BLADGOUD

Oktober heeft het weer helemaal waar gemaakt en als een go-between z’n edele opdracht vervuld: het goud is gedolven, de meimaand ‘maans’ weerspiegeld. Vonkende dagen die als steekvlammen uit het heelal kwamen geschoten. Een weerzien waar ik jaren lang hetzelfde liedje voor heb gezongen: ‘Ach broeder ‘k zie u weder, dat lenigt mijn verdriet’.

De zomer is uit de kast geplukt, de dunne jurken vervangen door de dikke. Het helle felle leek ineens meer iets voor lellebellen. Dus werden de zachte krachten weer bovengehaald, met al hun mededogen. Het lichtschuwe zielement liet begaan en gaf zelfs opluchting te verstaan.

Ondertussen is ook de Dag van de Vlaai alweer voorbij. Toch ruikt het huis nog altijd naar kaneel, zoals ook de tuin weer naar de bloeiende klimop. Om het strijklicht niet te vergeten, dat de fluweelbomen met bladgoud heeft belegd, zo vakkundig als vroeger ook mijn moeder heeft gedaan met het door mijn vader vervaardigde windhaantje, dat inmiddels al jaar & dag rondjes draait op de toren van Hoogstraten.

Oktober pronkt ook met de verjaardag van mijn eerste zusje, alias mijn eerste bedgenoot. Ik was altijd de lichtuitdoenster, zij de helse dichtsmijtster van mijn zorgvuldig open geslagen dekens, ten bate van mijn blinde sprong richting bed, maar o die koude bries, alsook elke keer weer haar ijzingwekkende schreeuw in het donker:”Den duvel!”

En zoals ieder jaar komt oktober ook mijn innerlijk behang weer fatsoeneren, en dat is nodig. Er zijn daar ook deze keer weer scherpe nagels overheen gegaan. Vooral het kleinste kamertje van mijn ziel moet dringend weer overschilderd worden, vol gekribbeld door het eigen ‘gemakzuchtige’ gemoed, in afwachting van wat je ‘verlossing’ zou kunnen noemen. Ook de ontstane innerlijke verruwing moet weer worden glad geschuurd. Het gaat pijn doen, Caillebotte, ik weet het.

Geboren in maart, gestorven in oktober? Ik vraag me dikwijls af welke datum er bij mijn geboortedag zal komen te staan, maar oktober krijgt mijn voorkeur. Al neemt die zachtmoedige gouddelver geen blad voor de mond in zijn oude dag: “Bomen, bijt op uw takken, en maak u klaar voor de naakte waarheid!” Zal oktober dat ooit met mij ook zo doen?

The rest is silence. Als een wandeling in de binnentuin. Vogelveren rapen & mezelf weer bijeen: het kreupel ‘oud’ van mijn zelfbehoud. Ondertussen hoort oktober zowel de boomkruinen als de mensen steeds luiderop denken: ‘Ik wil het laatste blad niet zijn dat valt…’

Alsook de laatste kus niet die zal worden gegeven? Of komt die misschien ook in de plantenpers terecht, hij moest maar zo rood niet zijn uitgevallen op die harde steen: samengeperste lippen zullen het worden? Ober, Ober, mag ik nog een laatste glaasje oktober alstublieft?

DE TAND DES TIJDS

De Tand des Tijds krijgt het zwaar te verduren. Aangetast door tandwolf & zuren is hij willens nillens een ‘smile stealer’ bij uitstek geworden. En zoals één rotte appel de hele mand bederft, zo werkt dat ook met de zwaar ontstoken Tand des Tijds: het ganse gebit van de Tijdsgeest begint er van weten.

Je hoeft er geen haai of een wolf voor te zijn, ook mensen kunnen hem in de mond hebben. En zoals er wordt gezegd: de tand des tijds is een knager, zo is dat ook duidelijk te zien aan de restanten van Hitler’s gebit, kunstmatig bijeen gehouden door enorme bruggen & kronen.

Die restanten, vier stukjes kaak & een enorme brug met kunsttanden, worden in Moskou bewaard in twee verschillende staatsarchieven. Ze liggen daar voorwaar niet te pronken. Wie weet worden ze heimelijk, put-in, alsnog in de mond genomen: bovennatuurlijke krachten liggen nu eenmaal niet voor het rapen.

De tanden van dode soldaten, door tandenrovers met tangen uit de mond getrokken. Vervolgens gekookt & bewerkt om er ivoren kunstgebitten mee te maken. Men sprak indertijd zelfs van een ‘Waterloo-gebit’. Inmiddels roepen Britse tandartsen op om de ‘taartcultuur’ op het kantoor een halt toe te roepen.

Arme Tand des Tijds. Geopperd wordt, dat hij er eigenlijk uit zou moeten, want rot tot in z’n diepste wortels. Echter, men vreest de gapende wonde, het niet te stelpen bloed, het stinkende gat dat mogelijk niet meer te dichten valt? Bovendien, zelfs de Tandenfee wil hem liever niet in haar collectie hebben.

Weldra worden ook de vampiertanden weer boven gehaald, en zal de behoedzame kus in de hals – de innigste van allemaal, ik beloof het u – weer een boertige beet worden, die van de hals een nek zal maken.

