De waaier die de schaamte van de vrouw is. Schaamte om haar kleine borsten, om haar volle boezem. De schaamte om haar kinderwens het oordeel wanneer die niet bestaat, ze verdriet heeft om een verloren vrucht.
De schaamte om haar lust, haar flirt haar liefde voor één nacht.
Voor haar carrière, haar keuze enkel moeder te zijn, te blijven. Heeft ze dan geen ambitie of heeft ze teveel ambitie, hoe houden ze haar dan klein genoeg.
Wat is er mis met de vrouw zonder partner? Waarom al jaren bij dezelfde man, is ze te saai om een ander te vinden te conservatief, te timide?
O, de loep waaronder de vrouw huist wanneer ze – alweer – hysterisch huilt, haar eisen stelt over kinderopvang, zwanger is maar veel te rond, aangekomen is, nog maar eens hetzelfde draagt.
De loep waar mannen door kijken, laten we eerlijk zijn net als de vrouw, het wordt steeds moeilijker om dat niet te doen.
De loep op de waaier, op de schaamte. Toch blijven zij strelen over pijnlijke plekken, zorgen (hoewel niemand echt voor hen), ze voeden op, verdienen geld.
Die vrouwen blijven staan, het briesje van de waaier en zij blazen terug.
Siel Verhanneman (1989) uit: Wat wij doen dat heet bewaren (Arbeiderspers, 2024)
‘Met een vleugje citroen’, las ik op de pot vijgenconfituur van mijn medestander. Meteen gecharmeerd door dat doorschijnende woord ‘vleugje’. Zo transparant, zo freel, zo onaanraakbaar. Zoals trouwens die hele familie ietsiepietsies: zweempjes, glimpjes, sprankjes, sprenkeltjes, kortom: de vonkende vuurvliegjes van het woordenboek.
Net zoals de échte vuurvliegjes zijn ze amper 1 cm groot, en beschikken ze over een fascinerend achterlichtje, ten behoeve van hun zoektocht – tussen droom & daad – naar het woord waarmee zij zich graag wonderspreukig willen verenigen, dankzij de nauwe verwantschap van hun genen met die van de poézie. Zo zag ik ook dat ‘vleugje citroen’ vonkend oplichten in de donkere vijgenschemering.
De vlaagjes & de vleugjes. De tikkeltjes, de iezeltjes, de korreltjes. De greintjes & de schijntjes, alias de halfhemdjes der vrouwen? Of de floersjes, met die aandoenlijke verzuchting van de dichter: ‘Moeten wij tegenover elkander staan met trillende ogen en iets als floersen tussen ons?’Of zijn we daar inmiddels een aantal vlindertjes te oud voor.
Zoals wellicht ook voor dat door Potgieter beschreven ‘zuchtje’ wind: ‘Ook scheen ’t zuchtje louter weelde, ’t zij het schalk haar boezem streelde, ’t zij het suisde in ’t blonde haar.’
Of die witte ‘waas’, dat teer niet glanzend laagje, aan dauw gelijk, op Pita Vreugdenhil’s blauwe druiven. Zowel letterlijk als figuurlijk: te mooi & te volmaakt om over te leveren aan de gruwel van malende tanden?Vreugdenhil heeft ze daar bij deze alvast voor gevrijwaard.
En nog zo’n lieverdje: een snuifje. Hoewel de dichter Jac. van Looy het over ‘neusgaten duister van snuif’ heeft, sprak mijn vader in zijn oorlogsverhalen over ‘een snuifje sneeuw…’ Zoals poedersuiker op Brusselse wafels, vaders snuifje sneeuw op een rauw verhaal.
De kiertjes & de ziertjes. De snarsje & de schraapseltjes. Provocerend lekker Kutbier met een vleugje pruimen, of liever dat zelfde vleugje purper op de bloemen van de Magnolias. Kiezen maar: een snuifje Poeder van Sympathie, of een gloeiende glimp van de eeuwigheid..
Gesuis & geritsel. Miniscuultjes & snipsnaarderijen. Potgieter die vaststelt: ‘Voor de ernst van het leven geen zweemsel van zin’. Of een kunstwerk van Ed van der Hoek dat op AliExpress illegaal wordt verkocht voor een (in dit geval schijnbaar valselijk)‘schijntje’?
