WOORDPIJN

Niet meer voor rede vatbaar?
De rede, alias het denkvermogen van de mens, weet zich geen raad,
en zucht: ‘Ik vind geen weerklank meer, men is niet meer vatbaar voor mij,
en dat doet pijn..’

In de filosofie is de rede van hogere orde dan het verstand.
Vooral Emmanuel Kant heeft een scherpe beschrijving gegeven van de rede:
‘Het vermogen om de zintuiglijke werkelijkheid te overstijgen en daar
niet meer afhankelijk van te zijn. Het geestelijk vermogen van de mens
dat zich richt op de diepere samenhang van de dingen & de gebeurtenissen.’

Durf te denken: de rede weet daar alles van,
sinds Kant dat de mensheid heeft toegeschreeuwd.
Maar als de bij geen rozen vindt, dan moet ze op de doornen zitten?
Heeft Kant ook niet gezegd: ‘Van het kromme hout der mensheid
kan niks worden getimmerd dat helemaal recht is’?

En dan is daar ook nog die vaststellinbg van ‘Le Grand Corneille’
dat de rede & de liefde gezworen vijanden zouden zijn.
Ook dàt nog. De rede voelt zich tekort geschoten en snakt zuchtend
naar een letter meer: ‘De V van vinden moet mij helpen..’

En die spreekt meteen Picasso achterna: Ik zoek niet, ik vind!
In elk geval niet die vijandelijke V’s van vernieling & venijn.
Die spuwen je alleen maar op je vestje.
Ook niet de V van vijf voor twaalf, of van vinger-in-de-pap,
en die V van vis, die mag je ook vergeten, daar moet teveel boter bij.

De V van vuur, waaruit je als een feniks kunt herrijzen?
Maar daar wordt dan weer mee gespuwd, zowel door mensen
als door vulkanen, en dat wil je niet aan je schenen krijgen..

De V van vlinder misschien?
Maar nee, die komt wellicht recht uit een verliefde buik gefladderd,
dus dat belooft niet veel goeds, evenmin als de V van vraagteken
of die van volksmond, want die poetst zijn tanden niet al te best.

Maar er zijn natuurlijk ook dure, vonkende V’s in de aanbieding,
zoals die van vader of van vriend, maar daar valt niet tussen de kiezen,
die zijn immers aan elkaar gelijk.

Dus ik stel voor: de V van vogel!
Wiekend op de wind, getekend door een kind.
Met de V van vogel wordt je vanzelf een gevleugeld woord.
Genaamd: de lieve v-rede.

ALZO
ZIJT GIJ GEBENEDIJD BOVEN ALLE WOORDEN

DECEMBERBLUES

Beste kerstmishaters,
wees de decemberliefhebbers alstublieft
wat genadiger. Het is trouwens alweer
bijna voorbij.

Of gewoon last van een
verlaagd stemmingsgevoel in de winter?
Vanaf overmorgen gaan de dagen alweer
lengen met een haneschreeuw!

Een liedje van gemis & verlangen,
voor al wie in november is blijven hangen?

Omdat december -het mag worden gezegd-
zich als een zere vinger op hun wonden legt?

Al valt er misschien toch wel, zonder limieten,
van deze magische treinreis te genieten?

November Ultra is een Franse singer-songwriter,
genomineerd in de categorie ‘Révélation Féminine’
voor de Franse Awardshow ‘Les Victoires de la Musique’.
En waarvan gezegd wordt ‘dat ze een stem heeft
die de wereld kan redden’.

STIP, STIP, HOERA!

Nu de Dikke van Dale hopeloos uiteen wordt gerafeld in de redactiekantoren,
op zoek naar godvergeten woorden & onvoorstelbare gebeurtenissen, waardoor de nachten vervolgens hun donkere schaduwen als grauwsluiers over het gemoed werpen,
wat een verademing om dan in de bibliotheek plots deze titel te lezen:
HIJ DICHT ZO LICHT
3 ons gedichten van Kees Stip, afgewogen door Dick Welsink.

