geboden daarop?
Maar in de volksmond spreekt men meestal van de ‘gebedsplant’ en dan wordt het pas helemaal een fascinerende bedoening, waar ik elke avond toch zo vertederd om moet lachen: omdat hij dan telkens zijn magische bladeren als een bende bidden handen ten hemel richt.
Denkt de gebedsplant misschien: God’s molens draaien langzaam, dus laat ons bidden, elke nacht opnieuw, vooruit dan maar? Of zou God even vertederd om ons moeten lachen en zich afvragen waarom de mensen soms toch zo’n onbegrijpelijke dingen doen.
Doch als de werkelijkheid ophoudt de verbeelding te tarten, is er voor alles een uitleg, maar die doet in dit geval geen afbreuk aan het wonderlijk gebeuren: als de bladeren omhoog staan, kunnen de regendruppels de grond bereiken, ten bate van de wortels dus.
Bovendien blijven ze dan niet op de bladeren liggen, waardoor bacteriën vrij spel zouden krijgen. En dat weten die gebedsplanten allemaal uit hun eigen, ontsproten aan het tropisch regenwoud, en ingefluisterd door de bomen die zich over hen ontfermen.
Ze hebben daar geen bijeengesprokkeld Ai-overzicht voor nodig, en al staan ze niet meer in het regenwoud, ze houden er blijkbaar rekening mee dat het mogelijk zou kunnen lekken in de veranda: ze lijken wel hun heilige voorzienigheid zelve.
Hoe dan ook, ik zie het elke avond met verwondering aan.
Reset the world, dat blijkt veel moeilijker dan gedacht. Ai lijkt ons te willen troosten als een nieuw soort godheid, die de wereld voor ons wil herscheppen tot een weergaloze belevenis, maar begrijpt ons uiteindelijk verre van ten binnenste, verre van wat dat is: een mens.
Echter, begrijpen wij onszelf dan zoveel beter? Zoals ook Alice in Wonderland zich afvraagt: ‘Who am I? Ah, that’s the great puzlle..’
Of Paul Claes in ‘Het hart van de schorpioen’: ‘De verboden wereld staat in alle encyclopedieën die zijn vader koopt. Zijn geheime wens: alles weten. Wat hij niet weten wil, weet hij al: het geslacht van de mens.’
Maar in de zijlijn, tartend onze verbeelding, is die ‘artificial intelligence in Art’ sowieso mooi meegenomen? Om even te ontsnappen dan toch, als in een zweefvlucht, hoog boven de beschadigde werkelijkheid. Gelukkig is er ook nog een wezenlijkheid die door niets valt te overtreffen. Ai weet dat wel te benoemen in het ‘Ai-overzicht’ maar daar blijft het bij.
Ja, leve de ‘festive spirit’ van de mens. Dat doet me weer denken aan dat fascinerend boek van Tjeu van den Berk (2005) met die mysterieuze titel: ‘Het numineuze’. En wat een openbaring, ik verwierf daarmee een totaal nieuw innerlijk behang, dat nog steeds stand houdt. Het numineuze, ‘als een bevestigend knikje van een goddelijk hoofd’.
Op de achterflap staat te lezen: ‘Er zijn ervaringen die ter plekke zin geven aan het bestaan. Ze verwijzen niet naar iets anders, vragen niet om geloof, maar zijn er gewoon. ‘Moments of being’: ze zijn niet het product van ons verstand of van onze wil, ze zijn gratuit. Een vogelgeluid kan de aanleiding zijn, het opsnuiven van een geur, het horen van een melodie of de aanblik van een stuk natuur. De kern van deze ervaringen, vol van verrukkelijke huiver, is irrationeel van aard en slechts gevoelsmatig te vatten.
