IN LEVENDE LIJVE

Ooit schreef ik hem:
‘Als ik een taxi was, dan reed ik met jou naar Eigenhart,
naar je eigen binnenwereld, tot in de diepste punt helemaal onderaan,
langs al die kleine wegeltjes daar, die nog nooit in kaart zijn gebracht.

Dan voerde ik jou naar je eigen innerlijke Grand Canyon
en naar al die wonderlijke plekjes waar jij zelf nog nooit bent geweest.
En dan zou ik tegen je zeggen:
“Voilà, hier zou je eens wat méér moeten komen…”

Als ik een taxi was, maar dat bén ik niet.
Ik ben slechts de lopende teller waarvan het cijfer wordt betwist
.’

Wat is er met die woorden toen gebeurd? Ze zijn wellicht in hun voorwaardelijke zin blijven steken. Onder de noemer: ze wilden wel, maar ze konden niet. Tot hun spijt.

Maar zelfs uitgerekend Madame de Sévigné, die als schrijfster bekend werd door haar brieven, die onmiskenbaar tot de klassieken van de Franse literatuur worden gerekend, heeft ooit verklaard: ‘Eén uur conversatie is beter dan vijftig brieven’.

En dat mocht ik gisteren, 13 jaar later, ook zélf nog eens ondervinden: ‘In levende lijve’ daar kan niets, maar dan ook niets tegenop. Gesproken woorden hebben zoveel meer zeggingskracht: ze krijgen niet alleen geluid mee, ze komen niet alleen uit een mond, ze lijken veeleer uit de ogen te komen. Voor ieder woord een andere blik. En wat ze ook te vertellen hebben: daar zit een mens, daar klopt een hart, daar loopt een gemoed over van levensdrift, als een fles Prosecco waarmee heftig is geschud.

Ondanks de kommer & de kwel, ondanks het verhaal dat soms naar adem snakte: in levende lijve is het zoveel intenser dan via het schrijfbedrijf. Daar smelten geschreven woorden bij weg als sneeuw voor de zon, nog voor ze gelezen zijn. Geen inkt maar rode wijn, kom laat ons vrolijk zijn. Ik heb eens gelezen dat er bij elk gesprek nieuwe hersenverbindingen worden gemaakt, en dat zou mij alleszins niet verwonderen.

Hij draaide zich nog eens om. Niet in mijn verbeelding, niet in mijn droom, maar in levende lijve. Zonder echt te verdwijnen. Het maakte die andere sprankelende uitspraak van Madame de Markiezin feilloos waar: “Het hart heeft geen rimpels, het is altijd jong.” Precies het gevoel, waarmee ik daarna weer huiswaarts ben gekeerd.

TUSSEN ZON & MAAN

Maanrock in Mechelen?
De weergoden steggelen!

En duidelijk niet om een niemendalletje:
de wolken losten van alteratie plots allemaal
tegelijk hun hoognodige plas hemelwater
boven het meteen pisnatte Mechelen.


Een regen van welzijn? Niet voor de Maanrockers helaas!
Gelukkig was mijn eigen beslissing reeds genomen:
ik zou vandaag niet buiten komen.

Ik mocht dus alweer mijn zegeningen tellen:
dat ik droog kon blijven onder zoveel stromend water
alsof ook het glas van de ramen er mee weg leek te drijven
.

De torteltjes in de tuin bleven niettemin roerloos
als prachtige versiersels op de Taxustakken zitten, alsof ze
van namaak waren en ik ze er zelf in had vastgemaakt.
Ik heb er mijn ‘lachduifjes’ alleszins om bewonderd,
en alweer in niet te beschrijven hoge mate.

Terecht dus weer een zak van 20 kg tortelvoer besteld.
In mijn volgend leven wil ik een tortelduif zijn in
onze eigen tuin, ook al is die dan inmiddels alweer van
iemand anders. In de vurige hoop echter, dat dat dan
onze eigen dochter of kleindochter mag zijn.

