Dit is er helaas niet meer bij: dat ruisende vliegen, dat wuivende spreiden van de vleugels. Want weer de zoveelste brutale dood van een Tortelduifje. Al die uitgerukte veertjes, wat een akelige ontdekking. Boezemgefladder, het dringt ook mijn hart telkens weer binnen als een ongenadige sperwerklauw. Alweer twee oogjes minder om door aangekeken te worden. Je zou van minder grauwe staar krijgen.
En wat een contradictio in terminis: dat ik het duifje te eten heb gegeven, en daardoor dus ook z’n dood heb bewerkstelligd. Zo onnoemelijk ongerijmd en zo onmetelijk ver van het bedoelde: in de hoop het torteltje een quasi onduifelijk lang leven te bezorgen. Maar nee: mede door mijn schuld, dit plotse ophouden van een levenswonder.
Zoals dat aangrijpende ‘Korreltje niks’ van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker, zo’n soort korreltjes heb ik blijkbaar dus ook gestrooid, ze lagen niettemin meteen te blinken in de zon. Doch vervolgens de dood die dacht: daar wil ik straks ook mijn deel van hebben? Zowel die vrouw, als dat duifje als de sperwer zullen mijn gewillige dienaars zijn?
Het slaat mij telkens weer met verstomming, hoe klein het verschil kan zijn tussen leven en dood. Hoe dikwijls heb ik mij al niet afgevraagd: zou er wereldwijd niet meer leed zijn dan vreugde op deze planeet met zijn harde wetten? En dat wij bovendien vaak nog het bangst moeten zijn voor onze eigen soortgenoten?
Soms zou ik de 50.000 woorden die ik zogezegd kan onthouden allemaal tegelijk ten hemel willen schreien. Maar de Tijd maant mij aan om te zwijgen: omdat er kop noch staart aan is te krijgen? De Tijd, die geeft en neemt, die zelf hart noch ogenlicht heeft, maar ons niettemin tot wijsheid probeert aan te sporen? The rest is silence, laten wij elkaar niet willens nillens in de weg zitten.