Om het unieke ervan te beklemtonen, vond de theoloog Rudolf Otto er in 1917 een nieuw woord voor uit: numineus, dat wat onuitsprekelijk totaal anders is. Uit bijna alle verslagen blijkt dat ze tot de meest fundamentele ervaringen van een mensenleven behoren.’
de volle maan boven eigen tuin
Ai heeft geen enkele notie van gewaarwordingen, maar dat hoeft ook niet. Hebben wij daarvoor niet die -door niets te vervangen- ziel meegekregen? Zo niet, dan toch immer daarnaar op zoek? Moge dat alleszins een besef blijven waar niet, ook niet door Ai, aan te tornen valt.
Vannacht in bed nog eens dat dikke boek ‘Heel de Natuur’ van Koos van Zomeren op mijn borst gezet en erin, als op hol, aan ’t lezen geslagen. De opkrullende papieren kaft er al gauw af gegooid als een nutteloos doekje voor het bloeden. Vervolgens had ik een koninklijk groen linnen boek in handen. Helemaal zoals het moest zijn: met voelbare vezels.
Hij weet er echt alles van, Koos van Zomeren. Van zowel de laaiende woorden als het knetteren van de letteren, in het door hem zelf aangestoken vuur. Echt alles, zoals trouwens ook van heel de natuur. Behalve de vogels? Nee, die kregen van hem een apart geboekstaafd soort wolkenkoekoeksheim, getiteld: ‘Alle vogels’.
Allebei monumentale uitgaven, te dik voor in bed, te mooi voor in bad. Gedrukt op wat je zou kunnen noemen: bijbel- of woordenboekenpapier. Fijn, glad & toch sterk, voorzien op veelvuldig gebruik. De schutbladen zijn terecht van goud, zoals eveneens ook het niet te versmaden lint.
Koos van Zomeren dus, met zijn ‘superieur waarnemingsvermogen, en zijn ‘als ironie vermomde & soms aan de oppervlakte tredende felheid.’ Terecht bekroond met de Jan Wolkers Oeuvreprijs en de Prins Bernard Cultuurfonds Prijs, en zo nog een aantal. In de editie van de dikke Van Dale, gepubliceerd in 1999, behoorde hij tot de meest aangehaalde nog levende auteurs. Maar hier dus ‘heel de natuur’: noem maar iets op, en hij gaat er met zijn gelief-Koos-de beschrijving dwars doorheen.
Weemoedige uren in het bos, de paardenkastanjebloedingsziekte, een beest van bijna onbeschofte omvang, een hyena zonder onderkaak, ijsvelden langs het strand, eekhoorntjes in mensenhand, condities voor schoonheid, het werk van regenwormen, vijf maal vlier, op & om de Duivelsberg, wat bomen doen in het donker. De lelievijver, de huilheuvel, de koe-kundige, de mensheid aan het ziekbed van de aarde…
Wat zei u daar ook alweer, Koos van Zomeren? ‘Ze zouden me niet zoveel met mezelf alleen moeten laten’? Wie u lief heeft, zal u sowieso volgen, zij het wellicht meestal in uitgesteld relais. Maar ja, in die meer dan zestig verschillende boeken van u: Koosje, loop toch niet zo snel!
IK LAAT HET REGENEN
Verzamelaar van water bevrachter van de wolken bedenker van de wind ik laat het regenen. Ik weet van de bomen waar ze staan en hoe ze daar hun takken houden de groeven in hun bast. Ik weet van velden waar ze liggen de hoogte van het graan de bloem van pinksterbloem de haren van de vos en ik ken de vorm van kraaien in hun vlucht. Ik val om alles wat zich sluit ik kom in alles wat zich opent en een pannetje op zolder tik tik tik, in elke tik zit ik.
Et voilà. Precies halverwege trokken mijn hangende oogleden hun blaffeturen plots nog eens helemaal op: voor die 21 onverwachte verzen uit ‘Ik heet Welkom’. Er tussen gestoken als verdoken numineuze ‘knikjes van een goddelijk hoofd dat zijn bekrachtiging aangeeft’. Ze ontroerden mij op onverwachte wijze.