Zou het onderstaande verwarde gedicht van de wanhopige Tandenfee kunnen zijn? Een noodkreet, waar zowel de driedubbele Dikke van Dale als de vertaalmachines op het internet van begonnen te knarsetanden?

GOEDENTANDJES

(Letterlijk genoteerde vertalingen uit het Engels over tandaandoeningen op het internet)

Ik zou eens hebbende, dat ze hebben genoemd,
frequente snoep van suikeren been.
De etter maakt vloeiwegen van getrokken tand.
Zorg teen van u is gebogen. Twee teen per dag
ontmoeten tandpasta van fluoride.

Kunnen terugstaande lijkgoten teruggroeien?
Huis-remedies voor de behandeling van gezwollen granaten
en mondwater voor een terugkijkende gomaline.
En kijk, daar is de Covid-tong-en mondingszoener weer,
in de loop van de laaglijn uit overvolle tanden.

In de mondholte verzamelen zich kleuren
van senaatssoorten virussen en schimmels
op de vloer van de mond. Het kan helpen het glazuur
van de winkelwagen van uw tanden te versterken
tegen zuur en slachtige bacterieën.

De wasser is op de gaten
en het invult een onverstand.

I
Ach, ik ga er mijn tanden niet op stukbijten, voor je het weet
heb je alleen nog maar tandvlees & een tong.

IK ONTHOU

Dankzij ons weerzien
werd – punt aan de lijn –
mijn ijzeren plots weer
een gouden gordijn.

Of hoe ik mijn dank
woordenschattig herschep:
te blijven verwoorden
hoe lief ik u heb.

Uw Woordhoudster.

DE MANTEL DER LIEFDE?

En weer kwam Gerrit Achterberg mij vanochtend vertellen: ‘Door de kieren van de morgendeuren steken speren ijskoud licht!’

En hoewel letter per letter daarvoor gewaarschuwd en dus op mijn hoede, liep er plots toch weer bloed uit mijn ogen. En ja hoor, het kroop weer met veel moeite waar het niet kon gaan: richting mond, een beetje zoals ook bij Trump, toen hij beschoten werd. En hoewel goed-kijken-of-je-zag-het-niet-eens: het trok niettemin z’n sporen.

Het werd meteen een beetje melig koud in mijn hart. Ook zonder dat rasperige liedje van Frank Boeijen: blootgewoeld & onderkoeld.

Echter, mijn ooit zo warme mantel der liefde is inmiddels al zo oud als de straat, dus die moet eerst nog hersteld worden, vooraleer hij z’n beschuttend werk weer kan doen.

Ik heb zo’n zelfgebreide. Een beetje het model zoals hierboven op dat schilderij van Jetty Bindels. Alleen maar rechtse steken, zodat ik er niet teveel bij moest nadenken? Ingeslopen breifouten hebben er gaten in gemaakt, en men beweert zelfs dat hij stinkt.

Bijgevolg durf ik er ternauwernood nog de straat mee op. Het is een gedrocht geworden, dat zie ik in de winkelruiten. Alsof ik er van alles onder heb zitten, dat zich nauwelijks nog laat raden. Wat sleep ik toch allemaal mee? Wat zit daar in godsnaam onder gefoefeld.

Dus allesbehalve in fluweel gemanteld. Ik ben dan ook de Moeder Gods niet, met haar breed uitgeslagen Allemansmantel. Ik ben de eigen mantel zelfs uitgeveegd voor mijn zogenaamde op pek-en-veren-gelijkende miskoop, en voor het durven dragen daarvan.


Kon ik dat mooie lied van Huub Oosterhuis nog maar eens onbekommerd de kerkgewelven in jagen, doch mijn stem is al lang geen vogel meer, hooguit nog een dode gevederde vondeling
.

Toch fluister ik Achterberg nog altijd achterna: Moge. Ik zingen vinden.’ En ja, misschien ook een nieuwe mantel? Of zouden die der liefde inmiddels uit de mode zijn. Anyhow, you can call me old fashion.

FELIX FELICIS

Vettige Teen, de visser met zijn vermiljoen gezicht, zijn witte stoppelbaard en zijn wimperloze oogskens? ‘Hij heeft het zilveren Onze Lieve Vrouwenbeeld gestolen uit het blauw glazen kapelleke der Begijnhofstraat. Och, ’t was zo rap gegaan, ’t lag in zijn armen zonder dat hij ’t wist, alsof het erin gesprongen was.

De scherp geribde Kruislievenheer, en de zwart gekapmantelde vrouwen die zwart op de witte sneeuw gingen? Rikuske de koster met zijn kiekenkop waarop één pluim haar waaide, en Snoekevet, de krantenhandelaar? Dat Maangetijgerde en gespikkelde bos, of die labberlotten Sint-Medardregen…?

Dat moét wel Felix Timmermans zijn. Zelfs zonder Pallieter of Begijntjen Symforosa te vernoemen: nomen est omen. Hij die blijkbaar als geen ander met kleurrijke woorden het geluk van zijn voornaam in elkaar wist te timmeren ‘tot de morgen weer aan zijn licht geraakte, zoekend en tastend in de witte nevels naar zon en waterspiegels.’

