En weer zal zij
haar sterren strooien,
vanuit haar lichtend
voortbestaan,
alzo blijft zij
zichzelf voltooien,
zij strooide reeds van
meet af aan
haar sterrenstof
tot in de plooien,
van ’t leven dat is
voort gegaan.
Mocht wat-niet-kan min niet
ons iets van harte gunnen,
mocht dat, plots in ‘t verschiet,
tegen een stootje kunnen,
plus minus meer dan ooit
het desondankse willen,
in weerwil van de nooit
verzoenbare verschillen,
mocht dat, tot hier geschopt,
gezoet dus ongezouten
een uitkomst zijn die klopt,
ondanks de som der fouten,
tot spijt van wie ’t benijdt,
dat ware iets bijzonder:
bleek ik in tegenstrijd
dan toch een rekenwonder.
Ach, dat schuwe zesjarige kind in mij, ik heb er nog altijd mee te doen als ik niet kan slapen: hoe de duivel zijn eindeloze rondjes heeft gelopen in de donkerte rondom ons bed. In de hoop wellicht dat wij doodzonden hadden gedaan & desgewenst de stuipen zouden krijgen. Ons bed hadden we duidelijk van god gekregen, want daar dorste de duivel blijkbaar niet aan of in te komen, dus daar waren we veilig, daar viel niet aan te tornen.
Echter, we zouden het niet gedurfd hebben een vinger of zelfs maar een klein teentje buiten het bed te steken. Daar hadden wij een fataal gedacht over, mijn zusje & ik, dus vermits we nog altijd leven, is dat bijgevolg ook nooit gebeurd. De duivel moet er vast hoefpijn van hebben gekregen, van al dat nutteloos rond gesluip in onze kamer.
Alhoewel, er moeten een paar weken geweest zijn van godverdomd duivels genoegen, want jawel hoor, vroeg of laat begin je dan ineens toch naar sulfer te ruiken en naar innerlijke brandwonden: ik had een doodzonde begaan, wat een gruwelijk geheim!
Ik had namelijk, voor we naar de mis gingen, een kruimeltje brood van de reeds gedekte tafel gepakt & opgegeten. Toen mijn moeder ons allemaal voor zich uit ter communie joeg, heeft ze mij ongeweten meteen ook mijn eerste doodzonde ingejaagd. Die godverdomde kruimel veranderde op slag geheel mijn kinderleven: ik zou kunnen sterven nog voor ik dat had kunnen gaan biechten! Een doodzonde, de mensen moesten het weten…
Drie keer opnieuw vooraleer ik die kruimel verteerd kreeg, drie keer opnieuw dat bange wachten op vergeving en dus wekenlang onder de doem van doodzonde moeten leven.
Omdat het zich allemaal zonder veel ophef had voltrokken, blééf ik onzeker van de definitieve vergeving. En dat is niet mijn laatste keer geweest, het is zelfs voor herhaling vatbaar gebleken: door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn overgrote schuld.
Wàt denk ik hier rond te strooien,
schilfertjes melancholie?
Spikkels van de Trut van Troje,
of Poeder van Sympathie?
Duizend snippers metaforen,
vermalen mooipraterij?
Klom ik op mijn pulvertoren,
schoot ik weer mijn doel voorbij?
Korreltjes versneeuwde tranen,
ijzig verhàgeld verdriet?
De verhakkelde membranen
van een uitgezongen lied?
Pulver dat er voor kan zorgen,
dat geen haan er nog naar kraait?
Stukjes daglicht die vanmorgen
uit de bomen zijn gewaaid?
Niets om nog van op te kijken,
woordstof dat is losgeraakt?
Vrije val of te ontwijken,
zie maar wat je er van maakt.
Ga niet naar het bos,
in het bos is het bos.
Wie naar het bos gaat
en bomen zoekt, die wordt
in het bos niet meer gezocht.
Wees niet bevreesd,
de vrees ruikt naar vrees.
Wie naar vrees ruikt,
die ruiken helden,
die als helden ruiken.
Drink niet uit het meer,
het meer smaakt naar meer.
Wie uit het meer drinkt
heeft voortaan
nog slechts zin in zee.