Inmiddels probeert de zon er ‘voor de frim’ alsnog
het beste van te maken, in een ultieme poging om
de Mechelse Maan nog even de torenhoge loef af te steken,
alvorens die straks -eveneens- weer zal worden geblust.

Ze hadden het maar Zonnerock moeten noemen!’
hoorde ik de miscontente zon mompelen.

WOORDWAFELS BAKKEN

Benodigdheden:
7 gr. mist, 500 gr. letterbloem, 175 gr. smakboter,
4 windeieren, 100 gr. heelalsuiker, 1/4 liter inkt,
een snuifje ratelzout.

°°°°°°°°°°°°°°

Breek de gevriesdroogde mist in wat inkt,
totdat er weer animo in parlevinkt.
Zorg dat de letterbloem goed wordt gezift,
daar anders de boter schabouwelijk schift.

Klop de vier windeieren krachtig dooreen,
ja dàt mag gerust even door ’t dolle heen.
Verwijder de komma’s alsook ieder punt,
gebruik extra gloeistof liefst niet onverdund.

Men houde zich ver van gebrul & gebral,
vermijd uilenbal maar ook augiasstal.
Voeg de heelalsuiker bij ’t ratelzout,
en meng het geheel alsof ’t is voorgekauwd
.

Men bakke het deeg in een vloek & een zucht,
tot heerlijke dampen van gebakken lucht.
Men ete de woordwafels ongegeneerd,
van goudgeel besmeerd, tot ze bruin zijn verteerd.

FIJNSTRAAL

Een Herderstasje, dacht mijn Medestander. Het stond daar ineens als een tenger wachtertje naast de voordeur, omhoog gekomen uit de smalle voeg tussen muur en stoeptegel. Zo dapper, dat ik het niet over mijn hart kon krijgen om het uit te trekken.

De mens heeft soms zulk een ondraaglijke overmacht: één ruk en afgelopen. Zonder er ook maar één seconde bij stil te staan, wat een wonderlijke opgang dat in feite is, al wat er uit die grond zomaar tevoorschijn komt. En wat een krachttoer dat is, wat zo’n plantje doet.

Enfin, het blijkt bij nader toezien geen Herderstasje, maar ‘Fijnstraal’ te zijn. Een overleverdje van jewelste. Afkomstig uit noord-Amerika, en vroeger al door de Navajo-indianen gebruikt tegen puisten & slangengif. In de lente & de zomer zijn de kleine madeliefachtige bloemetjes een voedselbron voor bestuivende insekten. De honderdduizende zaadpluisjes zijn zo licht, dat ze naar eindeloos ver kunnen uitzwermen.

Blijf verwonderd? Blijf jij daar maar rustig staan, Fijnstralig Wachterje, via je vernuftig penworteltje uit die o zo smalle groef vol droog zand omhoog gekomen: knap hoor!

Moja vieda

Moja Vieda, mijn gedachten
gaan uit van ‘veréénde’ krachten:
ieder antwoord, elke vraag,
grijpt mijn denken bij de kraag.

Alles tussen zien & horen
trekt niet te bespeuren sporen:
doch ze zingen bij mooi weer,
hier leg ik mijn zakdoek neer.

Of op zoek naar wat erbarmen,
met de ziel onder de armen:
hoe vertroostend als dan blijkt,
wij zijn op elkaar geijkt.

STERRENSTOF

En weer zal zij
haar sterren strooien,
vanuit haar lichtend
voortbestaan,

alzo blijft zij
zichzelf voltooien,
zij strooide reeds van
meet af aan

haar sterrenstof
tot in de plooien,
van ’t leven dat is
voort gegaan.

