HERINNEREN EN VERGETEN

Well, if my heart must break,
Dear love, for your sake,
It will break in music, I know;
Poets’ heart break zo.

But strange that I was not told,
That the brain can hold
In a tiny ivory cell
God’s Heaven and Hell.

Oscar Wilde,
(Roses and Rue, 1885
)

Met dit gedicht van Oscar Wilde opent Douwe Draaisma op onweerlegbaar prachtige wijze zijn interessante boekwerk ‘De Ivoren Cel’ (Privé-domein nr. 316) met als ondertitel ‘herinneren en vergeten’.

Wat volgt is een boeiende verzameling herinneringen van een aantal al even boeiende schrijvers uit de serie Privé-domein, telkens vooraf gegaan door een sprankelende inleiding van Douwe Draaisma, filosoof en psycholoog, gespecialiseerd in het menselijk geheugen.


‘Mijn vroegste herinnering is in rood gedompeld. Op de arm van een meisje kom ik de deur uit, de vloer voor mij is rood, en links loopt de trap die even rood is.

Tegenover ons gaat een deur open en er stapt een glimlachende man naar buiten, die vriendelijk op mij afkomt. Hij komt heel dicht op mij toe, blijft staan en zegt tegen me: “Laat je tong eens zien!”

Ik steek mijn tong uit, hij tast in zijn zak, haalt een zakmes tevoorschijn, opent het en brengt het lemmet heel dicht bij mijn tong. Hij zegt: ‘Nu snijden we hem zijn tong af.” Ik durf mijn tong niet terug te trekken, hij komt steeds dichterbij, dadelijk zal hij hem met het lemmet aanraken. Op het laatste ogenblik trekt hij het mes terug en zegt: “Vandaag nog niet, morgen.” Hij klapt het mes weer dicht en steekt het in zijn zak.

Iedere morgen gaat de deur gaat open en de glimlachende man verschijnt. Ik weet wat hij zal zeggen en wacht op zijn bevel om mijn tong te laten zien. Ik weet dat hij hem zal afsnijden en iedere keer ben ik angstiger. De dag begint ermee, en het gebeurt vele malen.”

En al even interessant als de herinnering van August Willemsen over ‘De borsten van Vreda’ is Douwe Draaisma’s inleiding daar naartoe:

‘Het mooiste van wat je vergeet verdwijnt uit je geheugen zonder een spoor achter te laten: je ziet geen verkleurde plek aan de wand waar het zo lang heeft gehangen, geen afdruk waar het stond. Je bent je van geen vergeten bewust.

Soms gaat het anders, dan weet je dat je iets hebt geweten wat nu verdwenen is: namen, details van gebeurtenissen, een boek waarvan je je alleen nog maar kunt herinneren dat het indruk op je maakte. Dit is het vergeten dat een gemis veroorzaakt, het besef van een leegte, een gat.

Maar in sommige geheugens zitten nog een heel ander soort lacunes. Dat zijn de plekken die je uitnodigend open had gelaten voor de herinneringen aan wat je zo hartstochtelijk graag zou hebben meegemaakt – maar nooit hebt beleefd. Hoe oud je ook wordt, deze plekken zullen je altijd blijven herinneren aan het gemis van iets wat nooit genoten is.’

Leandro Berra

Of neem nu die ironische herinnering van Alfred Kossmann. Inderdaad, die van dat spitsvondige puntdicht ‘God schiep als een voorbeeldig dier de nijvere mier. Zijn tweede schepping was nog beter: de miereneter.’

De schrijver Alfred Kossmann was de helft van een tweeling; Ernst, de latere historicus, was de andere helft. Alfred wist: Ernst kwam eerst.’

Op 31 januari 1922, om tien voor twaalf in de ochtend, werd in het Leidse diaconessenhuis een jongen geboren, twee maanden te vroeg maar volledig, en hem waren de beste voornamen van de familie toegezegd: die van zijn vaders vader en die van diens vader. Hij was bedacht, verwacht. De arts zorgde voor zijn moeder en zei: “Hé, daar komt er nog één.”