Ik kreeg de bundel ‘Minneke Poes en ander proza’ mee naar huis van een vriend, die het zelf pas met veel plezier had herlezen: ‘Voor in de trein…’ Het bleek een oud bibliotheek-boek dat in de verkoop was gegaan: Erven Felix Timmermans, 1986, eerste druk bij Manteau, met die typische illustraties van hemzelf.

Helaas, voor bibliotheekgebruik met stevige touwen in de rug gegrepen, dus weerbarstig. Maar wie zou niet zwichten & oplichten bij het openbreken ervan, om er vervolgens meteen in vogelvlucht overheen te scheren: ‘Vredig slenteren witte wolken, dik van geluk door de zondagmorgen, aan de vertelselblauwe lucht. Een distelvink tikt gaatjes in de stilte. En op het glanzend vlies van ’t diepe water ligt de hemel genietend op zijn rug…’

Na de mis, ’t is kleine kermis, gaat de processie uit. De nonnekens zingen een musfijn latijn, en de wierook walmt als een maneschijn door de dreven. De zon speelt in de galon en in de katonet, en als de nonnekens zwijgen, ruist de fanfare los, breed en hard dat de hoge bomen er van singelen. Doch van verder-op, door de zon en de dennenaalden gefiltreerd, wordt het land als met een muziekhand bestreeld.’ (katonet? ik kom er niet achter..)

De muziek van de fanfare, die uiteindelijk blij de staminees van de omtrek opzoekt, ligt als een dons over het horizontale landschap. Al uren lang verwittigt de stroomtram vanuit de verte dat hij op komst is. Eerst als het westen zijn gouden kazuivel aantrekt, komt hij als een kwade hond, van achter de omdraai, ledig aangedaverd. Geliefden verdwijnen in donkere wegen, en in d’ene of d’andere zweetherberg, waar een harmonica zeurt. Men voelt het, ’t wordt hier goed en schoon.’

En inderdaad, het werd meteen niet uit te leggen goed en schoon in mijn gecharmeerd gemoed. Alsof ik via een soort tijdscapsule terug terecht was gekomen in de tijd-van-toen, los van de zwaartekracht der huidige dagen. Niet om er te blijven, echter wel om er mijn oude ziel even mee tegemoet te komen, als troost voor al ’t verloren gewaande.

Ondertussen staat ‘De Fé’ verbronst te mijmeren onder de treurwilg op het Felix Timmermansplein in Lier: ‘De mijmering over een ding is sterker dan het ding’. Doch hoe levendig & fel op de foto hieronder, met zijn zoon Gommaar. En hoe geliefd..

Felix Felicis, het geluk van de gelukkige? Als een gouden toverdrank, zoals in de Harry Potterboeken: het giet de drinker vol tijdelijk geluk.

En wat inmiddels met die vijftig-beste-boeken-lijst, dat ons-kent-ons-gedoe? Ik zou zeggen: breek mij de bek niet open, blijf van mijn lever, weg met die trechter. Ik zie hem sowieso dag & nacht glinsteren, op zoek naar mijn strot, als ware ik een hottentot.

ONDER DE LOEP

DE SCHAAMTE VAN DE VROUW

De waaier die de schaamte van de vrouw is.
Schaamte om haar kleine borsten, om haar volle boezem.
De schaamte om haar kinderwens
het oordeel wanneer die niet bestaat,
ze verdriet heeft om een verloren vrucht.

De schaamte om haar lust,
haar flirt
haar liefde voor één nacht.

Voor haar carrière, haar keuze enkel moeder te zijn,
te blijven. Heeft ze dan geen ambitie of
heeft ze teveel ambitie, hoe houden ze haar
dan klein genoeg.

Wat is er mis met de vrouw zonder partner?
Waarom al jaren bij dezelfde man,
is ze te saai om een ander te vinden
te conservatief, te timide?

O, de loep waaronder de vrouw huist
wanneer ze – alweer – hysterisch huilt,
haar eisen stelt over kinderopvang,
zwanger is maar veel te rond,
aangekomen is, nog maar eens hetzelfde draagt.

De loep waar mannen door kijken,
laten we eerlijk zijn net als de vrouw,
het wordt steeds moeilijker om dat niet te doen.

De loep op de waaier, op de schaamte.
Toch blijven zij strelen over pijnlijke plekken,
zorgen (hoewel niemand echt voor hen),
ze voeden op, verdienen geld.

Die vrouwen blijven staan, het briesje van de waaier
en zij blazen terug.

Siel Verhanneman (1989)
uit: Wat wij doen dat heet bewaren (Arbeiderspers, 2024)

A SENSE OF WRONG?

Hij is, hij is, hij is,
als boter bij de vis?
Exact-exact-exact:
zeg maar een artefact.

Gedicht-gedicht-gedicht,
de ogen voor het licht.
Ik wil-ik wil-ik wil:
dat hou ik liever stil.

Ik schrijf-ik schrijf-ik schrijf,
hou dat maar buiten kijf.
Ik weet-ik weet-ik weet:
geen enkel woord voldeed.