Bouw voor jezelf geen huis,
want anders ben je thuis.
Wie thuis is,
die wacht op laat bezoek
en doet de deur open.
Schrijf geen brief,
de brief gaat naar het archief.
Wie de brief schrijft
onderschrijft wat van hem
ooit nog overblijft.
GUNTER GRASS
Uit: Lyrische Beute,
vertaling Jan Gielkens.
°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°
Günter Wilhelm Grass was een Duitse schrijver en beeldend kunstenaar van Duits-Kasjoebische afkomst. In 1999 ontving hij de Nobelprijs voor Literatuur. Hij schreef gedichten, toneelstukken & romans, zoals o.a. De blikken trommel en ontwikkelde zich tot één van de bekendste schrijvers van Duitsland / 1927-2015.
Blijf verwonderd?
Zomaar op een dag stond ik ineens
-en inderdaad als bij wonder-
met die witte dichtbundel van hem in mijn handen.
Maar deze keer ben ik alleszins niet van een kale reis thuis gekomen.
Ik-zoek-niet-ik-vind, zelfs dàt niet: zijn bundel vond mij en zuchtte:
‘Eindelijk..’
Op zoek naar de verloren tijd had op slag geen zin meer,
want die heb ik inmiddels moeite- & ademloos weten in te halen
door zijn -inmiddels geacht te zijn bewezen ‘onvolprezen’-
verzen te lezen.
Wat ze niet wil
Ik wil geen dichter, zegt ze.
Geen vent die op zijn tenen
het bed uit sluipt
om met de taal te paren.
Ik wil een man die de kou te lijf gaat
met zijn blote handen.
In wie de zomer opgaat als een zon
en die wortelt in het najaar
als een eik met brede takken.
Ik wil een man
die naar de poolnacht reist
op een hengst van licht
en bij zijn thuiskomst het donker
aan mijn voeten legt.
°°°°°°°°°°
Eérst Napels zien en dan sterven, versus éérst Steyaert lezen en dan blind worden?
Waarom hangen zijn prachtige verzen niet als wapperende vanen in de bomen? Nooit nog vergeet ik zijn dichterlijke naam, want niet alleen voor wie hij lief heeft zal hij heten, maar volgens mij ook voor iédereen die hem te lezen krijgt.
De plek
De wind richt de wand op.
Uit de wolken regent het dak.
De verte vordert het raam.
Binnen en buiten betwisten de deur.
De drempel beslist over vreemde
en gast. De tak warmt met vuur
de plek waar het lichaam
zich voedt en ontlast.
Hier wonen we, doorzichtig
als licht bij dag. We kijken door muren
als door glas. We spreken
in klare, sobere taal:
bed voor bed, brood voor brood.
De rest heeft de klank van lucht:
het hijgen in mijn oor wanneer ze komt,
de adem van ons kind terwijl het slaapt.
Alles krijgen hand en blik gezegd.
Het is hier stil. Zo stil
dat je de damp van de koffie hoort
stijgen langs de trap.
Wat op de binnenflap van zijn bundel te lezen staat is dus zowel ongewoon sprankelend als buitengewoon waar: ‘Een man duizelt zich naar boven en mislukt in onweer en hagel, het blauw donkert op uit het wit van de zon. De vader, de zoon, de vrouw, de moeder: in een teer universum dragen lichamen hun verhaal en zoeken ze als de voering van een jas verbinding. Niet om te doorgronden: om de kleine dingen als zand op de top van een vinger te leggen en de adem in te houden’.
Stond daar onlangs op een morgen in de Standaard der letteren die quasi nietszeggende ‘verzuchting’ van Brusselmans’ vaderlijk leven, full-page afgedrukt op een verder totaal lege bladzijde. In een poging om ons gemoed een gevleugeld weekend te bezorgen? Het kon hoogstens dienen voor boekhandel De Zondvloed, om er boeken (is het voor een geschenk?) mee in te pakken op zogenaamd ‘vindingrijke’ wijze. Kortom: alle verhoudingen waren -weer maar eens- zoek en/of ziek.