IK HOED DE BERGEN
Doe wel aan onze bergen – dit zei mijn vader op zijn ziekbed. Ze dragen zo gelaten sneeuw en ijs en edelweiss. Ze staan zo eenzaam op het land zo duister in het schijnsel van de maan, zo stil onder het rollen van de donder; ze weten maar zo weinig van zichzelf.
Dus neem ik sinds zijn dood van tijd tot tijd een berg op schoot. Ik leg mijn handen op zijn rug ik aai zijn flanken en ik spreek hem zachtjes toe. Dan voel je diep van binnen hoe een berg begint te spinnen.
Daar kan ik als verstokte rijmliefhebber nog wat van opsteken: die verdoezeling, dat zoveel subtielere prijsgeven ervan. Intussen, waarde Koos van Zomeren, heb ik uw overweldigend boek zorgvuldig terug te wachten gelegd naast mijn bed, voor het hopelijk zich-nog-dikwijls-openende later. En met uw beloftevolle aanwezigheid als een te aaien berg op mijn schoot.Met alle aankleef van dien..
IK DOE DE RUIMTE
Ik help je in je jas ik open deuren, ik denk in diepte, ik doe de ruimte om je heen. In mij ben je geboren. Je groeit in mij je ziet en hoort in mij je ademt uit in mij. Vinnen, vleugels, handen, liefde alles wat beweegt beweegt in mij. Je jaagt in mij en wordt in mij bejaagd. Want ik ben alles om je heen.
Je doet je eigen leven, je doet je eigen dood de rest doe ik, voor iedereen en ieder dier een jas gemaakt van angst en hoop en hunkering.
Inderdaad, dat is wat u zo trefzeker heeft gedaan: voor iedereen en ieder dier een jas gemaakt van angst en hoop en hunkering. Ik doe hem nooit meer uit, hij past als gegoten. The rest is silence? Ik steek mijn mond terug vol tanden, echter niet zonder eerst nog gepreveld te hebben: ‘Dank u wel alstublieft, Koos van Zomeren’.
Video van Jan Hendrik Fennema, uit een reeks van 22 videos met teksten van Koos van Zomeren. Ter info: ze blijken automatisch in elkaar over te vloeien als één geheel, hetgeen in dit geval niet echt de bedoeling was. Niettemin allemaal even mooi, dat wel.
De prachtige hierbij gekozen muziek van Debbie Wiseman komt uit de soundtrack van de film ‘Wilde’, onder de al even prachtige titel ‘Who has dared to hurt you’, een zin uit Oscar Wilde’s ‘De zelfzuchtige reus’.
Dat zal een tijdreis moeten worden. Terug naar de hippie-jaren, die rond 1969 op hun hoogtepunt waren, hoewel toen nog enigszins ver van mijn bed & mijn binnenste.
Maar mijn liefde voor Westerns & Country Music vond reeds eerder zijn oorsprong: in de Bessy-stripboeken uit mijn jeugd, waarin de blauwogige Andy Cayoon samen met Bessy de gevaren van het Wilde westen hielp te trotseren.
Net zoals in die Country Song van Merle Haggard ‘Okie from Muskogee’ paste het daarin geschetste beeld perfect bij het eveneens toen nog kleine dorp waar ik woonde, en bij het gezagsgetrouwe leven dat ik toen leefde.
Maar ook: die man, die stem, die beat, dat erotisch klinkende Amerikaans, het vloeide als smeerolie tussen de raderen van mijn toen nog haperend brein. Kortom: ik viel er voor in katzwijm, en nog steeds.
De song kwam op nummer 1 in de hitlijsten en won een CMA Award in 1970. Haggard zei dat hij het nummer aanvankelijk schreef tegen de hippie cultuur in Amerika.
Er werd wiet gerookt en LSD, vlaggen verbrand en geprotesteerd tegen de oorlog in Vietnam. Terwijl men, zo vond hij, zelf een vrijgevochten leven leidde. Hij wilde de soldaten steunen met zijn song.
