TO BE OR NOT TO BE A BUMBLEBEE

Ik ben al dagen lang een hommelkoningin.
Brutaal door een harde borstel bijeen geveegd,
en er behoorlijk gehavend onderuit gekomen.

Mijn rechter voorpoot nam een
onbedwingbare wuifhouding aan, heftig trillend
van laat ik het toch maar pijn noemen.

De vegende vrouw boog zich meteen jammerend
over mij heen, maar veel hulp ging daar niet van uit.
Tot ze terug kwam met een pot honing.

Eén druppel daarvan op haar hand
veranderde in een gouden beekje, waaruit ze mij
te drinken gaf als ware het de Lethebron.

Zo dronk ik mij de vergetelheid in om
niet meer te weten dat het vliegen mij ontnomen
was, want ook mijn vleugels bleken geraakt.

De vegende vrouw heeft nog drie dagen lang
mijn gekruip door de tuin opgevolgd om mij telkens
weer in de zon te zetten. Tot ze mij niet meer vond..

Maar kijk, ik ben er nog. Verder laat ik
noodgedwongen in het midden hoe het mij verder
zal vergaan, in de luwte van het ongewetene.

Doch zelfs al kroop ik alleen nog maar rond
alsof, en is vliegen er niet meer bij, de honingvrouw
denkt toch maar mooi ‘nog-altijd-aan-mij!’