‘Het hapt zo heerlijk weg, die luchtige versjes over dieren,
die kostelijke stijlparodieën, die krokante sonetten en al die

verrukkelijke andere gedichten. Pas op, je zou je lelijk kunnen verslikken.

Onder die bedrieglijke zachte korstjes zitten vaak harde en scherpe stukjes,
als steentjes in krentenbollen, waar je je tanden stuk op kunt bijten.
..’

En op de achterflap, Herman de Coninck in De Morgen:
‘Ik ben Kees Stip dankbaar dat hij zoveel taalplezier
voor ons en onze kindskinderen bij elkaar heeft geschreven.’

Op een plant

Geholpen door zijn zuster Ciska
vond een hibiscus zijn hibisca.

Op de eendagsvlieg

“Ach” sprak een eendagsvlieg te doorn
“hoe heerlijk is het ochtendgloren
en hoe verrukkelijk het uur
waarop het laaiend zonnevuur
verstild ter kimme wordt gedreven!
Men moest twee dagen kunnen leven.”

Goedemorgen

Het goedemorgen en het goedenavond
is in ons lieve land niet van de lucht.
En dat je middag daarbij ook geducht
goed dient te zijn werkt werkelijk beschavend.

Je merkt het pas wanneer je met een zucht
door buitenlandse brutigheid gehavend
aan Hollandse begroetingslust je lavend
weer naar het oude nest toe komt gevlucht.

Niet om er eer mee in te willen leggen,
maar o wat zijn wij vriendelijk, wij zeggen
de hele dag elkander goedendag.
Ik zag er een die in het water lag.
Terwijl hij op het punt stond te verdwijnen
stak hij zijn hand nog op, en ik de mijne.

Mijn angsthaas

Neem alle angsten waar ik uit besta,
voorzie ze van wat zenuwen en zenen:
ze zijn meteen uit het gezicht verdwenen,
zo’n snelle angsthaas houd ik er op na.

Al is het dan uiteindelijk die ene
rechtstreekse doodsangst waar ik van verga,
bij elke potenroffel die ik sla
neemt elke poot afzonderlijk de benen.

Angst voor de dood blijft mij als razend drijven.
Mijn leven is een levenslange angst.
Maar ben ik door mijn angsten op zijn bangst
dat ik hem niet meer voor zal kunnen blijven,
wees dan maar zeker dat ik schop of schiet.
Zo’n bange angsthaas is mijn angsthaas niet.

Op de vissen

De vissen hebben stil verdriet.
Ze huilen nooit, het helpt ze niet.
Aquaria zijn oceanen
van ongeschreide vissentranen.

De eekhoorn

Schoksgewijs dalend langs de dennestam
door ’t vallen van de schilfers van tevoren
nog voor je hem te zien kreeg al te horen –
wat dacht je dat daar naar beneden kwam?

Een beest dat, van zijn staart tot aan zijn oren
roodgloeiend als een ruigbehaarde vlam
de noten in zijn kinderhandjes nam.
Wat hij begroef was niet meer op te sporen.

Staarten van eekhoorns zijn zo fraai behaard
doordat er geen venijn zit in hun staart.
Bij moralisten met hun malle wetten
zit het zelfs in de staarten van sonetten:
Te vaak te vroeg begraaft een mens een schat
waarvan hij later wou dat hij hem had.

Chorus mysticus

Louter vergeestelijkt
valt niet te leven.
Wat bij geen beesten lukt
lukt ons maar even.

Jeuk onbeschrijfelijk
vreet aan ons vel.
Liefde is lijfelijk
hemel en hel.

Twintig jaar na zijn dood
weet de bedeesde Kees Stip nog altijd dichters te inspireren
lees ik in het Dagblad van het Noorden.

Puntgaaf, de nieuwste bloemlezing van Kees Stip, samengesteld door Ivo de Wijs, bijgestaan door Jaap Bakker.