Daar kwam hij later echter heel wat genuanceerder op terug. Hij gaf toe dat zijn opvattingen over die Vietnam-protesten anders waren toen hij het lied schreef. ‘Ik ben het later gaan zingen met een andere intentie…’
Maar dan: zoveel jaren later, déze uitvoering, déze twee doorleefde mannen, zo zichzelf als men zichzelf maar kan zijn. Wat een zinderende herbeleving. Wat een aura, wat een ogentroost voor die van mijzelf.
Je hoeft dus niet per se jong te zijn (of nog in leven..) voor zulk een onweerstaanbaar sex-appeal, als dat van deze twee: the biggest trill of all. I love it, I’m a freak-fan.
We don’t smoke marijuana in Muskogee, we don’t take our trips on LSD, we don’t burn our draft cards down on Main Street, we like living right and being free.
We don’t make no party out of lovin’, but we like holding hands and pitching woo. We don’t let our hair grow long and shaggy, like the hippies out in SanFrancisco do.
And I’m proud to be an Okie from Muskogee, a place where even squares can have a ball. We still wave Old Glory down at the Courthouse, and white lightnin’ s still the biggest tril of all.
Leather boots are still in style for manly footwear, beads an Roman sandals won’t be seen. And Football’s stil the roughest thing on campus, and the kids here still respect the college dean.
Merle Haggard was een van de meest invloedrijke figuren uit de Amerikaanse countrywereld in het tweede deel van de vorige eeuw.Tijdens zijn zestigjarige carrière schreef hij een veertigtal nummer-één-hits in de country charts bij elkaar.
In 1977 werd hij al opgenomen in de Nashville Songwriters Hall of Fame, en zeventien jaar later viel die eer hem opnieuw te beurt in de Country Music Hall of Fame. Hij stierf, 79 geworden, op zijn eigen verjaardag, 4 april in 2016.
Got the news this morning, it would be a tough day: someone’s so much larger than life, can’t believe he could pass away. When it comes to country music he’s the world, and it wouldn’t be all it is, without Merle.
And he won’t ever be gone, his songs live on. A fugitive and a brand new man, Mama tried to understand. Left us a lifetime of songs, and he won’t ever be gone. We were friends right from the start.
And we shared some high times, I would sing some songs he wrote, and he would sing a few of my own. Music made us brothers ‘til the end. Not a day goes by that I don’t miss him.
And he won’t ever be gone, his songs live on, ramblin’ fever and the way I am. Blue collar blues for the working man, we’ll be singing him back home from now on.
Wat een aangrijpende affiche, van de Zwitserse kunstenaar Hans Erni. Ik heb er minuten lang naar zitten staren, ze greep mij enorm bij de eigen keel. Bang geworden van de gedachte alleen al aan het woord: de hakbijl.
En hoe actueel nog steeds. Het gejank van de kettingzagen gaat door merg & been. Zelfs de Boom van Kennis (!) van Koen & Kwaad weet niet meer waarheen te wroeten met z’n gekromde worteltenen.
Negen op de tien aanvragen voor ontbossing krijgen groen licht. Het doet inderdaad denken aan die marteltechniek in het Oude China: dood door duizend sneden. ‘De wolken worden in ’t Westen hoe langer hoe dikker, daar is zeker iets, dat ik niet noemen zal, aan de knikker!’ zou De Schoolmeester zeggen.
En jawel, in de nabijheid van bomen begin ik altijd vanzelf luidop met hen te praten. Mijn ontzag voor hen is enorm, dus mijn ziel prevelt bovenal ook Gerrit Achterberg achterna: ‘Ik ben te klein om naar u op te zien, gij kunt me niet tussen de korrels vinden, uw ogen staren hoog over mij heen. Gij zijt te wijd, ik ben te dicht opeen.’
Ik ben een citerend, alsook een mijzelf eindeloos herhalend mens, dat tot de vaststelling komt: ik weet niets van alles, en/of ook andersom.