OPTELSOM

Mocht wat-niet-kan min niet
ons iets van harte gunnen,
mocht dat, plots in ‘t verschiet,
tegen een stootje kunnen,

plus minus meer dan ooit
het desondankse willen,
in weerwil van de nooit
verzoenbare verschillen,

mocht dat, tot hier geschopt,
gezoet dus ongezouten
een uitkomst zijn die klopt,
ondanks de som der fouten,

tot spijt van wie ’t benijdt,
dat ware iets bijzonder:
bleek ik in tegenstrijd
dan toch een rekenwonder.

VERLOS ONS VAN HET KWADE

Ach, dat schuwe zesjarige kind in mij, ik heb er nog altijd mee te doen als ik niet kan slapen: hoe de duivel zijn eindeloze rondjes heeft gelopen in de donkerte rondom ons bed. In de hoop wellicht dat wij doodzonden hadden gedaan & desgewenst de stuipen zouden krijgen. Ons bed hadden we duidelijk van god gekregen, want daar dorste de duivel blijkbaar niet aan of in te komen, dus daar waren we veilig, daar viel niet aan te tornen.

Echter, we zouden het niet gedurfd hebben een vinger of zelfs maar een klein teentje buiten het bed te steken. Daar hadden wij een fataal gedacht over, mijn zusje & ik, dus vermits we nog altijd leven, is dat bijgevolg ook nooit gebeurd. De duivel moet er vast hoefpijn van hebben gekregen, van al dat nutteloos rond gesluip in onze kamer.

Alhoewel, er moeten een paar weken geweest zijn van godverdomd duivels genoegen, want jawel hoor, vroeg of laat begin je dan ineens toch naar sulfer te ruiken en naar innerlijke brandwonden: ik had een doodzonde begaan, wat een gruwelijk geheim!

Ik had namelijk, voor we naar de mis gingen, een kruimeltje brood van de reeds gedekte tafel gepakt & opgegeten. Toen mijn moeder ons allemaal voor zich uit ter communie joeg, heeft ze mij ongeweten meteen ook mijn eerste doodzonde ingejaagd. Die godverdomde kruimel veranderde op slag geheel mijn kinderleven: ik zou kunnen sterven nog voor ik dat had kunnen gaan biechten! Een doodzonde, de mensen moesten het weten…

Drie keer opnieuw vooraleer ik die kruimel verteerd kreeg, drie keer opnieuw dat bange wachten op vergeving en dus wekenlang onder de doem van doodzonde moeten leven.


Omdat het zich allemaal zonder veel ophef had voltrokken, blééf ik onzeker van de definitieve vergeving. En dat is niet mijn laatste keer geweest, het is zelfs voor herhaling vatbaar gebleken: door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn overgrote schuld.

PULVER

Wàt denk ik hier rond te strooien,
schilfertjes melancholie?
Spikkels van de Trut van Troje,
of Poeder van Sympathie?

Duizend snippers metaforen,
vermalen mooipraterij?
Klom ik op mijn pulvertoren,
schoot ik weer mijn doel voorbij?

Korreltjes versneeuwde tranen,
ijzig verhàgeld verdriet?
De verhakkelde membranen
van een uitgezongen lied?

Pulver dat er voor kan zorgen,
dat geen haan er nog naar kraait?
Stukjes daglicht die vanmorgen
uit de bomen zijn gewaaid?

Niets om nog van op te kijken,
woordstof dat is losgeraakt?
Vrije val of te ontwijken,
zie maar wat je er van maakt
.

DRAAI JE NIET OM

Ga niet naar het bos,
in het bos is het bos.
Wie naar het bos gaat
en bomen zoekt, die wordt
in het bos niet meer gezocht.

Wees niet bevreesd,
de vrees ruikt naar vrees.
Wie naar vrees ruikt,
die ruiken helden,
die als helden ruiken.

Drink niet uit het meer,
het meer smaakt naar meer.
Wie uit het meer drinkt
heeft voortaan
nog slechts zin in zee.

Bouw voor jezelf geen huis,
want anders ben je thuis.
Wie thuis is,
die wacht op laat bezoek
en doet de deur open.

