LIED VOL AARZELINGEN

Laat nu de engelen zingen:
“Dit kind blijft ongedeerd!”
Of hebben de hemelingen,
zich van ons afgekeerd?

Zij laten zich niet dwingen,
verbaasd, verbouwereerd:
“Ach, dwaze stervelingen,
geen kind blijft onbezeerd!”

Zijn wij God’s hekelingen,
wordt over ons beweerd:
een koor van woestelingen,
dat zingt niet, dat scandeert?

Hoezeer dat ook blijft wringen,
laat ons niet zijn verleerd:
om zélf te durven zingen,
“Dit kind blijft ongedeerd!”