Zodoende herhaal ik, bij deze, mijn eigen verzuchting
ALLEEN AL DE BOMEN
Ter sprake, alsook reeds ter zake gekomen, de eeuwige eindigheid van het bestaan. Hoezeer ook de zeerte, alleen al de bomen, ze vangen de vogels, de wind & de maan.
Ze troosten het trieste van wat is geweten: dat mensen veel eerder verdorren dan zij. De bomen, ze zien ons hen zien, maar ze weten, één ding is zeker, ook dàt gaat voorbij.
Al worden wij ooit achterovergeslagen, al komt er een eind aan ons zijn & ons zien: de bomen vertragen, de bomen verdagen zoals wij hen zagen, voor nog lang nadien.
What’s it like to be a tree? Let’s see: you just grow, very slow, don’t you know so very slow no one can see, ‘cause you’re a tree.
What’s it like to be a tree? Let’s see: you don’t worry, never hurry, never do things in a flurry, you’re as peaceful and calm as can be.
‘O Vader, zeg mij waarom de zon niet valt?’ liet Multatuli een zoon aan zijn vader vragen in zijn ‘vierde geschiedenis van gezag’. Omdat de vader in het verhaal zich schaamde het antwoord niet te kennen, strafte hij daarvoor zijn zoon, op levenslang beïnvloedende wijze.
Maar o, dan te spreken over onze eigen vader! Hem weer kromgebogen te zien zitten, met een horlogeloep voor zijn rechteroog, boven het getik van de tijd. Immer met een luisterend oor & een nooit ontbrekend antwoord. Inmiddels echter, midden in de zomer, reeds voor de achtste keer opnieuw gestorven, met zijn blik op oneindig, maar rond een tafel vol herinneringen door ons weer tot leven gelachen.
Hoe hij op een morgen aan de zorgverpleegster, die hem naar de badkamer riep, vroeg: “Moet dat nu echt élke morgen..?” -“Jaja, da moet, daar ben ik voor gekomen, hé..” Waarop vader, zich met enige tegenzin ophijsend aan zijn rollator, repliceerde: “Allez, dan zal ik mij onderweg nog maar wat vuil maken, hé..”
Of zoals vader op ’t eind van zijn leven zich realiseerde: ‘Ge kunt niets meenemen,ge moet het allemaal achterlaten..’ Hij vond dat een moeilijke gedachte, ik heb ze van hem geërfd.
En dan mijn hooghartige bedenking: dat met mijn eigen dood ook al mijn innige gedachten aan hem zullen verdwijnen. Dat hij dan geen oudste dochter meer zal hebben om nog aan hem te denken, zoals ik dat – hem uitermate liefhebbend – een leven lang zal hebben gedaan. Evenzeer wat ook ons moeder betreft. Hun geliefde afsplitsingen zullen hen één voor één ontvallen, tot ze uiteindelijk door niemand nog ‘mijn vader & mijn moeder’ zullen worden genoemd.
Hoewel de Eeuwige Tijd eender wie kan laten geboren worden of doen sterven, en zelfs rozen kan baren: stilgevallen klokken & horloges zijn hem een voortdurende doorn in het geestesoog. Daarentegen, mijn vader wist daar alles van. Hij kon de stilgevallen tijd telkens in een mum van tijd weer herstellen. Hij kreeg er 98 levensjaren voor.
Ondertussen blijft het wachten op de tijd waarvoor de tijd nog niet gekomen is? In het verleden ligt het heden, in het nu wat komen zal? Volgens Aristoteles is tijd ‘de maatstaf voor verandering’, volgens de filosoof Ernst Bloch ‘het principe van de hoop’. Behoudensgezind kies ik voor het laatste. Vervolgens het o zo blije vers van Bert Schierbeek:
maar we zouden niet vergeten dat we hebben gelachen, gelachen hebben we veel en dat zal ik niet vergeten want we hebben gelachen en veel hè? en dat zullen we nooit vergeten omdat we zoveel gelachen hebben en dat niet vergeten gvd wat hebben we gelachen en niet en nooit vergeten dat we zo hebben gelachen omdat we samen waren en zoveel gelachen hebben dat we het nooit zullen vergeten
‘De dichter voedt de poëzie’, 1952, Oost-Indische inkt, waterverf op papier, Collectie Stedelijk Museum Amsterdam.
