Blaas, winden! Scheur zijn wangen, loei en blaas! Wolkbreuken en orkanen, spuit, tot elke toren verdrinkt, met haan en al verzuipt! Jij zwavelvuur, zo snel als de gedachte, heraut van donderslag die eiken klieft, schroei zijn wit hoofd! En jij, al-schokkend onweer, sla plat de dikke rondheid van zijn wereld!
Wat een beklijvende film, gisterenavond op Canvas. Dat joeg me daarna, ondanks de reeds begonnen nacht, nog even naar mijn computer om er alsnog wat meer over te vernemen. En vooral dan over die fascinerende 90-jarige hoofdrolspeler Harry Dean Stanton. Hij blijkt ‘een icoon van de Amerikaanse cinema te zijn, met die fantastische karakteristieke kop vol groeven’, zo kwam ik al gauw over hem te weten, zeer tot mijn genoegen & welbevinden.
“Lucky” volgt de spirituele reis van een nukkige, 90 jarige, kettingrokende atheïst. Iedereen kent Lucky in het zonovergoten stadje in Arizona. Veel gebeurt er niet vandaag, en morgen waarschijnlijk ook niet. Hij heeft een rigide levensritme: bed uit, sigaret, yoga, sigaret, aankleden, laarzen aan, hoed op, de deur uit. Lucky keuvelt en kibbelt met zijn dorpsgenoten en toevallige passanten (onder wie David Lynch, die zijn schildpad is verloren). Ondertussen moet hij vrede maken met het idee dat ook zijn leven eindig is. “Lucky” is een liefdesbrief aan het leven en een meditatie over eindigheid, spiritualiteit en menselijke verbinding. Bovendien is de film een ode aan de carrière van de fantastische cult- en karakteracteur Harry Dean Stanton. (Bron: Filmvandaag/Magnolia pictures).
De acteur speelt het negentigjarige titelpersonage prachtig, of het nu in cowboyhoed is of alleen in zijn onderbroek. Lucky is voornamelijk de show van Harry Dean Stanton, en een waardig afscheid van de acteur, helaas een jaar nadien gestorven op zijn 91ste.
Lucky is een oorlogsveteraan die tijdens de Tweede Wereldoorlog in de marine dienst deed, zo blijkt uit een gesprek in de film, als hij een andere veteraan spreekt. Dit gedeelte uit Lucky’s levensgeschiedenis lijkt geïnspireerd op dat van Harry Dean Stanton zelf, die ook in de marine zat tijdens de Tweede Wereldoorlog. Details over de oorlog waarin beide veteranen vochten lijken zo uit het leven gegrepen, wat Stantons acteerwerk extra cachet en realisme geeft. Dit is niet slechts een acteur die een rol speelt als een man die terugkijkt op een lang leven op het moment dat de dood dichter en dichterbij lijkt te komen, Stanton beleefde die situatie op dat moment ook echt.(bron: filmtotaal.nl)
Inderdaad, een film die ik niet licht zal vergeten. Ik werd meteen moeiteloos verliefd op deze prachtige negentigjarige. Wat had ik hem graag daadwerkelijk willen omarmen.
Terwijl ik bezig was dit op te schrijven, vloog er plots een tortelduifje tegen mijn raam, met een knallend geluid alsof er een kogel op mij werd afgevuurd, die echter uiteenspatte als een vuurwerk van witrozige pluimpjes. Ik heb het machteloos & adembenemend aanschouwd, zowel met de moed der wanhoop als met de acceptatie ervan, precies zoals ik ook gisterenavond naar de film ‘Lucky’ heb bekeken: ten diepste aangegrepen.
Gedichten schrijven: van aanzien alleszins een zeer aantrekkelijk & handzaam boekje. Meenemen? Echter, niet zonder een zweem van schaamte, want hoe overjaars kun je zijn geworden voor zulk een titel? Ik prees mij gelukkig, dat je in de bib tegenwoordig zonder menselijke tussenkomst boeken kan ontlenen. Zonder gêne, voor wie of wat dan ook.