Vuurvliegjes & glimwormpjes, ook in het woordenboek zorgen ze voor een aandoenlijk schouwspel tussen licht & donker. Verrukkelijke spikkeltjes weggeblazen bladgoud, als piepkleine glinsteringen tussen de gewervelde woorden gestrooid. Wenkend. Lonkend.Lieflijk.
Zo vluchtig als de bevroren letters van Astrid Albers op een stoep tijdens een warme zonnige zomerdag: ‘Het beeld laat zien wat de liefde op haar beste moment oproept en hoe vergankelijk ze kan zijn’. Zo ook de ‘vuurvleugjes’, immer beducht voor de vleermuiswoorden‘hel en verdoemenis.’Want zoals geweten: ‘Alles van waarde is weerloos.‘
Als een transparant geworden schilfer van de vorige zomer, dit prachtige hostablad dat ik vanmorgen uit mijn bloemenpers haalde: ‘…. toen het kon gebeuren dat plots ontstond met de morgen mee als een wonder uit zielegrond…’ om het met de woorden van de dichter Leopold te zeggen.
De schoonheid ervan oversteeg mijn bevattingsvermogen, doch de broosheid ervan greep mij ten diepste aan, door het besef: ooit zal het verloren gelegd geraken, zullen de nerven breken en zal de adembenemende perfectie ervan alsnog worden vernietigd. Altijd opnieuw Kundera’s ‘ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ of die andere titel van hem, ‘het feest der onbeduidendheid.’
Of hoe ‘onverzoenlijk’ de dingen kunnen zijn. Mijn geliefde slakken die mijn eveneens geliefde Hosta zo graag willen ‘zoenen’? Vermanende tikjes op hun huisjes! Hun bladverterende kussen van 900 graden Celsius zijn zo heet als brandende sigaretten, en branden dus onherstelbare gaten in de weerloze hostabladeren. Een onmogelijke liefde dus. Eens te meer, telkens weer, gelamenteer.
Maar kijk, ik slaagde erin om ze van elkaar weg te houden met mijn alles overwinnende liefde voor hun beider bestaansrecht. De slakken krijgen kool, meloenschillen & rotte appels, terwijl de hosta’s zich mogen koesteren in mijn waakzaamheid.
Uiteraard voelen ook artistiekelingen zich geïnspireerd door die tot de verbeelding sprekende hostabladeren, om er sieraden, schaaltjes & schilderijen van te maken.
Doch last but not least, ook de herfst houdt van de hosta’s, of is het andersom? Als de bladeren op hun mooist zijn verkleurd, opent mijn bloemenpers z’n deuren, en bereiden de stilte & de tijd een glansrijke nieuwe regering voor. Ik heb er hoe dan ook alle vertrouwen in. Met ‘een zielvol oog’ zou Piet Paaltjens zeggen.
Mijn Hosta van deze zomer staat voorlopig nog groen & wel te pronken in de tuin. Laat ik er hier in Mechelen op deze dreunende Maanrockse vrijdag de inmiddels weemoedig geworden zomerhit van Erik & Sanne nog maar eens tegenaan gooien. Hoe ‘onverzoenlijk’ ook dàt weer moge wezen…
In het voorjaar van 2022 startte bij ‘Nieuwe Feiten’ de rubriek ‘het ontbreekwoord’. Daarin gaat Rick de Leeuw elke week met de gewaardeerde hulp van de luisteraars op zoek naar woorden die in de Nederlandse taal nog niet bestaan. ‘Hamerglas’, ‘kapotverbeteren’, ‘einderzucht’, ‘overouderen’, ‘huicheljuichen’, ‘sopperen’: het zijn maar enkele van de tientallen nieuwe woorden die inmiddels geboren zijn onder het wakende oog van enig en alwetend jurylid Ruud Hendrickx.
BENIEUWD NAAR DE TOP 5?