VUURVLIEGJES?

‘Met een vleugje citroen’, las ik op de pot vijgenconfituur van mijn medestander. Meteen gecharmeerd door dat doorschijnende woord ‘vleugje’. Zo transparant, zo freel, zo onaanraakbaar. Zoals trouwens die hele familie ietsiepietsies: zweempjes, glimpjes, sprankjes, sprenkeltjes, kortom: de vonkende vuurvliegjes van het woordenboek.

Net zoals de échte vuurvliegjes zijn ze amper 1 cm groot, en beschikken ze over een fascinerend achterlichtje, ten behoeve van hun zoektocht – tussen droom & daad – naar het woord waarmee zij zich graag wonderspreukig willen verenigen, dankzij de nauwe verwantschap van hun genen met die van de poézie. Zo zag ik ook dat ‘vleugje citroen’ vonkend oplichten in de donkere vijgenschemering.

De vlaagjes & de vleugjes. De tikkeltjes, de iezeltjes, de korreltjes. De greintjes & de schijntjes, alias de halfhemdjes der vrouwen? Of de floersjes, met die aandoenlijke verzuchting van de dichter: ‘Moeten wij tegenover elkander staan met trillende ogen en iets als floersen tussen ons?’ Of zijn we daar inmiddels een aantal vlindertjes te oud voor.

Zoals wellicht ook voor dat door Potgieter beschreven ‘zuchtje’ wind:
‘Ook scheen ’t zuchtje louter weelde,
’t zij het schalk haar boezem streelde,
’t zij het suisde in ’t blonde haar.’

Of die witte ‘waas’, dat teer niet glanzend laagje, aan dauw gelijk, op Pita Vreugdenhil’s blauwe druiven. Zowel letterlijk als figuurlijk: te mooi & te volmaakt om over te leveren aan de gruwel van malende tanden? Vreugdenhil heeft ze daar bij deze alvast voor gevrijwaard.

En nog zo’n lieverdje: een snuifje. Hoewel de dichter Jac. van Looy het over ‘neusgaten duister van snuif’ heeft, sprak mijn vader in zijn oorlogsverhalen over ‘een snuifje sneeuw…’ Zoals poedersuiker op Brusselse wafels, vaders snuifje sneeuw op een rauw verhaal.

De kiertjes & de ziertjes. De snarsje & de schraapseltjes. Provocerend lekker Kutbier met een vleugje pruimen, of liever dat zelfde vleugje purper op de bloemen van de Magnolias. Kiezen maar: een snuifje Poeder van Sympathie, of een gloeiende glimp van de eeuwigheid..

Gesuis & geritsel. Miniscuultjes & snipsnaarderijen. Potgieter die vaststelt: ‘Voor de ernst van het leven geen zweemsel van zin’. Of een kunstwerk van Ed van der Hoek dat op AliExpress illegaal wordt verkocht voor een (in dit geval schijnbaar valselijk)‘schijntje’?

Vuurvliegjes & glimwormpjes, ook in het woordenboek zorgen ze voor een aandoenlijk schouwspel tussen licht & donker. Verrukkelijke spikkeltjes weggeblazen bladgoud, als piepkleine glinsteringen tussen de gewervelde woorden gestrooid. Wenkend. Lonkend. Lieflijk.

Zo vluchtig als de bevroren letters van Astrid Albers op een stoep tijdens een warme zonnige zomerdag: ‘Het beeld laat zien wat de liefde op haar beste moment oproept en hoe vergankelijk ze kan zijn’. Zo ook de ‘vuurvleugjes’, immer beducht voor de vleermuiswoorden ‘hel en verdoemenis.’ Want zoals geweten: ‘Alles van waarde is weerloos.

EEN WONDER UIT ZIELEGROND

Als een transparant geworden schilfer van de vorige zomer,
dit prachtige hostablad dat ik vanmorgen uit mijn bloemenpers
haalde: ‘…. toen het kon gebeuren dat plots ontstond
met de morgen mee als een wonder uit zielegrond…’

om het met de woorden van de dichter Leopold te zeggen.

De schoonheid ervan oversteeg mijn bevattingsvermogen, doch
de broosheid ervan greep mij ten diepste aan, door het besef:
ooit zal het verloren gelegd geraken, zullen de nerven breken en
zal de adembenemende perfectie ervan alsnog worden vernietigd.
Altijd opnieuw Kundera’s ‘ondraaglijke lichtheid van het bestaan’
of die andere titel van hem, ‘het feest der onbeduidendheid.’

Of hoe ‘onverzoenlijk’ de dingen kunnen zijn.
Mijn geliefde slakken die mijn eveneens geliefde Hosta
zo graag willen ‘zoenen’? Vermanende tikjes op hun huisjes!
Hun bladverterende kussen van 900 graden Celsius zijn zo heet
als brandende sigaretten, en branden dus onherstelbare gaten
in de weerloze hostabladeren. Een onmogelijke liefde dus.
Eens te meer, telkens weer, gelamenteer.

Maar kijk, ik slaagde erin om ze van elkaar weg te houden
met mijn alles overwinnende liefde voor hun beider bestaansrecht.
De slakken krijgen kool, meloenschillen & rotte appels,
terwijl de hosta’s zich mogen koesteren in mijn waakzaamheid.