Kees kon goed leven van zijn literaire activiteiten. Net als Drs. P (piano) was hij als mandolinespeler heel muzikaal. Die muzikaliteit komt ook tot uitdrukking in zijn gedichten. Altijd een perfect metrum, spelend met klemtonen en nooit een lettergreep teveel. Een erudiet man – opgeleid als classicus. Immer keurig in pak, hoffelijk, complimenteus, zeer geestig en gastvrij. Maar geen sociale mensenvriend. Met vrouw Katja en zijn schurftige hond Molly leefde hij zeer geïsoleerd in de Groningse ‘middle of nowhere’. Heerlijk volgens hem want ‘hier hoefde je alleen de postbode te zien’. Meer had Kees niet nodig. Toen Katja overleed, werd-ie erg somber van aard, verrommelde zijn huishouden en verscheen er nauwelijks meer iets op papier.

Geschreven voor het Theater van de Natuur, een kunstproject in Sellingen, en gegraveerd in de eerste trede van de dichterstrap aldaar. Sindsdien is elk jaar een gedicht toegevoegd.

KORRELTJE ALLES

Maandagavond. Elke week opnieuw. En inderdaad,
de maan staat dan sowieso -al dan niet zichtbaar- aan de hemel,
maar daar staat prozaïsch tegenover: dat het huisvuil
moet worden buitengezet met zijn confronterende inhoud.
Dus telkens opnieuw er weer even tegenaan.

Gelukkig heeft de stad voor goudkleurige zakken gekozen.
Het hadden er ook vuilnissige bruine kunnen zijn.
Ze klaarmaken voor de straat is niet echt een pretje te noemen,
maar dat het vuilnis weg kan & dat het zal worden opgehaald
door mannen die ik wel zou kunnen kussen daarvoor,
dat zet mij toch altijd enigszins met een lofzang aan het werk.

Bij voorkeur ’s nachts. Als de televisionele heisa
is uitgezet, nadat de laatste ongewilde flarden ideale wereld
weer eens te meer aan schelle blabla ten onder zijn gegaan.
Evenals de soms ondraaglijke lichtheid van het winteruur:
bibliotheken vol schoonheid & troost: maar kijk, maar hoor.
Nee, dan wacht ik liever op een andere afsluiting van de dag.

Zeker op de maandagavond. Als de waan van de dag
is overgelopen naar de maan van de nacht, maak ik mij klaar
voor dat -zij het ultrakorte!- numineuze moment van de week:
de afvalzakken buiten zetten in de roerloze stilte van
de verlaten stad. Ik maak er een sluwe slow motion van.

Want wat een bevrijdend gebeuren,
wat een tevredenheid. Alsof ik een ster ben gaan plukken.
Mijn plan van actie zo welwillend uitgesteld, om even
die glimp van de eeuwigheid te mogen zien & voelen.
Het maakt er telkens opnieuw ‘un moment suprême’ van,
een korreltje alles, waarvan akte.

KLEIN MOEDERTJE IN SPE

26 november.
Honderd jaar geleden, anno 1923.
In gedachten zie ik ons moeder geboren worden,
onder de blije roep: “Het is een meisje!”

Dus toen al
met een piepklein baarmoedertje
in dat rillende lijfje, waarmee zij later
acht kinderen ter wereld zal weten te brengen.

Zij, die ik toen al
zo graag in mijn armen had willen nemen.
Om haar te koesteren, om haar gerust te stellen,
om haar aan mijn hart te drukken.

Vandaag dus, 100 jaar geleden
de geboorte van ons klein moedertje in spe.
Maar hoe koud het in de wereld soms ook was,
zij is 74 jaar lang één & al warmte geweest.

Moeder, waarom leven wij?
Het antwoord was er altijd al voor de vraag.
En zoals ook mijn eigen kind mij later zou vragen:
als ik oud ben, word jij dan mijn kindje?