1. Lepeltjesverdriet: het gevoel dat je krijgt wanneer je je partner voor een langere tijd moet missen. 2. Kwijtruimen: iets zo goed opruimen, dat je het niet meer terugvindt. 3. Breinpuin: de onbelangrijke, nutteloze informatie die je toch je hele leven onthoudt. 4. Verstekvreugde: het geluk dat je ervaart om ergens niet te hoeven zijn. 5. Terplekkernij: een streekproduct dat op vakantie veel lekkerder smaakt dan thuis.
Het ideale cadeau voor taalliefhebbers, zoals het wordt aangekondigd? Nou… hoe speels & hoe vernuftig vaak gevonden ook, ik krijg niet meteen het gevoel dat dit woordenboek mij nu echt zou ‘ontbreken’. Maar kom, misschien besef ik niet altijd even precies wat ik allemaal mis in dit leven. Wat zou daarvoor het ‘ontbreekwoord’ kunnen zijn?
Misschien vind ik die ‘ontbreekwoorden’ soms toch net iets té ver gezocht: huicheljuichen, blunderdrang, kwijtruimen, leeswee, settelvet, donderslags, eergenoot, sneuvelambities, rekgesprek.. Of kijk, als ik dat gedicht ‘Tongpuntertje’ van Rik de Leeuw begin te lezen:
‘Als we op deze zonnegure waandag de kachelaar begekken tot hij de terplekkernij mokermoe terzijde schuift…
dan voel ik mij toch al gauw door ‘leeswee’ getroffen. Maar hum, dat leeswee komt mij hier niettemin wel handig van pas. En ook broers & zussen die ‘nesties’ worden, vind ik als oudste van acht toch wel zalig bruikbaar: ‘Hallo Nesties, even jullie aandacht voor volgende kwesties…’
Maar toch. De reeds bestaande woorden geven mij al genoeg hoofdbrekens om ze uitgezocht en gesorteerd te krijgen. Mij lijkt het veeleer andersom: dat het juist de reeds bestaande woorden vaak ‘ontbreekt’ aan hun juiste inhoud. Dat de woorden hun ware betekenis niet kwijt kunnen aan het schrale te beschrijven beschrevene.
De beschermende man, versus de behoedende. Zoals Matthias Schoenaerts dat zo subtiel weet te vertolken in die onlangs terug bekeken film ‘Far from the Madding crowd’. Plots besefte ik het subtiele verschil tussen die twee woorden. Want ook al lijken ze ongeveer hetzelfde te betekenen, het valt bij nader inzien niet mis te verstaan. Beschermend is lijfelijk, is smal, is verticaal. Beschermend is des zilverrugs. Behoedend daarentegen is horizontaal, intens en soms ondraaglijk bescheiden. Behoedzaam is des ziels, en een hint naar het innigste woord op aarde: koestering, far from the Madding crowd.
Laten we verwonderd blijven en er zal ons geen woord ontbreken? Toch niet voor zolang als dat duurt. Of de leuze loven ‘ik-zoek-niet-ik-vind’ en dan wordt een merel een ‘fluitfabriekje’, zoals in dat reeds eerder geciteerde klein boekje met 10 haiku’s van Jeanine Hoedemakers:
Luister even mee verstopt in de liguster een fluitfabriekje.
Daar heeft de dichteres geen ontbreekwoordenboek voor nodig gehad. Elk woord ervan zingt zich moeiteloos de hemel in & fluistert: ‘M’n liefje, wat wil je nog meer..?’ Bovendien, elk ‘meer’ is overal om ons heen.
Esdoorn gunt de wind voortijdig losgelaten een wentelwiekje.
Wat wil de koe? O, dat onvergetelijke koeienboek van Koos van Zomeren! Alleen al die titel: als een baanbrekende weg naar het immer ontbroken antwoord daarop, en naar het diepe besef, hoe graag je dat eigenlijk altijd al had willen weten: want ja, wat wil de koe… een kus?
‘Ze kijkt je met haar stille ogen aan. Ze heeft de wimpers van een femme fatale. Iets onbereikbaars dus, iets zeer droefgeestig ook.’
Hoe voortreffelijk Koos van Zomeren dat allemaal beschreven heeft. Over hun natte ruggen in november. Over dat ‘kijken van koeien, dat is zo enorm, dat zul je nooit helemaal bevatten.’ Over momenten van heldere kou. Over likstenen, over het loeien van koeien, en over hun eigen wil.