De omslagillustratie van Ien van Laanen sprak meteen boekdelen: dansbenen op hoge spitzen met vlijmscherpe pennenpunten, op een gelijnde vloer van schrijfpapier. Ga er maar aan staan om die -al dan niet splijtende- pennen in de juiste inkt gedoopt te krijgen. De tenen van mijn gedachtlijke ‘zielepoten’ gingen er meteen van bloeden.
Toch was het mij vooral te doen om de ondertitel ervan: ‘De regels van het vrije vers’. Die inmiddels dominant geworden versvorm dus, die mij vaker niét dan wél weet te bekoren. Vrije verzen lijken in mijn ogen vaak gevierendeelde stukjes proza, alsof de kat ermee aan ’t dollen is geweest. Doch dat -door mij maniëristisch bevonden- gegoochel met enjambementen drukt mij alleen maar met de neus op mijn ‘ouderwetsigheid’?
Niettemin dankuwel, dichter, publicist & uitgever Chrétien Breukers, want wat een boeiende info omtrent ‘Het dichterschap dat zich afspeelt in een omgeving die een kruising is tussen slangenkuil en muizenberg.‘ Of over ‘De godgelijke dichter – en andere misverstanden.‘ Incluis dat begrijpelijk gemopper van Kees Fens over ‘dat autobiografisch geschrijf van het weblog, alias dat elektronische openbaar toilet’. Overigens met dank ook voor die door u aangehaalde inblazing van K.Michel: “Zit niet zo te kutviolen.“
Eigenlijk hou ik wel van dat werkwoord ‘kutviolen’, ook al blijkt het ‘prutsen’ te betekenen. Ik vind het verlossend klinken: gepruts kan zeer heilzaam zijn. En al ben ik dan geen dichter, ik voel mij niettemin een zorgvuldige woordzoeker. Ik wil ze gelukkig maken door ze een klankgezel te bezorgen, en roei daarvoor met eigen rijmen naar nergens & overal. Gepaard, gekruist, alternerend, slepend of omarmend: ik trek altijd mijn rijmschoenen aan, wanneer ik de Firma Van Dale daartoe een bezoekje breng.
Wie haar pen wel weet te roeren, kan haar rijmrok dubbel voeren?Een dating-site voor woorden verschilt in wezen niet zoveel van die voor mensen: ook in woorden klopt een hart, ook woorden hebben op tijd & stond nood aan nekkusjes & koffie-dates.
Woorden mogen dan wel camelions zijn, met eveneens gespierde tongen, draaiende oogjes & felle wisselende kleuren, je wil ze toch liefst in goeden doen houden. Ik steek ze in een caleidoscoop, hou ze naar het licht & laat ze dansen, op zoek naar de kick van een zinderende click. Ze worden er sowieso vrolijk van, want in hun dagelijks leven zijn ze vaak onderhevig aan heel wat touwgetrek.
Zonder ‘kunstwaarde’ en bij wijlen niet eens vies van een onhandige poging tot rijmprostitutie rijm ik alles uit de weg, van wat ik hier liever niet zeg. Een woordzoeker dus. Zoals ik ooit even hartstochtelijk naar kleine gepolijste riviersteentje heb gezocht onder een staalblauwe lucht die ik alleen maar weerspiegeld in het water heb gezien.
Zo loop ik ook altijd te zoeken naar overeenkomstige klankexemplaren in de glinsterende woordenrivier. Daarmee thuisgekomen doe ik mijn doorzichtige rijmjurk aan en geef mij binnenskamers over aan een zorgeloze woordendans. Vrij van regels & onmachtige verzen. Meer dan rijmschoots genoeg aan die onaanraakbare vaststelling van Stephan Vanfleteren, een stralende zonnezuil gelijk: “Grijs, dat is zilver met stof op.”
Zij onbenult & klappervrouwt haar oogst uit koude grond? De wulpse woorden weten er hangt stroop aan onze mond?
