Ik heb het inderdaad ooit gedaan: iemand’s naam met mijn eigen bloed op papier gezet. Enigszins voorbij de schreef, zeg maar. En zonder enige verdere vorm van vergelijking: zoals ook de dichter P.C.Hooft zijn brief aan Heleonora met zijn eigen bloed ondertekende.
Nadat ik mij – toch wel, per ongeluk! – breedvoerig in mijn vinger had gesneden, dacht ik meteen aan bloedinkt, alsook aan de naam waar ik mij toen geen raad mee wist. Met bloed geschreven, dat benadert de gemoedstoestand van een schreeuw. De intensiteit ten top gedreven.
Onuitwisbaar wanhopig vastgelegd op de eerste bladzijde van een klein boekje, dat verder leeg is gebleven. Maar als ik het toch nog eens tegenkom, prevel ik:‘Ik zal u nooit vergeten, geheiligd zij uw naam.’
Het voelde aan als een gedurfde daad. Er zat een lichte trilling van schaamte op, als ware het een perverse bezegeling die nooit meer ongedaan kon worden gemaakt. Gestold op papier kreeg hij de bruinrode kleur van bister, en werd hij een goed bewaard geheim, met alle koestering van dien. Gewaarborgd tot in mijn eindig vuur.
‘Ik heb u bij de naam geroepen’, zou Ida Gerhardt zeggen?
Wat Ida Gerhardt betreft: hier twee kostbare kleinoden uit haar verzameld werk. Geen halve letter teveel, elk woord ervan staat er met de voeten vooruit: zing, huil, bid, lach, werk en bewonder, maar niet zonder mij. Voor degenen met de snel vergeten namen?
Autogram.
Handtekening, ik zet u neer: weerhaak en kerf, penkras van eer.
In tegenweer – zwaard tegen zwaard, aard tegen aard – werd gij gewet. Doorgrond mij, Heer, als ik signeer:
ik heb gezet.
De afwijzing
Ik schrijf u met de ravenveer, Mijnheer. Mijn eer uw eer uw hart mijn hart heeft niets gemeen. Ik schrijf u met de ravenveer. Ik schrijf u met het ravenzwart het teken: neen.
Dit is pas écht voor de eeuwigheid geschreven: namelijk met ‘writers blood’. En daar zit ik dan, met mijn cocktailprikker & mijn pathetische druppel bloed. Al hoeft dat geen afbreuk te doen aan die door mij met bloedinkt geschreven naam. Want die staat er: als een wonderlijk item.
Moge de wind en de golven onze verlangens gunstig gezind zijn…
Dit is er helaas niet meer bij: dat ruisende vliegen, dat wuivende spreiden van de vleugels. Want weer de zoveelste brutale dood van een Tortelduifje. Al die uitgerukte veertjes, wat een akelige ontdekking. Boezemgefladder, het dringt ook mijn hart telkens weer binnen als een ongenadige sperwerklauw. Alweer twee oogjes minder om door aangekeken te worden. Je zou van minder grauwe staar krijgen.
En wat een contradictio in terminis: dat ik het duifje te eten heb gegeven, en daardoor dus ook z’n dood heb bewerkstelligd. Zo onnoemelijk ongerijmd en zo onmetelijk ver van het bedoelde: in de hoop het torteltje een quasi onduifelijk lang leven te bezorgen. Maar nee: mede door mijn schuld, dit plotse ophouden van een levenswonder.
Zoals dat aangrijpende ‘Korreltje niks’ van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker, zo’n soort korreltjes heb ik blijkbaar dus ook gestrooid, ze lagen niettemin meteen te blinken in de zon. Doch vervolgens de dood die dacht: daar wil ik straks ook mijn deel van hebben? Zowel die vrouw, als dat duifje als de sperwer zullen mijn gewillige dienaars zijn?
Het slaat mij telkens weer met verstomming, hoe klein het verschil kan zijn tussen leven en dood. Hoe dikwijls heb ik mij al niet afgevraagd: zou er wereldwijd niet meer leed zijn dan vreugde op deze planeet met zijn harde wetten? En dat wij bovendien vaak nog het bangst moeten zijn voor onze eigen soortgenoten?
Soms zou ik de 50.000 woorden die ik zogezegd kan onthouden allemaal tegelijk ten hemel willen schreien. Maar de Tijd maant mij aan om te zwijgen: omdat er kop noch staart aan is te krijgen? De Tijd, die geeft en neemt, die zelf hart noch ogenlicht heeft, maar ons niettemin tot wijsheid probeert aan te sporen? The rest is silence, laten wij elkaar niet willens nillens in de weg zitten.
Ik dacht ervoor wakker te blijven, maar ach, helder denkende maan, het viel helaas niet te beschrijven, mijn woorden zijn teloor gegaan.
Zij wisten hun te stramme nekken, - te vol van zichzelf bovendien - niet genoeg achterover te strekken, om uw eenzame hoogte te zien.
Doch plots, in die schaamtelijke stilte, klonk krijsend, als was het een meeuw, - verdwaald, onderkoeld door de kilte - het ijzingwekkende woord 'schreeuw'.
Ze zijn niet aan banden te leggen, maar geven u, maan, te verstaan, dat zij u niet durven te zeggen: 'Wij kunnen uw volheid niet aan.'