Uiteraard voelen ook artistiekelingen zich geïnspireerd
door die tot de verbeelding sprekende hostabladeren,
om er sieraden, schaaltjes & schilderijen van te maken.

Doch last but not least, ook de herfst houdt van de hosta’s,
of is het andersom? Als de bladeren op hun mooist zijn verkleurd,
opent mijn bloemenpers z’n deuren, en bereiden de stilte & de tijd
een glansrijke nieuwe regering voor. Ik heb er hoe dan ook alle
vertrouwen in. Met ‘een zielvol oog’ zou Piet Paaltjens zeggen.

Mijn Hosta van deze zomer staat voorlopig nog
groen & wel te pronken in de tuin. Laat ik er hier in Mechelen
op deze dreunende Maanrockse vrijdag de inmiddels
weemoedig geworden zomerhit van Erik & Sanne nog maar eens
tegenaan gooien. Hoe ‘onverzoenlijk’ ook dàt weer moge wezen…

ONTBREEKWOORDEN

In het voorjaar van 2022 startte bij ‘Nieuwe Feiten’ de rubriek ‘het ontbreekwoord’. Daarin gaat Rick de Leeuw elke week met de gewaardeerde hulp van de luisteraars op zoek naar woorden die in de Nederlandse taal nog niet bestaan. ‘Hamerglas’, ‘kapotverbeteren’, ‘einderzucht’, ‘overouderen’, ‘huicheljuichen’, ‘sopperen’: het zijn maar enkele van de tientallen nieuwe woorden die inmiddels geboren zijn onder het wakende oog van enig en alwetend jurylid Ruud Hendrickx.

BENIEUWD NAAR DE TOP 5?

1. Lepeltjesverdriet: het gevoel dat je krijgt wanneer je je partner voor een langere tijd moet missen. 2. Kwijtruimen: iets zo goed opruimen, dat je het niet meer terugvindt. 3. Breinpuin: de onbelangrijke, nutteloze informatie die je toch je hele leven onthoudt. 4. Verstekvreugde: het geluk dat je ervaart om ergens niet te hoeven zijn. 5. Terplekkernij: een streekproduct dat op vakantie veel lekkerder smaakt dan thuis.

Het ideale cadeau voor taalliefhebbers, zoals het wordt aangekondigd? Nou… hoe speels & hoe vernuftig vaak gevonden ook, ik krijg niet meteen het gevoel dat dit woordenboek mij nu echt zou ‘ontbreken’. Maar kom, misschien besef ik niet altijd even precies wat ik allemaal mis in dit leven. Wat zou daarvoor het ‘ontbreekwoord’ kunnen zijn?

Misschien vind ik die ‘ontbreekwoorden’ soms toch net iets té ver gezocht: huicheljuichen, blunderdrang, kwijtruimen, leeswee, settelvet, donderslags, eergenoot, sneuvelambities, rekgesprek.. Of kijk, als ik dat gedicht ‘Tongpuntertje’ van Rik de Leeuw begin te lezen:

Als we op deze zonnegure waandag
de kachelaar begekken tot hij de
terplekkernij mokermoe terzijde schuift…

dan voel ik mij toch al gauw door ‘leeswee’ getroffen. Maar hum, dat leeswee komt mij hier niettemin wel handig van pas. En ook broers & zussen die ‘nesties’ worden, vind ik als oudste van acht toch wel zalig bruikbaar: ‘Hallo Nesties, even jullie aandacht voor volgende kwesties…’

Maar toch. De reeds bestaande woorden geven mij al genoeg hoofdbrekens om ze uitgezocht en gesorteerd te krijgen. Mij lijkt het veeleer andersom: dat het juist de reeds bestaande woorden vaak ‘ontbreekt’ aan hun juiste inhoud. Dat de woorden hun ware betekenis niet kwijt kunnen aan het schrale te beschrijven beschrevene.

De beschermende man, versus de behoedende. Zoals Matthias Schoenaerts dat zo subtiel weet te vertolken in die onlangs terug bekeken film ‘Far from the Madding crowd’. Plots besefte ik het subtiele verschil tussen die twee woorden. Want ook al lijken ze ongeveer hetzelfde te betekenen, het valt bij nader inzien niet mis te verstaan. Beschermend is lijfelijk, is smal, is verticaal. Beschermend is des zilverrugs. Behoedend daarentegen is horizontaal, intens en soms ondraaglijk bescheiden. Behoedzaam is des ziels, en een hint naar het innigste woord op aarde: koestering, far from the Madding crowd.

Laten we verwonderd blijven en er zal ons geen woord ontbreken? Toch niet voor zolang als dat duurt. Of de leuze loven ‘ik-zoek-niet-ik-vind’ en dan wordt een merel een ‘fluitfabriekje’, zoals in dat reeds eerder geciteerde klein boekje met 10 haiku’s van Jeanine Hoedemakers:

Luister even mee
verstopt in de liguster
een fluitfabriekje.