TER INFO
ERWIN STEYAERT (Brugge, 1959), licentiaat Klassieke Filologie en Filosofie (Gent/Leuven), publiceerde o.a. in Poëziekrant en Het Liegend Konijn en wond diverse poëzieprijzen zoals die van Oostende en Harelbeke, de poëzieprijs Gerolfwal, de Guido Wulmsprijs van de stad Sint-Truiden en de Melopee Poëzieprijs.
Als lid van de dichtersgroep PAZZI DI PAROLE werkte hij mee aan de ‘stilte’-bloemlezing ‘EEN KIER IN HET RUMOER’ (Uitgeverij P, 2015). ALLEEN VAN KALE REIZEN KOM JE THUIS is zijn debuut.
Pazzi di Parole( woordgekken?) is een dichtersgroep met vier leden en een gezamenlijk doel: toegankelijke poëzie schrijven en verspreiden. De Pazzi komen regelmatig samen om gedichten te maken en elkaar feedback te geven. Ze komen ook met hun werk naar buiten: samen en apart, op podium en op papier. Alle Pazzi staan met beide voeten in de realiteit, en dat sijpelt regelmatig door in hun poëzie en hun engagementen. Wie hun verhaal wil volgen kan een kijkje nemen op pazzidiparole.com. Pazzi di Parole zijn Daniel Billiet, Erwin Steyaert, Hilde Van Cauteren & Ann Van Dessel.
Geachte dieren,
Koester geen wensen en helemaal geen liefste. Als ze in vervulling gaan, zijn het geen wensen meer en worden het onvrede, onrust en onbehagen. Echte wensen gaan niet in vervulling. Ze knagen, doen pijn, trekken veren uit, ontvellen, schuren en worden nooit vervuld. Ik kan het weten.
De uil legde zijn pen neer. Waarom kan ik het eigenlijk weten? dacht hij.
Toch wist hij dat het zo was. Hij had talloze wensen gehad, waaronder ook uitzonderlijke en liefste. Een aantal was in vervulling gegaan. Maar de pijn die hij had gevoeld was nooit minder geworden en zijn verwachtingen waren elke keer opnieuw veranderd in onvrede, onrust en onbehagen. Zou dat altijd zo zijn, dacht hij, voor iedereen? Ja, dacht hij, voor iedereen. Hij schreef verder:
Ik heb geen wensen meer. Jullie moeten ze ook niet meer hebben. Dat hoop ik vurig. Opnieuw legde hij z’n pen neer.
En wat is dàt dan, dacht hij, die vurige hoop? Is dat geen wens? Hij raakte in een hevige tweestrijd en midden in de nacht vloog hij naar buiten en zweefde hoog boven het bos in cirkels rond. Onder hem sliepen de dieren, dat wist hij. Het was daar stil. Boven hem flonkerden de sterren. Niets wensen, dacht hij, dat is het moeilijkste wat er is. Hij wist dat hij dat niet kon. Toen de zon opkwam vloog hij terug naar huis en verscheurde de brief.
TOON TELLEGEN
Of hoe hij in alle Toon-aarden op hemelse wijze verbonden blijft met de aarde, waarop hij goddank één der onzen is. Als een absolute One & Only. Elk liedje dat hij zingt is van een verrassende Toon-zuiverheid.
Wie op zijn Toon-ladder klimt hoeft niet bang te zijn voor hoogtevrees. Al vanop de onderste spurt vertoef je in zijn bovenwolkse wereld. En het lijkt wel alsof de Nederlandse schilder/schrijver Jacobus van Looy honderd jaar geleden al over hem schreef: ‘Alles scheen Toon-iger nog onder de gouden manteltjes der vlammen..’
Elk woord van Toon Tellegen draagt inderdaad zo’n vlammend manteltje. Voor mijn part mocht hij de Schepper zijn geweest van de wereld. Geen god, geen appel & geen slang. Zijn boom van goed & kwaad hangt vol onverboden vruchten.
Ik hoor alle boekhandels & bibliotheken onophoudelijk fluisteren: ‘Blijf goed op uw Telle(ge)n passen en zijn tellurische krachten zullen u nooit meer verlaten.’