GROETEN UIT HET HART VAN DE TIJD
Stille spraak-loze dingen, botsende woorden, overrompelende beeldspraak? Uitwaaierende verzen, onvrede met de burgerlijke orde, duivels, engelen, geestesverschijningen, angstige koppen? ‘Wie wil stralen, moet branden’ heeft hij gezegd. ‘Met zon treedt veel in het licht. Een kunstwerk moet een prisma zijn, het moet van alles weerspiegelen.’
Maar dit is misschien toch wel het ultieme bewijs: ‘Alles van waarde is weerloos en wordt van aanraakbaarheid rijk.’
Dat moet de keizer van de Vijftigers zijn, alsook de mede-oprichter van de Cobra-groep: Lucebert, uit te spreken als ‘Loetsjebert’, naar het Latijnse luce=licht. ‘Schoonheid treft de mens met het besef een broodkruimel te zijn op de rok van het universum.’
Dichter, schilder, maltentige losbol, woelgeest, moerasruiter van het paradijs, en zoals zijn dichterlijke naam aangeeft: een ‘lichtdelver, maar ook, een oplichter‘ in beide betekenissen van het woord. Soms zelfs met een even zonsverduisterende vleugelsslag als de mythologische reuzenvogel Roc.
`
Maar lees hieronder vooral de prachtige ‘Brief aan Lucebert’, door Koen Vergeer, uit zijn brievenboek ‘Heelal van papier’ gepubliceerd in Neerlandistiek, het online tijdschrift voor taal en letterkunde.
Dat ‘blijf verwonderd’ laat weer van zich horen, er brandt weer licht in mijn ivoren toren: weer een subliem zusje, dat jarig is, weer dat verlangen naar gelijkenis.
Woorden die zeggen: schrijf op, bloedverwant, schrijf en gebruik uw gelukkige hand: maak haar tot een palindroom van een vrouw, een ‘levensnevel’ verdampende dauw.
Ik is een ander? O nee, dat is zij, haar ziel is nobeler dan die van mij. Spiegel im spiegel, ach taalzuiveraar, ontzie mijn woorden, ze aanbidden haar.
Gij zijt verdwenen, zoete vijgen? En ook de kaneelwijn is op? In de zetel gelegen: dus niet gedanst, niet jong genoeg meer voor de daad & de durf? Pluimen verliezen, daar weet mijn innerlijke tortel aardig van mee te koeren. De veervelden zijn uitgedund, het is dus hooguit nog pronken met andermans veren.
‘Vrienden zouden alleen degenen mogen heten, die ontdekken hoeveel jaren er voor hen in het verschiet liggen en ze dan onder elkaar verdelen. Maar de vreemdmaker loopt tussen de mensen en duwt ze uit elkaar. Gods hartslag in ons: de angst. Een god die de mensen niet geschapen, maar gevonden heeft. Een god, zo minuscuul dat hij ieder schepsel binnenglipt’.
Aldus Elias Canetti. Winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur in 1981, en schrijver van het in mijn schoot verkleefde ‘Boek tegen de dood.’ ‘Wat belachelijk dat men wil worden lief gehad en ‘zichzelf kent’.
Niettemin, geliefde genaamde, uw blik op mijn woorden maakt ze inktblauw, maakt zelfs woorden van de vlekken. Uw geest zweeft er overheen, als een teken: ‘Er zij licht!’
Maar o, het nostalgisch verlangen van de fluisterende ziel: zoals het woord ‘ooit’ gevangen zit in het dichtgenaaide woord ‘nooit’.