‘De gemiddelde koe graast acht tot negen uur per dag. Herkauwen neemt een uur of zes. De rest gaat op aan hazenslaapjes, piekeren. Daarbij verwerkt ze tachtig kilo gras. Deze kilo’s worden opgenomen in een pens van ruim honderd liter, waarin doorlopend zeker zestig liter water staat.’
‘Een koe weegt vijfhonderd kilo. Als het er alleen om ging een kalf groot te brengen had ze aan duizend liter melk genoeg. Maar dat kalf wordt van haar afgenomen. Het wordt een kalfje in haar hoofd dat uitgroeit tot een obsederend melk verslindend monster. Het schreeuwt gewoon om melk, daar in haar hoofd, en zij gehoorzaamt maar. Zo levert nu een koe wel zevenduizend liter per jaar, tien maal haar eigen lichaamsgewicht.’
‘En natuurlijk wordt er wel eens eentje afgedankt. Die bindt hij na het avondmelken aan de tractor vast. Hij zet haar voor het laatst op stal; hij stopt haar nog wat lekkers toe en klopt haar troostend op de hals. Ze komen altijd midden in de nacht, zo tussen één en vijf. Die koe gaat dan de wagen in, en weg. Maar, zegt Cees, ik heb er moeite mee hoor, een koe weg te doen. Ik hou er helemaal niet van. Het slachthuis, daar moet ik niks van hebben.’ En kijk, daar worden zelfs gedichten over geschreven..
‘Veel mensen worden door koeien ontroerd. Laatst, toen ik ergens had voorgelezen, was er een man die haast wanhopig zei: ‘Ik krijg zo af en toe de tranen in mijn ogen van een koe, weet u misschien waarom? Dat wist ik niet. Merkwaardig woord, ontroeren. Net of iets zich roert. Of dat het roer je wordt ontnomen, maar dat komt me meer gevaarlijk dan ontroerend voor. Maar nee, dit is niet het ont van ontkennen, maar van ontstaan, ontsteken, ‘beginnen’ te roeren.‘
‘Wat betreft de scheiding van koe en kalf onmiddellijk na de geboorte. Zonneklaar: daarmee frustreer je zowel koe als kalf in hun behoeften. Toch wordt deze praktijk algemeen aanvaard. Je kunt dat niet verwerpen zonder de hele melkveehouderij te verwerpen.’
‘Koeikoeikoei’ roep ik die door Koos beschreven boer achterna. ‘Dan kijken ook de verste beesten op. Ze staken allemaal het kauwen. Ze komen op ons toe, benieuwd wat de bedoeling is…’ Wat wil de koe? Hoe dan ook, het blijft een boek om te redden uit de brand. Geen enkele daarin beschreven koe mag naar het slachthuis van de vergetelheid worden afgevoerd, zonder eerst nog geknuffeld te worden.
Uit het goede ‘oud’ gesneden, in de bloei van uw slijtage, maar de ziel kent geen ouderdom? Niettemin, wat betreft verlies aan decorum, alleszins een genadeloze plundering in de krantencommentaren.
Echter, u lijkt het ook wel hardnekkig te laten gebeuren. Ten voeten uit met stramme benen, de glibberige geschiedenis in? Voornaamheid is altijd uw handelsmerk geweest, en dat weet u sowieso nog altijd in ‘stand’ te houden, dankzij een aantal grijpgrage leuningen. Maar toch.
Broos & sterk tegelijk doet u me aan mijn geliefde vader denken, via die prachtig beschreven bedenkingen van Filosofe Alicja Gescinska, over u en uw inmiddels zo fel besproken ouderdom, onder de prachtige titel:
DE ONTBLOESEMING VAN JOE BIDEN
Loof & prijs Alicja Gescinska, Warme Joe, en kruip onder haar fluwelen woorden als onder een dekentje voor de kou. Ze heeft overigens prachtige ogen, en ze schrijft met een gouden pen. Laat u koesteren door wat ze over u zegt. Meer dan genoeg voor de rest van uw dagen. Omwikkel uw waardigheid met haar omhelzende woorden, en laat het alzo glinsterend zijn afgerond. Want wat een bemoedigend betoog.