Dat was ik. Zeven maanden had ik als verstekeling in mijn moeders lichaam gewoond, onbekend, naamloos, en zelfs nadat ik in een driftbui mijn broer de schoot had uit getrapt wisten mijn moeder en haar arts niet dat ik bestond.

Het hinderde mij wel. Hoewel ik gehoorzaam spartelde en huilde klonk dat ‘hé, daar komt er nog één’ pijnlijk na. Ik luisterde met weerzin naar het lachen van de verpleegsters die naar mij keken of ik een sinterklaassurprise, een hoerenjong, een paasei, een droombeeld was.

Nooit verlies ik het besef dat ik mijzelf op schandalige wijze het leven heb binnengesmokkeld. Eens zullen op een ziekenzaal arts, verpleegkundigen, familieleden om het bed van een ernstig stervende man staan, en iemand zal zeggen: “Hé, daar gaat er nog één” en naar het bed lopen waarin ik dood ben. Ik herinner het mij vanaf mijn geboorte.’

En zo ook nog herinneringen van bijvoorbeeld Tessa de Loo, Heinrich Heine,Lou-Andreas -Salomé, Hans Warren, Erika Mann, Sylvia Plath, Victor Hugo, Madame de Sévingné, Joseph Roth, Paul de Wispelaere..

Kortom: toch weer schoonheid, toch weer troost, die tachtig door Douwe Draaisma gekozen herinneringen van gerenomeerde schrijvers uit die inderdaad ‘bloedmooie reeks’ Privé-domein.

Counting memories and looking within with Chiharu Shiota’s installation.

NOVEMBER ANNO NU

Ogen open, ogen dicht: lap, het regent alweer. Het inmiddels zwaar terug gesnoeide licht kan er niet meer mee lachen. Het woord schuld verloor z’n hitteschild en valt brandend terug ter aarde. Steeds meer graven zonder bloemen, steeds meer grieven, steeds meer groeven.

November is weer aan z’n jaarlijkse mompeling begonnen: gedenk, o mens, dat gij van hemels sterrenstof zijt, doch aards verflensen zult als bloemen. Dat gij pars pro toto tot persoverzichten zult wederkeren en dat de helft van uw dagen er aan op zal gaan, moe van machteloosheid en van Janneke & Allemanneke’s mening.

De zon verloor haar zinderend licht, dus grotendeels ook haar nachtelijke spiegel. De wolven huilen noodgedwongen naar de achterkant van de maan. Wie zou niet gaan verlangen een pissebed te zijn onder de steen der wijzen: radeloos, weerloos en schuw, weggekropen, gepantserd & opgerold.

Maar wél redelijk veilig, want quasi onvindbaar & beschikkend over een exoskelet. Alhoewel: veertien poten & voeten warm zien te houden? Onder de 14°C is het ook alweer van: gedenk, o pissebed, dat gij…

Zal ik dus toch maar blijven proberen – voor al wie ik liefheb en dus wil heten – een mens te zijn die Toon-zij-dank daar vrede mee kan vinden?

ALLER ZIELEN

Gewapend, dus te duchten,
licence to kill, to crush:
wij doen elkander zuchten,
O shame, where is thy blush.

De woorden worden moorden,
de schaamte blikt noch bloost:
vernielde toevluchtsoorden,
geen schoonheid meer, geen troost.

Eén god voor al dat lijden,
één wens van klip-en-klaar?
Kon hij ons maar bevrijden,
van dat bang zijn voor elkaar.

MISERERE NOBIS

Of het nu lang
of niet zo lang, of niet lang genoeg is geweest,
ooit is iedereen er geweest,
en altijd is het wel eens een keer mooi geweest.

En of hij nu gaat, of zij, of gij, of ik,
allemaal zullen we gaan,
vroeger of later, maar voor ieder van ons
elke keer in een nu.

Maar zelfs als we weg zijn blijven we hier
in iets klein, in iets groot, in een hoofd, in een cel,
in de lucht, in een zucht.

Weet:
gij zijt niet alleen,

ge laat niet alleen, ge gaat niet alleen,
ge blijft niet alleen.
Want wij allemaal,
wij ook.