Schrijf geen brief,
de brief gaat naar het archief.
Wie de brief schrijft
onderschrijft wat van hem
ooit nog overblijft.

GUNTER GRASS

Uit: Lyrische Beute,
vertaling Jan Gielkens.

°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°

Günter Wilhelm Grass was een Duitse schrijver en beeldend kunstenaar van Duits-Kasjoebische afkomst. In 1999 ontving hij de Nobelprijs voor Literatuur. Hij schreef gedichten, toneelstukken & romans, zoals o.a. De blikken trommel en ontwikkelde zich tot één van de bekendste schrijvers van Duitsland / 1927-2015.

DICHTER BIJ DICHTER ERWIN STEYAERT

Blijf verwonderd?
Zomaar op een dag stond ik ineens
-en inderdaad als bij wonder-
met die witte dichtbundel van hem in mijn handen
.

Maar deze keer ben ik alleszins niet van een kale reis thuis gekomen.
Ik-zoek-niet-ik-vind, zelfs dàt niet: zijn bundel vond mij en zuchtte:
‘Eindelijk..’

Op zoek naar de verloren tijd had op slag geen zin meer,
want die heb ik inmiddels moeite- & ademloos weten in te halen
door zijn -inmiddels geacht te zijn bewezen ‘onvolprezen’-
verzen te lezen.

Wat ze niet wil

Ik wil geen dichter, zegt ze.
Geen vent die op zijn tenen
het bed uit sluipt
om met de taal te paren.

Ik wil een man die de kou te lijf gaat
met zijn blote handen.
In wie de zomer opgaat als een zon
en die wortelt in het najaar

als een eik met brede takken.
Ik wil een man
die naar de poolnacht reist
op een hengst van licht

en bij zijn thuiskomst het donker
aan mijn voeten legt.

°°°°°°°°°°


Eérst Napels zien en dan sterven, versus éérst Steyaert lezen en dan blind worden?
Waarom hangen zijn prachtige verzen niet als wapperende vanen in de bomen? Nooit nog vergeet ik zijn dichterlijke naam, want niet alleen voor wie hij lief heeft zal hij heten, maar volgens mij ook voor iédereen die hem te lezen krijgt.

De plek

De wind richt de wand op.
Uit de wolken regent het dak.
De verte vordert het raam.
Binnen en buiten betwisten de deur.

De drempel beslist over vreemde
en gast. De tak warmt met vuur
de plek waar het lichaam
zich voedt en ontlast.

Hier wonen we, doorzichtig
als licht bij dag. We kijken door muren
als door glas. We spreken
in klare, sobere taal:

bed voor bed, brood voor brood.
De rest heeft de klank van lucht:
het hijgen in mijn oor wanneer ze komt,
de adem van ons kind terwijl het slaapt.

Alles krijgen hand en blik gezegd.
Het is hier stil. Zo stil
dat je de damp van de koffie hoort
stijgen langs de trap.

Wat op de binnenflap van zijn bundel te lezen staat is dus zowel ongewoon sprankelend als buitengewoon waar: ‘Een man duizelt zich naar boven en mislukt in onweer en hagel, het blauw donkert op uit het wit van de zon. De vader, de zoon, de vrouw, de moeder: in een teer universum dragen lichamen hun verhaal en zoeken ze als de voering van een jas verbinding. Niet om te doorgronden: om de kleine dingen als zand op de top van een vinger te leggen en de adem in te houden’.

Stond daar onlangs op een morgen in de Standaard der letteren die quasi nietszeggende ‘verzuchting’ van Brusselmans’ vaderlijk leven, full-page afgedrukt op een verder totaal lege bladzijde. In een poging om ons gemoed een gevleugeld weekend te bezorgen? Het kon hoogstens dienen voor boekhandel De Zondvloed, om er boeken (is het voor een geschenk?) mee in te pakken op zogenaamd ‘vindingrijke’ wijze. Kortom: alle verhoudingen waren -weer maar eens- zoek en/of ziek.