Ver weg van al die neerhalende commentaren die als zure regen uw blazoen aantasten. Don’t let the old man in? Ik blijf, net als Alicja Gescinska, begrip hebben voor uw dappere poging om te volharden, maar er is altijd ook nog de alles overtreffende trap daarvan.
Alicja Gescinska is schrijfster en filosofe aan de Universiteit van Buckingham. Ze is ook voorzitter van PEN Vlaanderen en VUB Fellow. Zij breekt een lans voor ouderen in het algemeen en Joe Biden in het bijzonder.
DE ONTBLOESEMING VAN JOE BIDEN: IN ZIJN ‘NEERWAARTS GROEIEN’ TOONT HIJ ZICH NOG ALTIJD VER BOVEN TRUMP.
Over de leeftijd en fysieke paraatheid van Joe Biden is zowat alles al gezegd, behalve wat er goed aan is. Natuurlijk is er geen ontkennen aan: Bidens lichaam én geest laten het steeds duidelijker afweten. Wie beweert dat leeftijd slechts een ingesteldheid is, moet maar eens proberen te huppelen met versleten heupen. Niemand ontkomt aan de wetten van de tijd, zelfs de president van de VS niet. Het leven is een slijtageslag, de jaren eisen hun tol, en in de politiek zelfs nog wat meer dan elders. Politiek is een vreselijk vermoeiende, veeleisende stiel. Maar maakt dat Biden unfit for duty?
In de discussie over Bidens gestel richten media en tegenstanders het vizier al te zeer op het verkeerde doel. De discussie gaat te veel over Biden zelf, en te weinig over wat er van een president verwacht kan worden, én over de plaats en zichtbaarheid van (hoog)bejaarden in onze samenleving. Het is uiteraard een terechte vraag: is Biden nog fit genoeg om president te zijn? Voor een antwoord moeten we niet enkel naar Biden zelf kijken, maar ook naar wat een presidentschap precies inhoudt.
Een presidentschap wordt niet door een president ingevuld, maar door een hele entourage. De mythe van de Amerikaanse president als ‘machtigste man op aarde’ is al langer doorprikt, onder andere dankzij Bidens opponent: Trump. Trump zat als president vaker op een golfterrein en op Twitter dan in zijn Oval Office. Ondertussen waren het de mensen achter en rond hem die het presidentschap min of meer draaiende hielden.
Met Biden is het niet anders. In de campagne zou Biden er goed aan doen om dat open en bloot te erkennen, en zichzelf niet als individu, maar als ploeg te profileren. Hij moet de Amerikanen er niet krampachtig van proberen te overtuigen dat hij het allemaal zelf nog wel kan: hij moet de sterkte van zijn team benadrukken. Kamala Harris moet daarbij meer zijn dan de al te onzichtbare sidekick die ze als vicepresident tot nu toe is geweest. Biden moet de rol opnemen van goedwillende grandpa Joe, wiens moreel kompas ondanks alles nog altijd intact is.
Ook zouden we ons moeten afvragen wat de plaats is van (hoog)bejaarde mensen in onze samenleving en in de politiek. Ronduit ergerlijk zijn de vele filmpjes die op sociale media circuleren en waarin de spot wordt gedreven met verbale onhandigheden en lichamelijk gestuntel van Biden. Eindeloos veel zieliger dan oude mensen zijn zij die met oude mensen lachen.
Als ik een persoonlijke ontboezeming mag doen: ik heb een zwak voor oude mensen. Ouderdom heeft voor mij – al dan niet terecht – een uitgesproken positieve connotatie. Ik kan er zelf haast reikhalzend naar uitkijken om op een dag een oude dag te hebben, en zie vooral veel schoonheid in ouderdom en oude mensen. Maar onze samenleving is geobsedeerd met jeugdigheid en vitaliteit, alle tekenen van veroudering proberen we krampachtig te verdoezelen. Ouderdom zien we onterecht als een chronische ziekte, en ouderen verstoppen we al te zeer en al te snel in een marge van de samenleving.