HERINNEREN EN VERGETEN

Well, if my heart must break,
Dear love, for your sake,
It will break in music, I know;
Poets’ heart break zo.

But strange that I was not told,
That the brain can hold
In a tiny ivory cell
God’s Heaven and Hell.

Oscar Wilde,
(Roses and Rue, 1885
)

Met dit gedicht van Oscar Wilde opent Douwe Draaisma op onweerlegbaar prachtige wijze zijn interessante boekwerk ‘De Ivoren Cel’ (Privé-domein nr. 316) met als ondertitel ‘herinneren en vergeten’.

Wat volgt is een boeiende verzameling herinneringen van een aantal al even boeiende schrijvers uit de serie Privé-domein, telkens vooraf gegaan door een sprankelende inleiding van Douwe Draaisma, filosoof en psycholoog, gespecialiseerd in het menselijk geheugen.


‘Mijn vroegste herinnering is in rood gedompeld. Op de arm van een meisje kom ik de deur uit, de vloer voor mij is rood, en links loopt de trap die even rood is.

Tegenover ons gaat een deur open en er stapt een glimlachende man naar buiten, die vriendelijk op mij afkomt. Hij komt heel dicht op mij toe, blijft staan en zegt tegen me: “Laat je tong eens zien!”

Ik steek mijn tong uit, hij tast in zijn zak, haalt een zakmes tevoorschijn, opent het en brengt het lemmet heel dicht bij mijn tong. Hij zegt: ‘Nu snijden we hem zijn tong af.” Ik durf mijn tong niet terug te trekken, hij komt steeds dichterbij, dadelijk zal hij hem met het lemmet aanraken. Op het laatste ogenblik trekt hij het mes terug en zegt: “Vandaag nog niet, morgen.” Hij klapt het mes weer dicht en steekt het in zijn zak.

Iedere morgen gaat de deur gaat open en de glimlachende man verschijnt. Ik weet wat hij zal zeggen en wacht op zijn bevel om mijn tong te laten zien. Ik weet dat hij hem zal afsnijden en iedere keer ben ik angstiger. De dag begint ermee, en het gebeurt vele malen.”

En al even interessant als de herinnering van August Willemsen over ‘De borsten van Vreda’ is Douwe Draaisma’s inleiding daar naartoe:

‘Het mooiste van wat je vergeet verdwijnt uit je geheugen zonder een spoor achter te laten: je ziet geen verkleurde plek aan de wand waar het zo lang heeft gehangen, geen afdruk waar het stond. Je bent je van geen vergeten bewust.

Soms gaat het anders, dan weet je dat je iets hebt geweten wat nu verdwenen is: namen, details van gebeurtenissen, een boek waarvan je je alleen nog maar kunt herinneren dat het indruk op je maakte. Dit is het vergeten dat een gemis veroorzaakt, het besef van een leegte, een gat.

Maar in sommige geheugens zitten nog een heel ander soort lacunes. Dat zijn de plekken die je uitnodigend open had gelaten voor de herinneringen aan wat je zo hartstochtelijk graag zou hebben meegemaakt – maar nooit hebt beleefd. Hoe oud je ook wordt, deze plekken zullen je altijd blijven herinneren aan het gemis van iets wat nooit genoten is.’

Leandro Berra

Of neem nu die ironische herinnering van Alfred Kossmann. Inderdaad, die van dat spitsvondige puntdicht ‘God schiep als een voorbeeldig dier de nijvere mier. Zijn tweede schepping was nog beter: de miereneter.’

De schrijver Alfred Kossmann was de helft van een tweeling; Ernst, de latere historicus, was de andere helft. Alfred wist: Ernst kwam eerst.’

Op 31 januari 1922, om tien voor twaalf in de ochtend, werd in het Leidse diaconessenhuis een jongen geboren, twee maanden te vroeg maar volledig, en hem waren de beste voornamen van de familie toegezegd: die van zijn vaders vader en die van diens vader. Hij was bedacht, verwacht. De arts zorgde voor zijn moeder en zei: “Hé, daar komt er nog één.”