Geen tien voor taal of taal voor tien, geen kreet: Ei!-Ruimt-de-baan! ‘Zij spreekt’ fluistert het suikerriet, ‘geducht de rijmfles aan.’
Van Dale honoreert goddank het nut van wisselstroom: een goedgekozen rijm valt op als vogellijm in een boom.
De adelaar van de dakgoot? De thuisblijver, alias de tegenpool van de trekvogel?
Sowieso sluw, taai en intelligent. Met verhoudingsgewijze grote hersenen in dat kleine mussenkopje, en daardoor begiftigd met een geniaal aanpassingsvermogen en een trukendoos vol slimmigheden.
Laat zich door weinig nieuwigheden uit het veld slaan, integendeel zelfs, Mus wordt er juist door geprikkeld. Volgens Einstein is ‘de maatstaf voor intelligentie het vermogen tot verandering’. Mus wordt dus terecht ‘Meester van de aanpassing’ genoemd.
Vreemd voedsel? Eeuwig licht? Constant lawaai? Verkeersrisico’s? Mus weet het allemaal naar zijn bek te zetten in een vleugelomdraai, als wijdst verspreide vogel ter wereld, met ‘ooit’ een totale populatie van ongeveer 540 miljoen exemplaren.
v
Weegt amper 35 vederlichte grammetjes, maar kan een snelheid halen van 40 km per uur, aan 13 vleugelslagen per seconde. Echter, ondanks deze vaardigheden kent het mussenvolk in de grote steden een terugloop van 90 %, vooral door te weinig levensruimte. Sinds 2002 dan ook beschouwd als ernstig bedreigd.
Slechts de helft van de jonkies overleeft het eerste half jaar door toedoen van katten, uilen, meeuwen, reigers alsook alle kraaiachtigen. Of het verkeer zo te zien. Bovendien werden Mussen in het verleden soms als een plaag beschouwd door de mens, en kreeg men zelfs 2 cent per gedode vogel.
Mus zou een symbool zijn van hitsige wulpsheid, en gezien worden als een favoriet van de duivel. Hippend door het leven als een zakloper, omdat hij de stervende Christus z’n lijden niet wilde verlichten, zoals het Roodborstje dat wél heeft gedaan? Ach, de mens & zijn zichzelf reflecterende verhalen..
Inmiddels weten we hopelijk wel beter? Mus rijmt niet voor niks op Egidius, waer bestu bleven? Zoals ook op ‘raere perenius: duurzamer dan staal. En last but not least rijmt Mus ook op Sysifus: broeden & nog eens broeden, tegen de hel op.
Maar gelukkig wacht Mus een hoopvollere tijd, want verkozen tot ‘Vogel van het Jaar’. Zal weer een warm nest vinden van gevleugelde woorden, en zal van Vondel weer vrijpostig mogen neerstrijken op ’t hagelwit van Suzanne Bartelotti’s ‘borsjes alle beide’.
Het vrolijke gekwetter van Mus zal ons plots weer zoveel mooier in de oren klinken dan dat totaal overbodige woordgetjielp van de dichter Jan Hanlo. Mus mag zich weer overgeven ‘aan liefde’s duistere en onverzadigbare eetlust’ tussen de dorre bladeren van William Carlos Williams.
Zelfs de glanzende eksters & de roezerozige Tortels dienen dit jaar hun kroon naar de Mus te werpen, als zal deze niet weten hoe dat onding op het daartoe totaal ongeschikte kopje te houden.
Cornelis Guillaume van Beverloo / Corneille
Doch ook zonder kroon zal Mus dit jaar de uitgeroepen koning der gevleugelden zijn. Aldus een kus voor de Mus, vol ‘gemus’ & verlangen naar schoonheid & naar ogentroost.