TER INFO

ERWIN STEYAERT (Brugge, 1959), licentiaat Klassieke Filologie en Filosofie (Gent/Leuven), publiceerde o.a. in Poëziekrant en Het Liegend Konijn en wond diverse poëzieprijzen zoals die van Oostende en Harelbeke, de poëzieprijs Gerolfwal, de Guido Wulmsprijs van de stad Sint-Truiden en de Melopee Poëzieprijs.

Als lid van de dichtersgroep PAZZI DI PAROLE werkte hij mee aan de ‘stilte’-bloemlezing ‘EEN KIER IN HET RUMOER’ (Uitgeverij P, 2015). ALLEEN VAN KALE REIZEN KOM JE THUIS is zijn debuut.

Pazzi di Parole( woordgekken?) is een dichtersgroep met vier leden en een gezamenlijk doel: toegankelijke poëzie schrijven en verspreiden. De Pazzi komen regelmatig samen om gedichten te maken en elkaar feedback te geven. Ze komen ook met hun werk naar buiten: samen en apart, op podium en op papier. Alle Pazzi staan met beide voeten in de realiteit, en dat sijpelt regelmatig door in hun poëzie en hun engagementen. Wie hun verhaal wil volgen kan een kijkje nemen op pazzidiparole.com. Pazzi di Parole zijn Daniel Billiet, Erwin Steyaert, Hilde Van Cauteren & Ann Van Dessel.

DE LIEFSTE WENS?

Geachte dieren,

Koester geen wensen en helemaal geen liefste. Als ze in vervulling gaan, zijn het geen wensen meer en worden het onvrede, onrust en onbehagen. Echte wensen gaan niet in vervulling. Ze knagen, doen pijn, trekken veren uit, ontvellen, schuren en worden nooit vervuld. Ik kan het weten.

De uil legde zijn pen neer. Waarom kan ik het eigenlijk weten? dacht hij.
Toch wist hij dat het zo was. Hij had talloze wensen gehad, waaronder ook uitzonderlijke en liefste. Een aantal was in vervulling gegaan. Maar de pijn die hij had gevoeld was nooit minder geworden en zijn verwachtingen waren elke keer opnieuw veranderd in onvrede, onrust en onbehagen. Zou dat altijd zo zijn, dacht hij, voor iedereen? Ja, dacht hij, voor iedereen. Hij schreef verder:

Ik heb geen wensen meer. Jullie moeten ze ook niet meer hebben. Dat hoop ik vurig. Opnieuw legde hij z’n pen neer.

En wat is dàt dan, dacht hij, die vurige hoop? Is dat geen wens? Hij raakte in een hevige tweestrijd en midden in de nacht vloog hij naar buiten en zweefde hoog boven het bos in cirkels rond. Onder hem sliepen de dieren, dat wist hij. Het was daar stil. Boven hem flonkerden de sterren. Niets wensen, dacht hij, dat is het moeilijkste wat er is. Hij wist dat hij dat niet kon. Toen de zon opkwam vloog hij terug naar huis en verscheurde de brief.

TOON TELLEGEN

DE TELLURISCHE KRACHTEN VAN TOON TELLEGEN

Of hoe hij in alle Toon-aarden op hemelse wijze verbonden blijft met de aarde, waarop hij goddank één der onzen is. Als een absolute One & Only. Elk liedje dat hij zingt is van een verrassende Toon-zuiverheid.

Wie op zijn Toon-ladder klimt hoeft niet bang te zijn voor hoogtevrees. Al vanop de onderste spurt vertoef je in zijn bovenwolkse wereld. En het lijkt wel alsof de Nederlandse schilder/schrijver Jacobus van Looy honderd jaar geleden al over hem schreef: ‘Alles scheen Toon-iger nog onder de gouden manteltjes der vlammen..’