ILJAH

GEWAPENDERHAND

Ze voelden zich vuil zijn geworden,
er hing bloed aan & opstuivend zand:
elk woord dat ik wilde gebruiken,
klonk opeens als gewapenderhand.

Geen sprake van spreken is zilver,
evenmin als van zwijgen is goud:
elk woord in mijn dikke Van Dale,
een slak die bestrooid leek met zout.

Al zijn ze soms niet meer te vinden,
al raak ik niet meer vrijgepleit:
‘k heb ze letter voor letter gewassen,
mijn woorden vervuild door de tijd.

Zorgvuldig te drogen gehangen,
aan de waslijn van de Volkenbond:
vandaar dus met een woordeloze
door wasspelden gesnoerde mond.

NILS

De onvoltooid verleden tijd,
of -om het op z’n Tellegen’s te zeggen- die ‘Kale Onzentwil’:
voor elk wat wils, maar niet voor Nils?

Wat had de wereld vandaag
graag zijn eerste verjaardag willen vieren:
echter, wie of wat zou ons daar van kunnen tegenhouden?

Ook al hadden de Schikgodinnen Klotho, de spinster,
Lachesis, de verdeelster & Atropos, de onafwendbare
amper twee levensdagen voor hem in petto.

Wisten zij: Nils kan het ook zonder ons?
Zijn naam betekent ‘overwinnaar’ en dat zal hij,
hoe dan ook, waar maken.

Van Dale zegt het niet te weten:
van wié, waarvoor, dat lichtend spoor?
Volgens de wet en de profeten,
zijn hier, daardoor, geen woorden voor.

De dag staat niet met lege handen,
en Nils kreeg vleugels bovendien.
Zijn naam, een gloeidraad die blijft branden,
en zo zijn levenslicht laat zien.

Hoe hoogst bijzonder hij zal blijven,
in ’t hemels hogedrukgebied
is met geen woorden te beschrijven,
maar godzijdank, dat hoeft ook niet.


HET LICHT WORDT GESTREKEN

Uitgewaaierd?
De hitte nog een laatste keer weggewuifd van het klamme gelaat?
Wind in de bomen, akkergeur in de lucht, plassen op het dak.
De zomer wordt een talmende dromer,
en ook de bomen worden langzaamaan wat polychromer.

Het vege zomerlijf zucht van opluchting,
na al dat noodwendig blootgestelde,
waar zelfs de weerspiegelende ruiten lelijk van gingen kijken.
Ook de rollende oogbollen konden het fluisteren niet laten:
‘Zet die scherpschutter van een bril toch af, mens,
en kijk in godsnaam weer wat waziger de wereld in!’

Laat dat najaar dus maar komen.
De bloeiende klimop die van de tuin
een geurende honingpot maakt.
Dat eendrachtige bijengezoem, dat numineuze strijklicht
waar geen woorden voor zijn, en dat is maar goed ook,
een mens zou niet weten hoe hij het moest beschrijven.
And last but not least: het uitgevierd gemoed
dat zich weer mijmerend naar binnen mag plooien,
dankuwel alstublieft?

Maar zoals de analyticus Arther Eaton
in de Groene Amsterdammer zo raak wist te formuleren:
‘Als we ouder worden,
lijden we aan een tekort aan geruststelling’.

Echter, voor zulk een zin zit je toch op slag
een stuk prettiger oud te worden:
in zowel de schoonheid als de troost ervan?

Echter. Niettegenstaande. Alhoewel.
Wie heeft daar al die nieuwsberichten in koeien van letters
op mijn innerlijk behang geschreven?
Waar komen al die braakballen vandaan,
waarom krijg ik die lamlendige televisie niet meer uitgezet,
wat staat er daar in het stof op de spiegel geschreven?

Het gepraat, het wilde gepraat en alles wordt waar –
het vooruitzicht der woorden.’

Dat moet een boodschap van Elias Canetti zijn.
Ik kom er eveneens zijn Angstige Engel van het Oog tegen,
die fluistert: ‘Teveel, je hebt teveel gezien.’
Moet ik dan net als Elias antwoorden:
‘Nee, veel te wéinig..’?