Biden daarentegen geeft hen niet enkel een gelaat, hij plaatst hen op het grootste podium van de wereldpolitiek. Dat op zich is al een goede reden om niet uit de presidentiële race te stappen: hij toont dat ouderdom tegen een prijs komt, maar ook zijn prijs waard kan zijn. Oud worden kan erg lijken, maar niet oud worden is nog veel erger.
De Britse neuroloog, filosoof en dichter Raymond Tallis omschreef ouderdom ooit als een ‘ontbloeseming’. Tallis weet waarover hij spreekt: hij is als arts gespecialiseerd in de geriatrie, en heeft zelf inmiddels een gezegende leeftijd bereikt, waarbij hij boeken blijft schrijven, en de wereld blijft rondreizen om lezingen te geven. Uiteraard gaat dat allemaal stroever dan vroeger, maar oud worden is ‘neerwaarts groeien’, zo schrijft hij in een van zijn gedichten.In zijn ‘neerwaarts groeien’ toont Biden zich nog altijd ver verheven boven Trump.
Uiteindelijk is de keuze voor de Amerikanen duidelijk: de keuze tussen iemand die de leider van de free world ambieert te zijn of iemand die de leider van de fact-free world wil zijn. Door het voortdurend over Bidens geworstel met woorden, zinnen en gedachten te hebben, bleef het belangrijkste aspect van het debat tussen Biden en Trump onderbelicht: Trump reeg zoals gebruikelijk de leugens en onwaarheden aan elkaar. Biden kwam niet altijd uit zijn woorden en dat baarde zorgen. Trump kwam wel uit zijn woorden, en die woorden zouden ons nog veel grotere zorgen moeten baren.
Jawel, ach jongen op het dak. De kroniek van jouw aangekondigde dood heeft meer (juiste) woorden nodig dan er momenteel aan worden besteed, durf ik te denken. Meer dan de opgewonden verklaring: “Zijn hoofd is uit elkaar gespat.”
Meneer De Vuist kan je alleen maar dankbaar zijn. Hij die zelf de wereld heeft toegeschreeuwd, dat hij ‘iemand kan neerschieten, zonder daar stemmenmee te verliezen‘. Maar zoals altijd weet hij, ook nu weer, de rollen handig om te draaien.
Het bloed ‘kroop’ meteen waar het niet kon gaan: ‘gutsend’ ware sowieso indrukwekkender geweest. Nu leek hij slechts een vergezochte piercing te hebben ondergaan. Zijn omhoog gestoken vuist als een dreigende granaat in de lucht.
Maar wat moeten jongeren van twintig in godsnaam ook denken van al die ondraaglijke schouwtonelen om hen heen? Geen enkele letter van de wet wist & weet die ‘gevuiste geviseerde’ ook maar één stap terug te dringen. Dat zegeviert er maar op los.
Terwijl dat hoe dan ook al lang gestopt had moeten zijn. ‘Schuldig verzuim’ is een zeer ingewikkeld begrip, dat weet ik ook zelf maar al te goed. Het juiste besef ervan moet werken als de trillende naald op een deugdelijk kompas.
En wat heeft die naald te doen? Het eeuwige noorden aanwijzen, dat ijkpunt waarop men blindelings moet kunnen vertrouwen. Zo ook ons aller innerlijk kompas. Ach, jongen op het dak, jij die de code brak: ik heb met je te doen.
“God heeft het ondenkbare voorkomen?” Dan had God dat al veel eerder moeten doen, net zoals ook die ‘zelfverklaarde god’ dat al lang had moeten overwegen. Hoe radeloos moeten wij met z’n allen nog worden, om ook niet alsnog op een dak te kruipen?
Die dikke regen, dat roffelend geluid van die vette druppels. Geen enkel woord is nat genoeg, om er die aanhoudende regen mee te beschrijven. Deze ten top gedreven nattigheid, dat sijpelend verlangen om binnen te dringen. Wolkbreuken & popcornbuien? Alleszins geen ‘buitjes voor het stof‘.
Slapen onder het plat dak, het plafond onheilspellend dichtbij. Dat zenuwachtige getrommel van Gods vingers, als op een tafel waaronder ik mij heb verstopt. Die nachtelijke zondvloed en die ongevraagde ruitenwasser achter het donkere raam. Dat hels gedruis, dat beangstigende carwashgevoel.