Daar heeft de dichteres geen ontbreekwoordenboek voor nodig gehad. Elk woord ervan zingt zich moeiteloos de hemel in & fluistert: ‘M’n liefje, wat wil je nog meer..?’ Bovendien, elk meer’ is overal om ons heen.

Esdoorn gunt de wind
voortijdig losgelaten
een wentelwiekje.

ODE A L’OUBLI?

Voor G.
(van Godzijdank)

O weemoed, wee uw moed, die nooit zou
zijn beschreven: hoe zou daarvan de gloed
reeds lang zijn opgeheven.

Beneveld, na de nacht, post scriptum
liet je weten: er zij aan ’t licht gebracht,
wat nooit wil zijn vergeten.

Geprezen, a tout prix, we zullen
werd we zouden: werd ode a l’oubli,
aldus, om te onthouden.

Gezworen zwaan-kleef-aan, ten eerste
werd ten tweede: het blijft ons gadeslaan,
dat onvoltooid verleden.

Werd woord & wederwoord, werd vinden
en gevonden: tot spiegeling aangespoord,
verbonden. Onomwonden.

Mitte Confitte

ZOMEREN MET VAN ZOMEREN

Wat wil de koe? O, dat onvergetelijke koeienboek van Koos van Zomeren! Alleen al die titel: als een baanbrekende weg naar het immer ontbroken antwoord daarop, en naar het diepe besef, hoe graag je dat eigenlijk altijd al had willen weten: want ja, wat wil de koe… een kus?

‘Ze kijkt je met haar stille ogen aan. Ze heeft de wimpers van een femme fatale. Iets onbereikbaars dus, iets zeer droefgeestig ook.’

Hoe voortreffelijk Koos van Zomeren dat allemaal beschreven heeft. Over hun natte ruggen in november. Over dat ‘kijken van koeien, dat is zo enorm, dat zul je nooit helemaal bevatten.’ Over momenten van heldere kou. Over likstenen, over het loeien van koeien, en over hun eigen wil.

‘De gemiddelde koe graast acht tot negen uur per dag. Herkauwen neemt een uur of zes. De rest gaat op aan hazenslaapjes, piekeren. Daarbij verwerkt ze tachtig kilo gras. Deze kilo’s worden opgenomen in een pens van ruim honderd liter, waarin doorlopend zeker zestig liter water staat.’

‘Een koe weegt vijfhonderd kilo. Als het er alleen om ging een kalf groot te brengen had ze aan duizend liter melk genoeg. Maar dat kalf wordt van haar afgenomen. Het wordt een kalfje in haar hoofd dat uitgroeit tot een obsederend melk verslindend monster. Het schreeuwt gewoon om melk, daar in haar hoofd, en zij gehoorzaamt maar. Zo levert nu een koe wel zevenduizend liter per jaar, tien maal haar eigen lichaamsgewicht.’

‘En natuurlijk wordt er wel eens eentje afgedankt. Die bindt hij na het avondmelken aan de tractor vast. Hij zet haar voor het laatst op stal; hij stopt haar nog wat lekkers toe en klopt haar troostend op de hals. Ze komen altijd midden in de nacht, zo tussen één en vijf. Die koe gaat dan de wagen in, en weg. Maar, zegt Cees, ik heb er moeite mee hoor, een koe weg te doen. Ik hou er helemaal niet van. Het slachthuis, daar moet ik niks van hebben.’ En kijk, daar worden zelfs gedichten over geschreven..

Veel mensen worden door koeien ontroerd. Laatst, toen ik ergens had voorgelezen, was er een man die haast wanhopig zei: ‘Ik krijg zo af en toe de tranen in mijn ogen van een koe, weet u misschien waarom? Dat wist ik niet. Merkwaardig woord, ontroeren. Net of iets zich roert. Of dat het roer je wordt ontnomen, maar dat komt me meer gevaarlijk dan ontroerend voor. Maar nee, dit is niet het ont van ontkennen, maar van ontstaan, ontsteken, ‘beginnen’ te roeren.

‘Wat betreft de scheiding van koe en kalf onmiddellijk na de geboorte. Zonneklaar: daarmee frustreer je zowel koe als kalf in hun behoeften. Toch wordt deze praktijk algemeen aanvaard. Je kunt dat niet verwerpen zonder de hele melkveehouderij te verwerpen.’

Koeikoeikoei’ roep ik die door Koos beschreven boer achterna. ‘Dan kijken ook de verste beesten op. Ze staken allemaal het kauwen. Ze komen op ons toe, benieuwd wat de bedoeling is…’ Wat wil de koe? Hoe dan ook, het blijft een boek om te redden uit de brand. Geen enkele daarin beschreven koe mag naar het slachthuis van de vergetelheid worden afgevoerd, zonder eerst nog geknuffeld te worden.

Wordt vervolgd.

DEAR MR. PRESIDENT

Uit het goede ‘oud’ gesneden, in de bloei van uw slijtage, maar de ziel kent geen ouderdom? Niettemin, wat betreft verlies aan decorum, alleszins een genadeloze plundering in de krantencommentaren.