Mitte Confitte komt t’ avond thuis,
maar ’t is geen kermis in haar straatje.
Toch hangt er een gouden zwerm ééndagsvliegjes
in het ‘meelicht’ achter het raam.
En in weerwil van hun eigen kortstondige naam:
dansend zonder vrees of blaam.
Die heerlijke schone schijn,
nergens de schuld van te zijn.

Daar kan mijn eigen gemoed
alleen maar van dromen,
zowel aan schuld
als aan schaamte deelgenomen.

Of zoals Elias Canetti zou zeggen:
‘Ik: het snijdende woord.’



Fix you

Wanneer je je best doet, en toch wil het maar niet lukken,
wanneer je krijgt wat je wil, maar niet wat je nodig hebt;
wanneer je doodmoe bent maar toch niet kunt slapen,
wanneer alles verkeerd loopt en je tranen niet zijn te stoppen,

omdat je iets verliest dat onvervangbaar is?
Lichtpunten zullen je terug naar huis brengen,
zodat je innerlijke krachten weer zullen ontbranden,
en ik, ik zal proberen om je weer te genezen.

LICHTPUNTJES

Zijn ’t Godsdeeltjes aan ’t Universum gewijd,
die hopen te worden gevonden?
Of weven de winden een lichtend tapijt
van vonkjes, ten hemel gezonden?

Op zoek naar het spiegelend oog van de mens,
om daarin te fluoresceren?
Partikeltjes van iemands vurigste wens,
die eenmaal vervuld, exploderen?

Omgeven door goddelijk levenslang licht,
maar nog zijn wij niet overdonderd?
Doch ontegensprekelijk ten doel gericht:
o mens, alstublieft, blijf verwonderd.

KRAK ZEI DE SLAK

Er bestaat volgens mij geen gruwelijker tuingeluid dan het ongewild doodtrappen van een huisjesslak. Die vreselijke krak, je schrikt je zo wezenloos alsof je op een mijn hebt getrapt. Je heft je voet op, en je durft nauwelijks te kijken naar wat je hebt aangericht.

Heel dit prachtige levenssysteem op slag verbrijzeld, met je volle gewicht er bovenop gaan staan. Wie zou niet vloeken bij zoveel ondraaglijke weerloosheid. Ze kunnen niet weglopen, ze zijn een schandalig gemakkelijke prooi, en zelfs zich terugtrekken in hun huisje biedt nauwelijks bescherming, zoals die vreselijke krak je komt te vertellen.

Vanuit slakkenoogpunt komt er ineens een wild snoeimens de tuin in gestoeberd, met schuppen van graaihanden, zwaaiend met haar snoeizwaard & stuivend van hot naar her: ‘Dat moet hier kort & bondig gebeuren!’ Gisteren kregen ze nog komkommerschijven van haar, vandaag loopt ze hen te bedreigen als een dulle griet van lach-of-ik-schiet.

Echter, niets is minder waar: dulle griet houdt niet eens van snoeien, maar des temeer van huisjesslakken. Op het gestoorde af, zou men kunnen denken. Zowel van hun verholen aanwezigheid, als van die niet meer te tellen aantal ronde ruggetjes op het beregende tuinpad. Ze komen graag een graantje meepikken van het vogelvoer, en soms zet zij ze allemaal bijeen rond een schoteltje fruit. Ze zoekt hen op, ze wil hen kennen, en ze gaat er boven hangen om hen te zien eten, met hun 25.000 kleine rasptandjes. En o als dan die half doorschijnende kopjes tevoorschijn komen, met die aandoenlijke steeltjes daarop.

Soms kruipen ze tegen een stenen muur omhoog. Verloren gekropen, dacht ik dan, dus die zal ik eens terug op het rechte pad brengen. Dat blijkt niet waar & niet juist te zijn: op muren groeien microscopisch kleine algjes en daar zijn ze dus naar op zoek…

Onlangs kreeg ik van mijn lievelingsduo ‘kleindochter & vriend’ een alleraardigst boekje, met de simpele titel: Slakken. Van de Duitse schrijver Florian Werner, vertaald door Kees Wallis & uitgegeven bij Van Oorschot. Als een schot in de roos op mijn eigen slijmjurk!