Zijn initialen-tweeling T.T lijkt zowaar op een soort Arc de Triomphe. Toonaangevend & volkomen terecht.
°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°
DE SCHRIJVER DIE STEEDS MEER OP DE EGEL GAAT LIJKEN
Schrijver en dichter Toon Tellegen is vooral beroemd om zijn verhalen met dieren. De avonturen van de eekhoorn of de mier. De afgelopen tien jaar vereenzelvigt hij zich steeds meer met de egel, vertelt hij aan FRITS SPITS in DE TAALSTAAT, KRO/NCRV OP RADIO 1
Hoewel hij het naar eigen zeggen probeert te vermijden, heeft Tellegen de laatste tijd steeds meer sympathie voor de egel gekregen. “Hij woont in een huisje en zit daar te tobben, maar is eigenlijk best tevreden.” De egel wil eigenlijk wél bezoek krijgen, maar eigenlijk ook liever niet. “Niets maakt hem tevredener dan met één iemand een kopje thee te drinken en dat die dan ook weer weggaat.”
NIEMAND HEEFT DE MACHT
Tellegen creëert in boeken zoals De eenzaamheid van de egel uit 2006 een wereld waarin ieder dier even groot is. “Het is een hele duidelijke wereld. Ze leven naast elkaar, geen hiërarchie en niemand heeft de macht.” Hij vindt het gemakkelijker om over dieren te schrijven dan over mensen, hoewel de dieren menselijke eigenschappen hebben. “Aan de eekhoorn hoef ik niets toe te voegen. Ik hoef niet uit te leggen hoe hij verschilt van de andere dieren.” Van elk dier in de verhalen van Tellegen, is er daarom ook maar ééntje.
IMPROVISATIES ZOALS JAZZMUZIEK
De bijna tachtigjarige Tellegen, die naast schrijver ook arts is, begon met het vertellen van dierenverhalen aan zijn dochter. Hij verzon ze ter plekke, op de bedrand. “Zij koos het onderwerp en zij koos de eekhoorn.” Tellegen noemt zijn schrijfsels ‘improvisaties’ en kan zich wel in de vergelijking met jazzmuziek vinden, waarbij je ook vaak improvisaties hoort op een thema. In 1984 verscheen zijn eerste kinderboek maar hij schrijft ook poëzie en proza voor volwassenen. Hij won verschillende prijzen. Zijn verhalen zijn vaak filosofisch, maar dat is niet vooropgezet, aldus Tellegen. “Daar denk ik niet over na, maar als dat zo is, dan is dat een aardig gevolg.”

De fascinerende betekenis ervan
ontdekt in de Japanse film ‘Departures’.
Ze liggen er nooit zomaar voor het oprapen,
ze moeten zorgvuldig worden gezocht,
en verrukking opwekken bij het vinden:
jaren lang geschuurd & bijgeschaafd
door een blauwe rivier in de Haute-Provence.
Weggerold uit de tijd toen de mensen
nog niet konden lezen & schrijven,
maar omdat ze niet woordeloos wilden blijven:
naar stenen gezocht die ervoor gemaakt leken
om in iemands handpalmen te worden gelegd.
Geen nood aan woorden, aan pen of papier,
alleen maar dat uiterst intieme gebaar,
ik leg het zachtste van mijn ziel in uw handen:
het ‘onuitsprekelijke’ dat maar alleen
gezegd kan worden in een ‘brief van steen’.
Op scherp, de katapult,
in zelvigheid gehuld?
Aldus, heeft men besloten
‘terecht teruggefloten’.
Die kerf in het gemoed,
wekt Trivial Persuit?
In eigen wiek geschoten,
veel hartebloed vergoten.
Die huiken naar de wind,
men zoekt niet maar men vindt?
In wezen onverdroten
op zoek naar zielsgenoten.
Hun gaven opgesomd,
hun licht dat binnenkomt?
Om ’t samen, vastbesloten,
iets minder te verkloten.
Ein-de-lijk is daar die zomer, en zowaar geen dag te vroeg?
Maar god, wat een binnenkomer, geen jurk nog luchtig genoeg.