Echter, u lijkt het ook wel hardnekkig te laten gebeuren. Ten voeten uit met stramme benen, de glibberige geschiedenis in? Voornaamheid is altijd uw handelsmerk geweest, en dat weet u sowieso nog altijd in ‘stand’ te houden, dankzij een aantal grijpgrage leuningen. Maar toch.

Broos & sterk tegelijk doet u me aan mijn geliefde vader denken, via die prachtig beschreven bedenkingen van Filosofe Alicja Gescinska, over u en uw inmiddels zo fel besproken ouderdom, onder de prachtige titel:

DE ONTBLOESEMING VAN JOE BIDEN

Loof & prijs Alicja Gescinska, Warme Joe, en kruip onder haar fluwelen woorden als onder een dekentje voor de kou. Ze heeft overigens prachtige ogen, en ze schrijft met een gouden pen. Laat u koesteren door wat ze over u zegt. Meer dan genoeg voor de rest van uw dagen. Omwikkel uw waardigheid met haar omhelzende woorden, en laat het alzo glinsterend zijn afgerond. Want wat een bemoedigend betoog.

Ver weg van al die neerhalende commentaren die als zure regen uw blazoen aantasten. Don’t let the old man in? Ik blijf, net als Alicja Gescinska, begrip hebben voor uw dappere poging om te volharden, maar er is altijd ook nog de alles overtreffende trap daarvan.

Alicja Gescinska is schrijfster en filosofe aan de Universiteit van Buckingham. Ze is ook voorzitter van PEN Vlaanderen en VUB Fellow. Zij breekt een lans voor ouderen in het algemeen en Joe Biden in het bijzonder.

DE ONTBLOESEMING VAN JOE BIDEN: IN ZIJN ‘NEERWAARTS GROEIEN’ TOONT HIJ ZICH NOG ALTIJD VER BOVEN TRUMP.

Over de leeftijd en fysieke paraatheid van Joe Biden is zowat alles al gezegd, behalve wat er goed aan is. Natuurlijk is er geen ontkennen aan: Bidens lichaam én geest laten het steeds duidelijker afweten. Wie beweert dat leeftijd slechts een ingesteldheid is, moet maar eens proberen te huppelen met versleten heupen. Niemand ontkomt aan de wetten van de tijd, zelfs de president van de VS niet. Het leven is een slijtageslag, de jaren eisen hun tol, en in de politiek zelfs nog wat meer dan elders. Politiek is een vreselijk vermoeiende, veeleisende stiel. Maar maakt dat Biden unfit for duty?

In de discussie over Bidens gestel richten media en tegenstanders het vizier al te zeer op het verkeerde doel. De discussie gaat te veel over Biden zelf, en te weinig over wat er van een president verwacht kan worden, én over de plaats en zichtbaarheid van (hoog)bejaarden in onze samenleving. Het is uiteraard een terechte vraag: is Biden nog fit genoeg om president te zijn? Voor een antwoord moeten we niet enkel naar Biden zelf kijken, maar ook naar wat een presidentschap precies inhoudt.

Een presidentschap wordt niet door een president ingevuld, maar door een hele entourage. De mythe van de Amerikaanse president als ‘machtigste man op aarde’ is al langer doorprikt, onder andere dankzij Bidens opponent: Trump. Trump zat als president vaker op een golfterrein en op Twitter dan in zijn Oval Office. Ondertussen waren het de mensen achter en rond hem die het presidentschap min of meer draaiende hielden.

Met Biden is het niet anders. In de campagne zou Biden er goed aan doen om dat open en bloot te erkennen, en zichzelf niet als individu, maar als ploeg te profileren. Hij moet de Amerikanen er niet krampachtig van proberen te overtuigen dat hij het allemaal zelf nog wel kan: hij moet de sterkte van zijn team benadrukken. Kamala Harris moet daarbij meer zijn dan de al te onzichtbare sidekick die ze als vicepresident tot nu toe is geweest. Biden moet de rol opnemen van goedwillende grandpa Joe, wiens moreel kompas ondanks alles nog altijd intact is.

Ook zouden we ons moeten afvragen wat de plaats is van (hoog)bejaarde mensen in onze samenleving en in de politiek. Ronduit ergerlijk zijn de vele filmpjes die op sociale media circuleren en waarin de spot wordt gedreven met verbale onhandigheden en lichamelijk gestuntel van Biden. Eindeloos veel zieliger dan oude mensen zijn zij die met oude mensen lachen.

Als ik een persoonlijke ontboezeming mag doen: ik heb een zwak voor oude mensen. Ouderdom heeft voor mij – al dan niet terecht – een uitgesproken positieve connotatie. Ik kan er zelf haast reikhalzend naar uitkijken om op een dag een oude dag te hebben, en zie vooral veel schoonheid in ouderdom en oude mensen. Maar onze samenleving is geobsedeerd met jeugdigheid en vitaliteit, alle tekenen van veroudering proberen we krampachtig te verdoezelen. Ouderdom zien we onterecht als een chronische ziekte, en ouderen verstoppen we al te zeer en al te snel in een marge van de samenleving.

Biden daarentegen geeft hen niet enkel een gelaat, hij plaatst hen op het grootste podium van de wereldpolitiek. Dat op zich is al een goede reden om niet uit de presidentiële race te stappen: hij toont dat ouderdom tegen een prijs komt, maar ook zijn prijs waard kan zijn. Oud worden kan erg lijken, maar niet oud worden is nog veel erger.