Dat was ik. Zeven maanden had ik als verstekeling in mijn moeders lichaam gewoond, onbekend, naamloos, en zelfs nadat ik in een driftbui mijn broer de schoot had uit getrapt wisten mijn moeder en haar arts niet dat ik bestond.

Het hinderde mij wel. Hoewel ik gehoorzaam spartelde en huilde klonk dat ‘hé, daar komt er nog één’ pijnlijk na. Ik luisterde met weerzin naar het lachen van de verpleegsters die naar mij keken of ik een sinterklaassurprise, een hoerenjong, een paasei, een droombeeld was.

Nooit verlies ik het besef dat ik mijzelf op schandalige wijze het leven heb binnengesmokkeld. Eens zullen op een ziekenzaal arts, verpleegkundigen, familieleden om het bed van een ernstig stervende man staan, en iemand zal zeggen: “Hé, daar gaat er nog één” en naar het bed lopen waarin ik dood ben. Ik herinner het mij vanaf mijn geboorte.’

En zo ook nog herinneringen van bijvoorbeeld Tessa de Loo, Heinrich Heine,Lou-Andreas -Salomé, Hans Warren, Erika Mann, Sylvia Plath, Victor Hugo, Madame de Sévingné, Joseph Roth, Paul de Wispelaere..

Kortom: toch weer schoonheid, toch weer troost, die tachtig door Douwe Draaisma gekozen herinneringen van gerenomeerde schrijvers uit die inderdaad ‘bloedmooie reeks’ Privé-domein.

Counting memories and looking within with Chiharu Shiota’s installation.

NOVEMBER ANNO NU

Ogen open, ogen dicht: lap, het regent alweer. Het inmiddels zwaar terug gesnoeide licht kan er niet meer mee lachen. Het woord schuld verloor z’n hitteschild en valt brandend terug ter aarde. Steeds meer graven zonder bloemen, steeds meer grieven, steeds meer groeven.

November is weer aan z’n jaarlijkse mompeling begonnen: gedenk, o mens, dat gij van hemels sterrenstof zijt, doch aards verflensen zult als bloemen. Dat gij pars pro toto tot persoverzichten zult wederkeren en dat de helft van uw dagen er aan op zal gaan, moe van machteloosheid en van Janneke & Allemanneke’s mening.

De zon verloor haar zinderend licht, dus grotendeels ook haar nachtelijke spiegel. De wolven huilen noodgedwongen naar de achterkant van de maan. Wie zou niet gaan verlangen een pissebed te zijn onder de steen der wijzen: radeloos, weerloos en schuw, weggekropen, gepantserd & opgerold.

Maar wél redelijk veilig, want quasi onvindbaar & beschikkend over een exoskelet. Alhoewel: veertien poten & voeten warm zien te houden? Onder de 14°C is het ook alweer van: gedenk, o pissebed, dat gij…

Zal ik dus toch maar blijven proberen – voor al wie ik liefheb en dus wil heten – een mens te zijn die Toon-zij-dank daar vrede mee kan vinden?

ALLER ZIELEN

Gewapend, dus te duchten,
licence to kill, to crush:
wij doen elkander zuchten,
O shame, where is thy blush.

De woorden worden moorden,
de schaamte blikt noch bloost:
vernielde toevluchtsoorden,
geen schoonheid meer, geen troost.

Eén god voor al dat lijden,
één wens van klip-en-klaar?
Kon hij ons maar bevrijden,
van dat bang zijn voor elkaar.

MISERERE NOBIS

Of het nu lang
of niet zo lang, of niet lang genoeg is geweest,
ooit is iedereen er geweest,
en altijd is het wel eens een keer mooi geweest.

En of hij nu gaat, of zij, of gij, of ik,
allemaal zullen we gaan,
vroeger of later, maar voor ieder van ons
elke keer in een nu.