Als je niet wilt dat de tijd voorbijgaat (en dat wil je toch niet?) dan moet je aardig zijn voor de tijd: je moet vragen wat hij wenst, je moet je luiste stoel naar hem toeschuiven, je moet hem een kopje thee aanbieden en zoveel honing voor hem neerzetten als hij ooit maar op kan (maar je moet er wel op letten dat je wat overlaat voor mij, als ik straks langskom) en je moet zorgen dat de zon schijnt en dat de lijster zingt en dat de geur van zoete beukennoten rondwaart (zo heet dat) en als hij dan toch nog voorbijgaat?
Dan moet je voor hem gaan staan en roepen: Ho! Wacht even! en dan moet je hem strelen – eerst de seconden, dan de minuten en de uren, en dan de dagen en de maanden en de jaren, zachtjes strelen – misschien gaat hij dan nooit voorbij (maar zeker is dat niet). Wacht anders tot ik er ben. Tot straks.
Niet meer voor rede vatbaar? De rede, alias het denkvermogen van de mens, weet zich geen raad, en zucht: ‘Ik vind geen weerklank meer, men is niet meer vatbaar voor mij, en dat doet pijn..’
In de filosofie is de rede van hogere orde dan het verstand. Vooral Emmanuel Kant heeft een scherpe beschrijving gegeven van de rede: ‘Het vermogen om de zintuiglijke werkelijkheid te overstijgen en daar niet meer afhankelijk van te zijn. Het geestelijk vermogen van de mens dat zich richt op de diepere samenhang van de dingen & de gebeurtenissen.’
Durf te denken: de rede weet daar alles van, sinds Kant dat de mensheid heeft toegeschreeuwd. Maar als de bij geen rozen vindt, dan moet ze op de doornen zitten? Heeft Kant ook niet gezegd: ‘Van het kromme hout der mensheid kan niks worden getimmerd dat helemaal recht is’?
En dan is daar ook nog die vaststellinbg van ‘Le Grand Corneille’ dat de rede & de liefde gezworen vijanden zouden zijn. Ook dàt nog. De rede voelt zich tekort geschoten en snakt zuchtend naar een letter meer: ‘De V van vinden moet mij helpen..’
En die spreekt meteen Picasso achterna: Ik zoek niet, ik vind! In elk geval niet die vijandelijke V’s van vernieling & venijn. Die spuwen je alleen maar op je vestje. Ook niet de V van vijf voor twaalf, of van vinger-in-de-pap, en die V van vis, die mag je ook vergeten, daar moet teveel boter bij.
De V van vuur, waaruit je als een feniks kunt herrijzen? Maar daar wordt dan weer mee gespuwd, zowel door mensen als door vulkanen, en dat wil je niet aan je schenen krijgen..
De V van vlinder misschien? Maar nee, die komt wellicht recht uit een verliefde buik gefladderd, dus dat belooft niet veel goeds, evenmin als de V van vraagteken of die van volksmond, want die poetst zijn tanden niet al te best.
Maar er zijn natuurlijk ook dure, vonkende V’s in de aanbieding, zoals die van vader of van vriend, maar daar valt niet tussen de kiezen, die zijn immers aan elkaar gelijk.
Dus ik stel voor: de V van vogel! Wiekend op de wind, getekend door een kind. Met de V van vogel wordt je vanzelf een gevleugeld woord. Genaamd: de lieve v-rede.
Beste kerstmishaters, wees de decemberliefhebbers alstublieft wat genadiger. Het is trouwens alweer bijna voorbij.
Of gewoon last van een verlaagd stemmingsgevoel in de winter? Vanaf overmorgen gaan de dagen alweer lengen met een haneschreeuw!
Een liedje van gemis & verlangen, voor al wie in november is blijven hangen?
Omdat december -het mag worden gezegd- zich als een zere vinger op hun wonden legt?
Al valt er misschien toch wel, zonder limieten, van deze magische treinreis te genieten?
November Ultra is een Franse singer-songwriter, genomineerd in de categorie ‘Révélation Féminine’ voor de Franse Awardshow ‘Les Victoires de la Musique’. En waarvan gezegd wordt ‘dat ze een stem heeft die de wereld kan redden’.
