Al strooiden de paasklokken dit jaar vooral windeieren
en aprilse grillen in het rond, laat de haan maar kraaien,
laat de wind maar waaien, Pasen haalde sowieso weer
mooie woorden uit de mond van de ochtendstond.
Want ‘wedergeboorte’, wat een pasen-lijk woord,
en wat een jubelende betekenis: opstaan uit de dood.
Is dat niet waar wij allemaal van dromen, geprangd tussen
vroeger & heden, tussen de zachte krachten & de wrede?
Echter, wij mensen kunnen ons hoogstens ontdoen
van ‘dode cellen’. Niet alleen wat betreft huid & haren,
maar ook aangaande ons schilferig gemoed. Een ander soort
verrijzenis zit er voor ons niet in, ondanks mitsen & maren.
Al zou je er wel van dromen, voor al wie door geweld
is omgekomen. Dat ook zij vandaag hun graf mochten
verlaten, als een terechte ‘wiedergutmachung‘ voor
al wat hen niet mis-te-verstaan is aangedaan.
En hebben die astronouten op weg naar de maan dan
die doornenkroon niet gezien rondom onze bloedende
Aarde, zoals die ook door God’s zoon is uitgezweet,
als een hemeltergende hartekreet?
Hopelijk krijgen wij op deze verheven dag allemaal
een nieuw ei gelegd in ons innerlijk nest, en komt daar iets
uit tevoorschijn dat het bebroeden waard was: in ieder geval
iets dat rijmt op ‘sui generis’ of op ‘Spiegel der Behoudenis’?