Het huis dat zich schrap zet tot in zijn diepste kieren. Tegen dat kloppende water: ‘Laat mij erin! Laat mij erin!’ Dat striemende versus de mogelijke slijtage van buizen & fittingen. Die pijpenstelen, die blaaskes, die strontnatte oude wijven? Dat – noem het gerust bij naam – zompige depressieverschijnsel.
Dat ‘recht op huisdrop’ (het recht van afwatering op het erf van de buurman toen er nog geen dakgoten waren) of ‘Singing in the rain‘? Vergeet het. Dat onhoudbare ‘ondeweer‘ doet volgens mij zelfs de hardnekkigste pluviofiel besluiten: nu heb ik er ook genoeg van!
Dan maar eens driftig in de plassen gaan trappen? Of zullen wij er alsnog ‘a rainy day coffee shop ambience’ van maken…
Vader m’n vader, hoe kon je nu denken, dat ik je kind niet meer ben, na je dood? Immer bedacht op je grafstille wenken, sloeg je hiernamaals mij weer uit m’n lood.
Blijkbaar wist ik deze nacht in mijn dromen niet dat je eertijds al dood was gegaan? Ik kon er, eens te meer, niet aan ontkomen, radeloos liet mij uw dood zich verstaan.
Vader m’n vader & moeder m’n moeder, helaas gedoemd tot geen schijn meer van kans? Tot stof & as, of verpulverd tot poeder, God, wat een stuitende stoelendans.
Hoe blij ik ben, niet die jaarlijkse hort op te moeten naar verre oorden. Zelfs een vriendenbezoek ietwat verder weg veroorzaakt al een pinklichtje op mijn wandkalender. Elke aantekening daarop een klein wondje dat moet genezen. Maar kom, zo vermemeld wil ik mij nog niet voelen. Sloop die muren om mij heen, help me zo bij jou te komen..
Echter, het toeslaan van de zware voordeur achter mijn gat, doet mijn gemoed sowieso al opschrikken. Ik ben nu eenmaal geen huisjesslak, dus ik moet mijn veilig omhulsel hoe dan ook achterlaten. Ik zet mijn ogen vervolgens meteen op denkbeeldige steeltjes, wetend: want ‘hortekie wezen’ is nog iets heel anders dan thuis boeken zitten lezen.
Vrijdag 5 juli: een zorgvuldig afgesproken weerzien op de planning. O mooie dagen, ik hou zo van die mooie dagen? De Amsterdammer van 09.24 stond in ’t rood: rijdt niet. De kunstmatige blos verdween van mijn kaken, en de ogen op mijn steeltjes trokken zich meteen diep terug in hun kassen. Bellen dus het spijt me, het wordt een uur later…
De Amsterdammer van 10.24 dus. Ook alweer negen minuten vertraging. En verspoord naar het hemelhoge spoor 11, voorlopig nog zonder roltrap. Die negen minuten werden er al gauw twaalf, spoor 11 werd opnieuw spoor 8, ik ging sowieso mijn aansluiting missen..
Maar erger nog: de trein kreeg dus en surplus ook alle reizigers mee van de voordien afgeschafte. En allemaal minstens één koffer bij, plus een horribele dikke rugzak, plus handbagage. De opstappers bleven zich kwetterend, tot in extremis, naar binnen wringen. Alsof de trein als een steeds dikker wordende worst werd vol gespoten met gehakt.
Zelf geraakte ik niet verder dan het balkon, in een hoek gedrukt en bovendien ook nog eens ter hoogte van de WC, met een versgebakken cake op zak, die dreigde vermorzeld te worden. Ik wist hem echter alsnog heel te houden, tot bij de vrienden waar ik werd verwacht.
Om dan ’s avonds, moe maar tevreden, als een slak terug in mijn huisje te kruipen. Bang, tot in mijn dromen, voor de peuterende bek van de merel? Maar ’s morgens gezond weer op, het is kermis in eigen stad.
Al voel ik mij niet meer zo'n frisse, - dus hier een vloek & daar een zucht - geen sprong hoeft nog in 't ongewisse, want hier is 't gat & daar de lucht.