Nu de Dikke van Dale hopeloos uiteen wordt gerafeld in de redactiekantoren, op zoek naar godvergeten woorden & onvoorstelbare gebeurtenissen, waardoor de nachten vervolgens hun donkere schaduwen als grauwsluiers over het gemoed werpen, wat een verademing om dan in de bibliotheek plots deze titel te lezen: HIJ DICHT ZO LICHT 3 ons gedichten van Kees Stip, afgewogen door Dick Welsink.
‘Het hapt zo heerlijk weg, die luchtige versjes over dieren, die kostelijke stijlparodieën, die krokante sonetten en al die verrukkelijke andere gedichten. Pas op, je zou je lelijk kunnen verslikken. Onder die bedrieglijke zachte korstjes zitten vaak harde en scherpe stukjes, als steentjes in krentenbollen, waar je je tanden stuk op kunt bijten...’
En op de achterflap, Herman de Coninck in De Morgen: ‘Ik ben Kees Stip dankbaar dat hij zoveel taalplezier voor ons en onze kindskinderen bij elkaar heeft geschreven.’
Op een plant
Geholpen door zijn zuster Ciska vond een hibiscus zijn hibisca.
Op de eendagsvlieg
“Ach” sprak een eendagsvlieg te doorn “hoe heerlijk is het ochtendgloren en hoe verrukkelijk het uur waarop het laaiend zonnevuur verstild ter kimme wordt gedreven! Men moest twee dagen kunnen leven.”
Goedemorgen
Het goedemorgen en het goedenavond is in ons lieve land niet van de lucht. En dat je middag daarbij ook geducht goed dient te zijn werkt werkelijk beschavend.
Je merkt het pas wanneer je met een zucht door buitenlandse brutigheid gehavend aan Hollandse begroetingslust je lavend weer naar het oude nest toe komt gevlucht.
Niet om er eer mee in te willen leggen, maar o wat zijn wij vriendelijk, wij zeggen de hele dag elkander goedendag. Ik zag er een die in het water lag. Terwijl hij op het punt stond te verdwijnen stak hij zijn hand nog op, en ik de mijne.
Mijn angsthaas
Neem alle angsten waar ik uit besta, voorzie ze van wat zenuwen en zenen: ze zijn meteen uit het gezicht verdwenen, zo’n snelle angsthaas houd ik er op na.
Al is het dan uiteindelijk die ene rechtstreekse doodsangst waar ik van verga, bij elke potenroffel die ik sla neemt elke poot afzonderlijk de benen.
Angst voor de dood blijft mij als razend drijven. Mijn leven is een levenslange angst. Maar ben ik door mijn angsten op zijn bangst dat ik hem niet meer voor zal kunnen blijven, wees dan maar zeker dat ik schop of schiet. Zo’n bange angsthaas is mijn angsthaas niet.
Op de vissen
De vissen hebben stil verdriet. Ze huilen nooit, het helpt ze niet. Aquaria zijn oceanen van ongeschreide vissentranen.
De eekhoorn
Schoksgewijs dalend langs de dennestam door ’t vallen van de schilfers van tevoren nog voor je hem te zien kreeg al te horen – wat dacht je dat daar naar beneden kwam?
Een beest dat, van zijn staart tot aan zijn oren roodgloeiend als een ruigbehaarde vlam de noten in zijn kinderhandjes nam. Wat hij begroef was niet meer op te sporen.
Staarten van eekhoorns zijn zo fraai behaard doordat er geen venijn zit in hun staart. Bij moralisten met hun malle wetten zit het zelfs in de staarten van sonetten: Te vaak te vroeg begraaft een mens een schat waarvan hij later wou dat hij hem had.
Chorus mysticus
Louter vergeestelijkt valt niet te leven. Wat bij geen beesten lukt lukt ons maar even.
Jeuk onbeschrijfelijk vreet aan ons vel. Liefde is lijfelijk hemel en hel.