Maar zelfs als we weg zijn blijven we hier
in iets klein, in iets groot, in een hoofd, in een cel,
in de lucht, in een zucht.

Weet:
gij zijt niet alleen,

ge laat niet alleen, ge gaat niet alleen,
ge blijft niet alleen.
Want wij allemaal,
wij ook.

ILJAH

GEWAPENDERHAND

Ze voelden zich vuil zijn geworden,
er hing bloed aan & opstuivend zand:
elk woord dat ik wilde gebruiken,
klonk opeens als gewapenderhand.

Geen sprake van spreken is zilver,
evenmin als van zwijgen is goud:
elk woord in mijn dikke Van Dale,
een slak die bestrooid leek met zout.

Al zijn ze soms niet meer te vinden,
al raak ik niet meer vrijgepleit:
‘k heb ze letter voor letter gewassen,
mijn woorden vervuild door de tijd.

Zorgvuldig te drogen gehangen,
aan de waslijn van de Volkenbond:
vandaar dus met een woordeloze
door wasspelden gesnoerde mond.

NILS

De onvoltooid verleden tijd,
of -om het op z’n Tellegen’s te zeggen- die ‘Kale Onzentwil’:
voor elk wat wils, maar niet voor Nils?

Wat had de wereld vandaag
graag zijn eerste verjaardag willen vieren:
echter, wie of wat zou ons daar van kunnen tegenhouden?

Ook al hadden de Schikgodinnen Klotho, de spinster,
Lachesis, de verdeelster & Atropos, de onafwendbare
amper twee levensdagen voor hem in petto.

Wisten zij: Nils kan het ook zonder ons?
Zijn naam betekent ‘overwinnaar’ en dat zal hij,
hoe dan ook, waar maken.

Van Dale zegt het niet te weten:
van wié, waarvoor, dat lichtend spoor?
Volgens de wet en de profeten,
zijn hier, daardoor, geen woorden voor.

De dag staat niet met lege handen,
en Nils kreeg vleugels bovendien.
Zijn naam, een gloeidraad die blijft branden,
en zo zijn levenslicht laat zien.

Hoe hoogst bijzonder hij zal blijven,
in ’t hemels hogedrukgebied
is met geen woorden te beschrijven,
maar godzijdank, dat hoeft ook niet.


HET LICHT WORDT GESTREKEN

Uitgewaaierd?
De hitte nog een laatste keer weggewuifd van het klamme gelaat?
Wind in de bomen, akkergeur in de lucht, plassen op het dak.
De zomer wordt een talmende dromer,
en ook de bomen worden langzaamaan wat polychromer.

Het vege zomerlijf zucht van opluchting,
na al dat noodwendig blootgestelde,
waar zelfs de weerspiegelende ruiten lelijk van gingen kijken.
Ook de rollende oogbollen konden het fluisteren niet laten:
‘Zet die scherpschutter van een bril toch af, mens,
en kijk in godsnaam weer wat waziger de wereld in!’

Laat dat najaar dus maar komen.
De bloeiende klimop die van de tuin
een geurende honingpot maakt.
Dat eendrachtige bijengezoem, dat numineuze strijklicht
waar geen woorden voor zijn, en dat is maar goed ook,
een mens zou niet weten hoe hij het moest beschrijven.
And last but not least: het uitgevierd gemoed
dat zich weer mijmerend naar binnen mag plooien,
dankuwel alstublieft?

Maar zoals de analyticus Arther Eaton
in de Groene Amsterdammer zo raak wist te formuleren:
‘Als we ouder worden,
lijden we aan een tekort aan geruststelling’.

Echter, voor zulk een zin zit je toch op slag
een stuk prettiger oud te worden:
in zowel de schoonheid als de troost ervan?

Echter. Niettegenstaande. Alhoewel.
Wie heeft daar al die nieuwsberichten in koeien van letters
op mijn innerlijk behang geschreven?
Waar komen al die braakballen vandaan,
waarom krijg ik die lamlendige televisie niet meer uitgezet,
wat staat er daar in het stof op de spiegel geschreven?