Wat een troost na al die meedogenloze slakkenhaters op het internet. Mijn fascinatie voor die kleine ‘kruipvoetjes’ bleek er meteen door bevestigd:’In ons gehaaste leven is de slak met haar beheerste rust en haar stille doorzettingsvermogen een dier waar wij nog wat van kunnen leren’, zoals de schrijver het stelt. Mijn ogen gingen er van vonken.

Zo beschrijft hij daarin zijn bezoek aan een Britse slakkenrace in Congham:‘Vijftig mensen rondom een ronde met een natte doek bedekte tafel geschaard: het racecircuit!’ Er is een ‘snailmaster’ die de regels uitlegt. De slakken starten telkens in het midden van de tafel, waarop ter orientatie ronde cikels zijn geschilderd. Op het commando ready-steady-slow! gaan ze van start over het 33 centimeter lange circuit. Ze krijgen een rugnummer opgeplakt. De eerste slak die zijn voet op de buitenste cirkel zet, is gewonnen. Als trofee is er een zilveren beker voorzien en een verse krobsla.

‘Weldadig langzaam, onbelangrijk en zinloos. Als een compenserende tegenbeweging, als een loflied op de traagheid en dat die trend van de slak een aanvoerder maakt.’

En zo vernam ik ook dat Günter Grass in zijn ‘Dagboek van een slak’ het weekdier prees als toonbeeld van de behoedzame, stapsgewijze verandering. De slak is voor hem het symbool van de politieke vooruitgang die niet met revolutionaire sprongen, maar enkel door een kruipend voortbewegen tot stand kan worden gebracht.

Maar waarom slakken de meeste mensen zo doen gruwen? Omdat ze net zo slijmerig en amorf zijn als de zoetige snot en viezigheid die we als kind uit onze neus peuterden of uit onze bronchiën ophoestten en weer doorslikten.

Is het toeval’ vraagt Florian Werner zich af, ‘dat in de tekenfilmserie van Maya de Bij het enige dier met een voltooide universitaire opleiding dr. Heinrich is, een slak? Een retorische vraag natuurlijk. Wie zich zo behoedzaam voortbeweegt als een buikpotige, denkt zorgvuldig na over elke stap die hij zet.

“Wat een waardigheid in zo’n kruipende slak, wat een sereniteit, wat een ernst” jubelde de natuurfilosoof Lorenz al: “Een slak is bij uitstek een prachtig symbool van de diep in het binnenste sluimerende geest”.

En met de filosoof Giorgio Agamben zou je ook kunnen zeggen dat slakken ‘totipotent’ zijn, tot alles in staat. Doordat ze vastbesloten blijven zitten, houden ze alle mogelijkheden open. Het evolutionaire resultaat geeft ze gelijk.

En vervolgens deze veelzeggende bedenking: ‘Als ze zich ten langenleste toch in beweging zetten, laten ze een slijmspoor achter. Is dat niet waarnaar ook wij mensen hunkeren? Is dat niet de reden waarom we boeken schrijven, schilderijen maken, liederen componeren, statusmeldingen posten: om net als buikpotigen een afdruk achter te laten , een teken van ons bestaan? Wat wij er met veel bloed, zweet en tranen weten uit te persen, dat doen slakken er al kruipende bij. Met iedere beweging schrijven ze aan de geschiedenis van hun leven. Overal laten ze hun moeilijk te ontcijferen berichten achter, hun glinsterende tekst.

Schrijf ik het boek dat voor mijn neus ligt wel zelf, vraagt Florian Werner zich af, of scheid ik het alleen maar af, bouw ik hardnekkig van letters een pantser, zoals de slak dat doet? Is deze tekst dus mijn schelp, mijn huis? Een steen die ik als rotsblok voor de uitgang van mijn schrijfhol wentel om daarachter met rust te worden gelaten?