Zo werd ik alsmaar meer de zijne, - honderd procent onloochenbaar - en hij alzo steeds meer de mijne, in wezen haast inwisselbaar.
Dansen wij thans met kromme tenen, - trappend op die van andermans - drie juli laat er zich voor lenen, noem dit gerust een vreugdedans!
Als een ééndagsvliegje zo blij geweest met de dag van gisteren. Of een beetje dichter bij de werkelijkheid: als een bolstaande gelukzak, volgestouwd met van alles & nog wat. Ontbijt aan de buitentafel. De ligusterbomen leken te lekken. Druppels alweer vergane glorie?
Dat schaduwrijke takkendak boven de tafel. Een groene zee van golvende varens. Die aandoenlijk buigende tortelmannetjes. Dat zwarte bendeke luidruchtige kauwtjes. Dat gezoef & dat gefladder. Echter, te midden van al die schoonheid een dood musje gevonden, als een dompertje uit het nest gevallen? Met heel veel spijt begraven.
Schilderijwolkjes in de blauwe lucht alsof geschilderd door mijn vader. Kakelende musmeisjes op de trein. In Hoogstraten staan de lindebomen in bloei, dat moest & zou ik weer geweten hebben. Dan toch zomer? Ik word er helaas altijd lichtschuw & pissebedderig van. Maar toch, ook al is zweten mij immer een horror, en hoe grof mijn poriën er altijd ook van worden: ik waagde het erop.
Ik durfde het absoluut niet luidop vast te stellen, maar de donkere ondergrondse koelte in Antwerpen- Centraal voerde even een zalige tussentijdse controle uit in mijn brein. Toch hoopte ik dat de nieuwe opstappers niet te lang zouden treuzelen. Ik probeerde het zonnige verder zoeven prettig te vinden, en dat lukte ook wel, want uiteraard zat ik aan de schaduwkant, dankzij mijn slim poepeke.
Het voorbijschuivende groen pronkte zich de hemel in. En ik vroeg mij af: dat blauwe uitspansel, die beschermende stolp, wie heeft die ooit zo behoedzaam over ons heen gezet? Wat moet ik aanvangen met al die pracht? Het bebliksemde mij weer met felle schichten, die echter onmiddellijk werden afgeleid naar de onzichtbare ondergrond van mijn bestaan. M’n vader had z’n wolken ondertussen met verve groter gemaakt, omdat hij tot in zijn dood blijft weten dat ik uiteindelijk de volle maan verkies boven de volle zon?
Eenmaal ter plekke in zusje’s tuin, joekels van Hoogstraatse aardbeien op tafel, en een kom verse frambozen van de buren. Wuivende grassen, uit de niet meer gemaaide gazon ontsproten, als een freel beginnend korenveld. En onder de verdronken notenboom gezeten, in een zee van oplichtende pantervlekken, witte wijn in de glazen. Zingende merels, scherende vogels, koelte zoekende katten. Een dag die in z’n ééntje een hele zomer zou kunnen waarmaken, indien dit de enige zou zijn.
Maar verdronken bomen? Nooit eerder van gehoord, doch wat blijkt? Als de grond vol water komt te zitten, zoals nu dus, zit er geen zuurstof meer in, en kunnen de wortels geen voedsel meer opnemen, waardoor ze ‘verdrinken’. Niet elke boom is er even vatbaar voor, maar het blijkt dit jaar in sommige bossen & tuinen een zichtbaar spijtige vaststelling. De anders luchtdichte kruin van mijn zusje’s notenboom leek daardoor deze keer veeleer op een kapotgeschoten dak vol gaten.
Terugreis dan toch met hindernissen. Busje komt zo? Nee dus. Ook het geluk gedraagt zich soms als een verdronken boom, in een noodwendige poging het evenwicht te bewaren? Droogte, vernatting, alsook over-vergelukking, het eist blijkbaar allemaal zijn tol. Doch een uur later dan toch op mijn huiswaartse trein geraakt, even gelukkig & tevreden als de egel in dat blozende ‘misschien-wisten-zij-alles-boek van Toon Tellegen, dat ik bij mijn jarig zusje had achtergelaten als een glinsterende zwerm vééldagsvliegjes.