’t Lengend licht al haast verkorven, hitte, gisting, brandewijn:
al ben ik nog niet gestorven, ‘laat de luiken geloken zijn‘.
Glimwormpjes durven niet gloeien, tortelvleugels vatten vuur,
de liguster kan niet bloeien in zo’n droogte-dictatuur.
Zelfs de gaatjes in mijn oren zijn verkleefd of dichtgegroeid,
Flikketeer, het ochtendgloren laat jou, goddank, ongemoeid.
Sorry, nachtelijke schapen, voor die nummers op je vacht,
’t blijft bij geeuwen & bij gapen, ’t wordt een slapeloze nacht.
Taal & tekens die verzuren, in de wereldwijde mond,
heet de adem, heet de vuren, niet te doven lang, de lont.
Sinds de winter is vergangen zoek ik naar Teer Guichelheil?
Stuit in godsnaam elk verlangen naar ’t geweld van Amor’s pijl.
Doch besteld op hoop van zegen in dit hete hier & nu,
voor die kwikzilveren regen: deze gouden paraplu!
‘En zonder vuur geen vlam’ lees ik boven een bijdrage over BBQ-wijnen. Dat zou tijdens deze Pinksterdagen dagen net zo goed in een kerkportaal kunnen hangen. Veni, Creator Spiritus: kom, Scheppende Geest. Kom tot ons, als wind die waait in vlagen, of als een duif met een groene tak in de bek. Verlos ons van de après-nous-le-déluge-gedachte. Kom, en zet ons denken nog eens in vuur & vlam. Het zijn sowieso goede geesten, die terugkeren.
Veni, Creator Spiritus, de wereld heeft meer dan ooit nood aan ‘verlichte geesten’. Maar inderdaad, zonder vonk geen vuur. Moge het daarom waar wezen, dat ‘les beaux esprits se rencontrent, toujours suivi d’étincelant: door fonkeling gevolgd dus, zwervend door de straten,’ zoals Gustave Flaubert de ‘verlichte geest’ ooit zo sprankelend heeft beschreven.
Hoe is het ooit ook alweer begonnen? ‘De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de Geest van God zweefde over de wateren…’ Dat lijkt heden ten dage wel de beschrijving van een vernielde stad in Oekraïne. Veni creator Spiritus: help ons, troost ons!
‘Die mij droeg
op adelaarsvleugels
die mij hebt geworpen
in de ruimte
en als ik krijsend viel
mij ondervangen
met uw wieken
en weer opgegooid
totdat ik vliegen kon
op eigen kracht’.
(Huub Oosterhuis)
Rondneuzend in woorden, lees ik hoe ook Horatius dat reeds aanhaalde: ‘Tot de vleugels groter zijn geworden dan het nest‘. Ja, inderdaad, ik heb er het boeiende boek ‘RONDNEUZEN IN WOORDEN’ van Bart Mesotten bijgehaald (tweede reeks etymologische verkenningen). Een waarlijk kostbaar bezit, dat in tien groepen is opgesteld, en waarvan de vierde groep handelt ‘over alles wat des geestes is‘. Met daarin ook deze wijsgerig-theologische opvatting van Pierre Teilhard de Chardin: ‘In haar gewriemel van zielen, die elk op zich een Wereld in het klein is, vormt de mensheid de aanzet van de superieure geest.’
In 4 letters: adem, elan, moed, vuur. In 5 letters: animo, gloed, verve, drive.
In 6: impuls, In 7: neiging, In 8: aandrift. In 9: inblazing, in 10: geestdrift,
in 11: bezieldheid, in 12: gedrevenheid.
Dit kleine ventje heeft het allemaal nog vanzelf in zich, het heeft er nog geen letters & woorden voor nodig, het is één & al geestdriftige verwondering. Moge het zo blijven!
Gesuikerde tongen, gepeperde harten, je weet de weg en je kent de spraak? Ten slotte is er nog dat toepasselijk Chinese spreekwoord: ‘Men heeft zijn verstand nooit zo nodig als wanneer men met een domkop te doen heeft’. Goede verstaanders weten best wel waarom.