Wat een schitterend betoog, wat een glinsterende tekst! Ik ben er zowel de schrijver, als de vertaler, als Uitgeverij van Oorschot, and last but not least, alsook mijn milde schenkers ervan zo dankbaar als een slak op een schijf watermeloen! Voor urenlang zoet…

Ik vertraag de melodie, ik heb nooit van vlug gehouden.
Jij wou er snel heen, ik wou er als laatste aankomen.
Het is niet omdat ik oud ben, het is niet het leven dat ik heb geleid,
ik hield altijd al van langzaam, zei mijn moeder.
Ik strik mijn schoenen, maar niet om te gaan lopen,
ik kom er wel als ik dat doe. Geen startpistool nodig,
langzaam zit in mijn bloed. Bij jou moet het snel gaan,
bij mij moet het blijven duren. Al je bewegingen zijn snel,
al je bochten zijn krap. Laat mij op adem komen,
ik neem graag de tijd, ik probeer het gewoon te vertragen.

IN LEVENDE LIJVE

Ooit schreef ik hem:
‘Als ik een taxi was, dan reed ik met jou naar Eigenhart,
naar je eigen binnenwereld, tot in de diepste punt helemaal onderaan,
langs al die kleine wegeltjes daar, die nog nooit in kaart zijn gebracht.

Dan voerde ik jou naar je eigen innerlijke Grand Canyon
en naar al die wonderlijke plekjes waar jij zelf nog nooit bent geweest.
En dan zou ik tegen je zeggen:
“Voilà, hier zou je eens wat méér moeten komen…”

Als ik een taxi was, maar dat bén ik niet.
Ik ben slechts de lopende teller waarvan het cijfer wordt betwist
.’

Wat is er met die woorden toen gebeurd? Ze zijn wellicht in hun voorwaardelijke zin blijven steken. Onder de noemer: ze wilden wel, maar ze konden niet. Tot hun spijt.

Maar zelfs uitgerekend Madame de Sévigné, die als schrijfster bekend werd door haar brieven, die onmiskenbaar tot de klassieken van de Franse literatuur worden gerekend, heeft ooit verklaard: ‘Eén uur conversatie is beter dan vijftig brieven’.

En dat mocht ik gisteren, 13 jaar later, ook zélf nog eens ondervinden: ‘In levende lijve’ daar kan niets, maar dan ook niets tegenop. Gesproken woorden hebben zoveel meer zeggingskracht: ze krijgen niet alleen geluid mee, ze komen niet alleen uit een mond, ze lijken veeleer uit de ogen te komen. Voor ieder woord een andere blik. En wat ze ook te vertellen hebben: daar zit een mens, daar klopt een hart, daar loopt een gemoed over van levensdrift, als een fles Prosecco waarmee heftig is geschud.

Ondanks de kommer & de kwel, ondanks het verhaal dat soms naar adem snakte: in levende lijve is het zoveel intenser dan via het schrijfbedrijf. Daar smelten geschreven woorden bij weg als sneeuw voor de zon, nog voor ze gelezen zijn. Geen inkt maar rode wijn, kom laat ons vrolijk zijn. Ik heb eens gelezen dat er bij elk gesprek nieuwe hersenverbindingen worden gemaakt, en dat zou mij alleszins niet verwonderen.

Hij draaide zich nog eens om. Niet in mijn verbeelding, niet in mijn droom, maar in levende lijve. Zonder echt te verdwijnen. Het maakte die andere sprankelende uitspraak van Madame de Markiezin feilloos waar: “Het hart heeft geen rimpels, het is altijd jong.” Precies het gevoel, waarmee ik daarna weer huiswaarts ben gekeerd.

TUSSEN ZON & MAAN

Maanrock in Mechelen?
De weergoden steggelen!

En duidelijk niet om een niemendalletje:
de wolken losten van alteratie plots allemaal
tegelijk hun hoognodige plas hemelwater
boven het meteen pisnatte Mechelen.


Een regen van welzijn? Niet voor de Maanrockers helaas!
Gelukkig was mijn eigen beslissing reeds genomen:
ik zou vandaag niet buiten komen.