‘Twintig jaar na zijn dood weet de bedeesde Kees Stip nog altijd dichters te inspireren‘ lees ik in het Dagblad van het Noorden.
Puntgaaf, de nieuwste bloemlezing van Kees Stip, samengesteld door Ivo de Wijs, bijgestaan door Jaap Bakker.
‘Kees kon goed leven van zijn literaire activiteiten. Net als Drs. P (piano) was hij als mandolinespeler heel muzikaal. Die muzikaliteit komt ook tot uitdrukking in zijn gedichten. Altijd een perfect metrum, spelend met klemtonen en nooit een lettergreep teveel. Een erudiet man – opgeleid als classicus. Immer keurig in pak, hoffelijk, complimenteus, zeer geestig en gastvrij. Maar geen sociale mensenvriend. Met vrouw Katja en zijn schurftige hond Molly leefde hij zeer geïsoleerd in de Groningse ‘middle of nowhere’. Heerlijk volgens hem want ‘hier hoefde je alleen de postbode te zien’. Meer had Kees niet nodig. Toen Katja overleed, werd-ie erg somber van aard, verrommelde zijn huishouden en verscheen er nauwelijks meer iets op papier.‘
Geschreven voor het Theater van de Natuur, een kunstproject in Sellingen, en gegraveerd in de eerste trede van de dichterstrap aldaar. Sindsdien is elk jaar een gedicht toegevoegd.
Maandagavond. Elke week opnieuw. En inderdaad, de maan staat dan sowieso -al dan niet zichtbaar- aan de hemel, maar daar staat prozaïsch tegenover: dat het huisvuil moet worden buitengezet met zijn confronterende inhoud. Dus telkens opnieuw er weer even tegenaan.
Gelukkig heeft de stad voor goudkleurige zakken gekozen. Het hadden er ook vuilnissige bruine kunnen zijn. Ze klaarmaken voor de straat is niet echt een pretje te noemen, maar dat het vuilnis weg kan & dat het zal worden opgehaald door mannen die ik wel zou kunnen kussen daarvoor, dat zet mij toch altijd enigszins met een lofzang aan het werk.
Bij voorkeur ’s nachts. Als de televisionele heisa is uitgezet, nadat de laatste ongewilde flarden ideale wereld weer eens te meer aan schelle blabla ten onder zijn gegaan. Evenals de soms ondraaglijke lichtheid van het winteruur: bibliotheken vol schoonheid & troost: maar kijk, maar hoor. Nee, dan wacht ik liever op een andere afsluiting van de dag.
Zeker op de maandagavond. Als de waan van de dag is overgelopen naar de maan van de nacht, maak ik mij klaar voor dat -zij het ultrakorte!- numineuze moment van de week: de afvalzakken buiten zetten in de roerloze stilte van de verlaten stad. Ik maak er een sluwe slow motion van.
Want wat een bevrijdend gebeuren, wat een tevredenheid. Alsof ik een ster ben gaan plukken. Mijn plan van actie zo welwillend uitgesteld, om even die glimp van de eeuwigheid te mogen zien & voelen. Het maakt er telkens opnieuw ‘un moment suprême’ van, een korreltje alles, waarvan akte.
26 november. Honderd jaar geleden, anno 1923. In gedachten zie ik ons moeder geboren worden, onder de blije roep: “Het is een meisje!”
Dus toen al met een piepklein baarmoedertje in dat rillende lijfje, waarmee zij later acht kinderen ter wereld zal weten te brengen.
Zij, die ik toen al zo graag in mijn armen had willen nemen. Om haar te koesteren, om haar gerust te stellen, om haar aan mijn hart te drukken.
Vandaag dus, 100 jaar geleden de geboorte van ons klein moedertje in spe. Maar hoe koud het in de wereld soms ook was, zij is 74 jaar lang één & al warmte geweest.
Moeder, waarom leven wij? Het antwoord was er altijd al voor de vraag. En zoals ook mijn eigen kind mij later zou vragen: als ik oud ben, word jij dan mijn kindje?