Plots die uiteenspattende wolk van pluimpjes, alsof het sneeuwde. Een kortstondige verwondering, die echter op slag veranderde in hartverlammende afschuw.
Een klamper dus, die zich out of the blue tegen 100 km per uur op een parmantig rondwandelend tortelduifje wierp, op nauwelijks een paar meter van ons vandaan.
Plotser bestaat niet. Ging ook meteen genadeloos rukkend aan het werk. Ronduit niet om aan te zien. Ik heb mij de rest van de dag en de daarop volgende nacht eindeloos afgevraagd: te laat voor welk ingrijpen dan ook? Waar bleef mijn hartverscheurende schreeuw? Te laf om er naar toe te schieten, omdat er bezoek was? Met mijn groot lomp lijf dat kleine weerloze torteltje niet weten te beschermen: shame were is thy blush?
De schrijnende resten gingen mij door merg & been: alleen nog het kopje op een bedje van donsveertjes. Met even nog een helder open oogje, alsof het mij nog een laatste keer wou aankijken, zoals het dat zo dikwijls had gedaan. Maar toen kwam er ineens een vliesje over alsof het zeggen wou: schluss damit.
Ik heb Torteltje’s kopje met beloftevolle woorden toevertrouwd aan de bloeiende hortensia’s, waarlangs het voorheen zo dikwijls naar mij toe kwam gewandeld. De rollen zijn nu dus omgekeerd. Alleen, ik wandel er niet langs, ik blijf er bij stilstaan.
Die uitgerukte veertjes. De aanblik ervan joeg het kind in mij naar buiten om te doen wat ik dus heb gedaan: ze terug bijeen geraapt & opnieuw herschikt. Wellicht zal alleen god weten & begrijpen waarom.
Er werd zogenaamd ‘gefeest’ gisteren. Onder het motto: als je jezelf niet kittelt, dan lach je nooit. Dat resulteerde helaas enkel tot de pijnlijke vraag: waar is der vaderen fierheid heen?
Moest dàt de reflectie zijn van Vlaanderen’s betekenisevolutie: dat opgefokte flierefluitersfeest op de Grote Markt in Antwerpen? Die sterrenparade van kromme liedjesteksten? Brabo, die op zijn eenzame hoogte zin leek te krijgen om die bronzen reuzenhand met een slingerworp de stad in te gooien?
De vleierijen op de Navo-top richting Trump stelden plots niets meer voor. Het geslijm richting podium hing gisteren in zware slierten boven wat er van Vlaanderen nog over bleef: onwaarachtigheid & een gekweeld, veelal amechtig taalgebruik. Ook het begeleidende orkest verdiende beter.
Voor goudzoekers, maaglijders & kribbebijters viel er alleszins niet veel te rapen, mijn gedacht. Figuurlijk bekeken alleszins weinig ‘gulden sporen’ te bespeuren. Leve Zjef Vanuytsel in het Land van Ooit.
Van vliegen gesproken: je moet er wel een hemelhoge vlucht voor nemen om er te geraken, in die door de vogels gebouwde luchtstad ‘Wolkenckuckucksheim’ zoals beschreven door de Griekse dichter Aristophanes in zijn komedie ‘De Vogels’. Het thema daarvan lijkt actueler dan ooit: ‘Macht en desillusie, op zoek naar een utopische samenleving’.
Voor wie vleugels heeft staat de hoogte open? Geen vogel die er de vleugels voor laat hangen. Maar ook al wordt er beweerd: het is beter eens in de hemel, dan zeven keer aan de deur, men kan niet met kousen en schoenen in de hemel komen.
Dat kan dus alleen maar ‘auf flügeln des Gesanges’. Wie eine Berührung der Seele.
Of zoals Achterberg zou zeggen: ‘En de ziel, het helle zeil, als een vogel over mij. Hemelsnede. Heil.‘