Ik mocht dus alweer mijn zegeningen tellen:
dat ik droog kon blijven onder zoveel stromend water
alsof ook het glas van de ramen er mee weg leek te drijven
.

De torteltjes in de tuin bleven niettemin roerloos
als prachtige versiersels op de Taxustakken zitten, alsof ze
van namaak waren en ik ze er zelf in had vastgemaakt.
Ik heb er mijn ‘lachduifjes’ alleszins om bewonderd,
en alweer in niet te beschrijven hoge mate.

Terecht dus weer een zak van 20 kg tortelvoer besteld.
In mijn volgend leven wil ik een tortelduif zijn in
onze eigen tuin, ook al is die dan inmiddels alweer van
iemand anders. In de vurige hoop echter, dat dat dan
onze eigen dochter of kleindochter mag zijn.

Inmiddels probeert de zon er ‘voor de frim’ alsnog
het beste van te maken, in een ultieme poging om
de Mechelse Maan nog even de torenhoge loef af te steken,
alvorens die straks -eveneens- weer zal worden geblust.

Ze hadden het maar Zonnerock moeten noemen!’
hoorde ik de miscontente zon mompelen.

WOORDWAFELS BAKKEN

Benodigdheden:
7 gr. mist, 500 gr. letterbloem, 175 gr. smakboter,
4 windeieren, 100 gr. heelalsuiker, 1/4 liter inkt,
een snuifje ratelzout.

°°°°°°°°°°°°°°

Breek de gevriesdroogde mist in wat inkt,
totdat er weer animo in parlevinkt.
Zorg dat de letterbloem goed wordt gezift,
daar anders de boter schabouwelijk schift.

Klop de vier windeieren krachtig dooreen,
ja dàt mag gerust even door ’t dolle heen.
Verwijder de komma’s alsook ieder punt,
gebruik extra gloeistof liefst niet onverdund.

Men houde zich ver van gebrul & gebral,
vermijd uilenbal maar ook augiasstal.
Voeg de heelalsuiker bij ’t ratelzout,
en meng het geheel alsof ’t is voorgekauwd
.

Men bakke het deeg in een vloek & een zucht,
tot heerlijke dampen van gebakken lucht.
Men ete de woordwafels ongegeneerd,
van goudgeel besmeerd, tot ze bruin zijn verteerd.

FIJNSTRAAL

Een Herderstasje, dacht mijn Medestander. Het stond daar ineens als een tenger wachtertje naast de voordeur, omhoog gekomen uit de smalle voeg tussen muur en stoeptegel. Zo dapper, dat ik het niet over mijn hart kon krijgen om het uit te trekken.

De mens heeft soms zulk een ondraaglijke overmacht: één ruk en afgelopen. Zonder er ook maar één seconde bij stil te staan, wat een wonderlijke opgang dat in feite is, al wat er uit die grond zomaar tevoorschijn komt. En wat een krachttoer dat is, wat zo’n plantje doet.

Enfin, het blijkt bij nader toezien geen Herderstasje, maar ‘Fijnstraal’ te zijn. Een overleverdje van jewelste. Afkomstig uit noord-Amerika, en vroeger al door de Navajo-indianen gebruikt tegen puisten & slangengif. In de lente & de zomer zijn de kleine madeliefachtige bloemetjes een voedselbron voor bestuivende insekten. De honderdduizende zaadpluisjes zijn zo licht, dat ze naar eindeloos ver kunnen uitzwermen.

Blijf verwonderd? Blijf jij daar maar rustig staan, Fijnstralig Wachterje, via je vernuftig penworteltje uit die o zo smalle groef vol droog zand omhoog gekomen: knap hoor!

Moja vieda

Moja Vieda, mijn gedachten
gaan uit van ‘veréénde’ krachten:
ieder antwoord, elke vraag,
grijpt mijn denken bij de kraag.

Alles tussen zien & horen
trekt niet te bespeuren sporen:
doch ze zingen bij mooi weer,
hier leg ik mijn zakdoek neer.

Of op zoek naar wat erbarmen,
met de ziel onder de armen:
hoe vertroostend als dan blijkt,
wij zijn op elkaar geijkt.