Elk woord van Toon Tellegen draagt inderdaad zo’n vlammend manteltje. Voor mijn part mocht hij de Schepper zijn geweest van de wereld. Geen god, geen appel & geen slang. Zijn boom van goed & kwaad hangt vol onverboden vruchten.

Ik hoor alle boekhandels & bibliotheken onophoudelijk fluisteren: ‘Blijf goed op uw Telle(ge)n passen en zijn tellurische krachten zullen u nooit meer verlaten.’

Zijn initialen-tweeling T.T lijkt zowaar op een soort Arc de Triomphe. Toonaangevend & volkomen terecht.

°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°

DE SCHRIJVER DIE STEEDS MEER OP DE EGEL GAAT LIJKEN

Schrijver en dichter Toon Tellegen is vooral beroemd om zijn verhalen met dieren. De avonturen van de eekhoorn of de mier. De afgelopen tien jaar vereenzelvigt hij zich steeds meer met de egel, vertelt hij aan FRITS SPITS in DE TAALSTAAT, KRO/NCRV OP RADIO 1

Hoewel hij het naar eigen zeggen probeert te vermijden, heeft Tellegen de laatste tijd steeds meer sympathie voor de egel gekregen. “Hij woont in een huisje en zit daar te tobben, maar is eigenlijk best tevreden.” De egel wil eigenlijk wél bezoek krijgen, maar eigenlijk ook liever niet. “Niets maakt hem tevredener dan met één iemand een kopje thee te drinken en dat die dan ook weer weggaat.”

NIEMAND HEEFT DE MACHT

Tellegen creëert in boeken zoals De eenzaamheid van de egel uit 2006 een wereld waarin ieder dier even groot is. “Het is een hele duidelijke wereld. Ze leven naast elkaar, geen hiërarchie en niemand heeft de macht.” Hij vindt het gemakkelijker om over dieren te schrijven dan over mensen, hoewel de dieren menselijke eigenschappen hebben. “Aan de eekhoorn hoef ik niets toe te voegen. Ik hoef niet uit te leggen hoe hij verschilt van de andere dieren.” Van elk dier in de verhalen van Tellegen, is er daarom ook maar ééntje.

IMPROVISATIES ZOALS JAZZMUZIEK

De bijna tachtigjarige Tellegen, die naast schrijver ook arts is, begon met het vertellen van dierenverhalen aan zijn dochter. Hij verzon ze ter plekke, op de bedrand. “Zij koos het onderwerp en zij koos de eekhoorn.” Tellegen noemt zijn schrijfsels ‘improvisaties’ en kan zich wel in de vergelijking met jazzmuziek vinden, waarbij je ook vaak improvisaties hoort op een thema. In 1984 verscheen zijn eerste kinderboek maar hij schrijft ook poëzie en proza voor volwassenen. Hij won verschillende prijzen. Zijn verhalen zijn vaak filosofisch, maar dat is niet vooropgezet, aldus Tellegen. “Daar denk ik niet over na, maar als dat zo is, dan is dat een aardig gevolg.”

BRIEVEN VAN STEEN

De fascinerende betekenis ervan
ontdekt in de Japanse film ‘Departures’.

Ze liggen er nooit zomaar voor het oprapen,
ze moeten zorgvuldig worden gezocht,
en verrukking opwekken bij het vinden:
jaren lang geschuurd & bijgeschaafd
door een blauwe rivier in de Haute-Provence.

Weggerold uit de tijd toen de mensen
nog niet konden lezen & schrijven,
maar omdat ze niet woordeloos wilden blijven:
naar stenen gezocht die ervoor gemaakt leken
om in iemands handpalmen te worden gelegd.

Geen nood aan woorden, aan pen of papier,
alleen maar dat uiterst intieme gebaar,
ik leg het zachtste van mijn ziel in uw handen:
het ‘onuitsprekelijke’ dat maar alleen
gezegd kan worden in een ‘brief van steen’.