De Britse neuroloog, filosoof en dichter Raymond Tallis omschreef ouderdom ooit als een ‘ontbloeseming’. Tallis weet waarover hij spreekt: hij is als arts gespecialiseerd in de geriatrie, en heeft zelf inmiddels een gezegende leeftijd bereikt, waarbij hij boeken blijft schrijven, en de wereld blijft rondreizen om lezingen te geven. Uiteraard gaat dat allemaal stroever dan vroeger, maar oud worden is ‘neerwaarts groeien’, zo schrijft hij in een van zijn gedichten.In zijn ‘neerwaarts groeien’ toont Biden zich nog altijd ver verheven boven Trump.

Uiteindelijk is de keuze voor de Amerikanen duidelijk: de keuze tussen iemand die de leider van de free world ambieert te zijn of iemand die de leider van de fact-free world wil zijn. Door het voortdurend over Bidens geworstel met woorden, zinnen en gedachten te hebben, bleef het belangrijkste aspect van het debat tussen Biden en Trump onderbelicht: Trump reeg zoals gebruikelijk de leugens en onwaarheden aan elkaar. Biden kwam niet altijd uit zijn woorden en dat baarde zorgen. Trump kwam wel uit zijn woorden, en die woorden zouden ons nog veel grotere zorgen moeten baren.

Collumn De Morgen.

ACH, JONGEN OP HET DAK..

Jawel, ach jongen op het dak.
De kroniek van jouw aangekondigde dood heeft meer (juiste) woorden
nodig dan er momenteel aan worden besteed, durf ik te denken.
Meer dan de opgewonden verklaring: “Zijn hoofd is uit elkaar gespat.”

Meneer De Vuist kan je alleen maar dankbaar zijn.
Hij die zelf de wereld heeft toegeschreeuwd, dat hij ‘iemand kan neerschieten, zonder daar stemmen mee te verliezen‘. Maar zoals altijd weet hij, ook nu weer, de rollen handig om te draaien.

Het bloed ‘kroop’ meteen waar het niet kon gaan:
‘gutsend’ ware sowieso indrukwekkender geweest.
Nu leek hij slechts een vergezochte piercing te hebben ondergaan.
Zijn omhoog gestoken vuist als een dreigende granaat in de lucht.

Maar wat moeten jongeren van twintig in godsnaam ook denken
van al die ondraaglijke schouwtonelen om hen heen?
Geen enkele letter van de wet wist & weet die ‘gevuiste geviseerde’
ook maar één stap terug te dringen. Dat zegeviert er maar op los.

Terwijl dat hoe dan ook al lang gestopt had moeten zijn.
‘Schuldig verzuim’ is een zeer ingewikkeld begrip, dat weet ik
ook zelf maar al te goed. Het juiste besef ervan moet werken
als de trillende naald op een deugdelijk kompas.

En wat heeft die naald te doen? Het eeuwige noorden aanwijzen,
dat ijkpunt waarop men blindelings moet kunnen vertrouwen.
Zo ook ons aller innerlijk kompas. Ach, jongen op het dak,
jij die de code brak: ik heb met je te doen.

God heeft het ondenkbare voorkomen?”
Dan had God dat al veel eerder moeten doen, net zoals ook die ‘zelfverklaarde god’ dat al lang had moeten overwegen.
Hoe radeloos moeten wij met z’n allen nog worden,
om ook niet alsnog op een dak te kruipen?

VAN DE REGEN & DE DRUP

Die dikke regen, dat roffelend geluid van die vette druppels.
Geen enkel woord is nat genoeg, om er die aanhoudende regen
mee te beschrijven. Deze ten top gedreven nattigheid, dat
sijpelend verlangen om binnen te dringen. Wolkbreuken & popcornbuien? Alleszins geen ‘buitjes voor het stof‘.

Slapen onder het plat dak, het plafond onheilspellend dichtbij.
Dat zenuwachtige getrommel van Gods vingers, als op een tafel
waaronder ik mij heb verstopt. Die nachtelijke zondvloed en
die ongevraagde ruitenwasser achter het donkere raam.
Dat hels gedruis, dat beangstigende carwashgevoel.

Het huis dat zich schrap zet tot in zijn diepste kieren.
Tegen dat kloppende water: ‘Laat mij erin! Laat mij erin!’
Dat striemende versus de mogelijke slijtage van buizen & fittingen.
Die pijpenstelen, die blaaskes, die strontnatte oude wijven?
Dat – noem het gerust bij naam – zompige depressieverschijnsel.

Dat ‘recht op huisdrop’ (het recht van afwatering op het erf
van de buurman toen er nog geen dakgoten waren) of
‘Singing in the rain‘? Vergeet het. Dat onhoudbare ‘ondeweer
doet volgens mij zelfs de hardnekkigste pluviofiel besluiten:
nu heb ik er ook genoeg van!

Dan maar eens driftig in de plassen gaan trappen?
Of zullen wij er alsnog ‘a rainy day coffee shop ambience’ van maken…