Het gepraat, het wilde gepraat en alles wordt waar –
het vooruitzicht der woorden.’

Dat moet een boodschap van Elias Canetti zijn.
Ik kom er eveneens zijn Angstige Engel van het Oog tegen,
die fluistert: ‘Teveel, je hebt teveel gezien.’
Moet ik dan net als Elias antwoorden:
‘Nee, veel te wéinig..’?

Mitte Confitte komt t’ avond thuis,
maar ’t is geen kermis in haar straatje.
Toch hangt er een gouden zwerm ééndagsvliegjes
in het ‘meelicht’ achter het raam.
En in weerwil van hun eigen kortstondige naam:
dansend zonder vrees of blaam.
Die heerlijke schone schijn,
nergens de schuld van te zijn.

Daar kan mijn eigen gemoed
alleen maar van dromen,
zowel aan schuld
als aan schaamte deelgenomen.

Of zoals Elias Canetti zou zeggen:
‘Ik: het snijdende woord.’



Fix you

Wanneer je je best doet, en toch wil het maar niet lukken,
wanneer je krijgt wat je wil, maar niet wat je nodig hebt;
wanneer je doodmoe bent maar toch niet kunt slapen,
wanneer alles verkeerd loopt en je tranen niet zijn te stoppen,

omdat je iets verliest dat onvervangbaar is?
Lichtpunten zullen je terug naar huis brengen,
zodat je innerlijke krachten weer zullen ontbranden,
en ik, ik zal proberen om je weer te genezen.

LICHTPUNTJES

Zijn ’t Godsdeeltjes aan ’t Universum gewijd,
die hopen te worden gevonden?
Of weven de winden een lichtend tapijt
van vonkjes, ten hemel gezonden?

Op zoek naar het spiegelend oog van de mens,
om daarin te fluoresceren?
Partikeltjes van iemands vurigste wens,
die eenmaal vervuld, exploderen?

Omgeven door goddelijk levenslang licht,
maar nog zijn wij niet overdonderd?
Doch ontegensprekelijk ten doel gericht:
o mens, alstublieft, blijf verwonderd.

KRAK ZEI DE SLAK

Er bestaat volgens mij geen gruwelijker tuingeluid dan het ongewild doodtrappen van een huisjesslak. Die vreselijke krak, je schrikt je zo wezenloos alsof je op een mijn hebt getrapt. Je heft je voet op, en je durft nauwelijks te kijken naar wat je hebt aangericht.

Heel dit prachtige levenssysteem op slag verbrijzeld, met je volle gewicht er bovenop gaan staan. Wie zou niet vloeken bij zoveel ondraaglijke weerloosheid. Ze kunnen niet weglopen, ze zijn een schandalig gemakkelijke prooi, en zelfs zich terugtrekken in hun huisje biedt nauwelijks bescherming, zoals die vreselijke krak je komt te vertellen.

Vanuit slakkenoogpunt komt er ineens een wild snoeimens de tuin in gestoeberd, met schuppen van graaihanden, zwaaiend met haar snoeizwaard & stuivend van hot naar her: ‘Dat moet hier kort & bondig gebeuren!’ Gisteren kregen ze nog komkommerschijven van haar, vandaag loopt ze hen te bedreigen als een dulle griet van lach-of-ik-schiet.

Echter, niets is minder waar: dulle griet houdt niet eens van snoeien, maar des temeer van huisjesslakken. Op het gestoorde af, zou men kunnen denken. Zowel van hun verholen aanwezigheid, als van die niet meer te tellen aantal ronde ruggetjes op het beregende tuinpad. Ze komen graag een graantje meepikken van het vogelvoer, en soms zet zij ze allemaal bijeen rond een schoteltje fruit. Ze zoekt hen op, ze wil hen kennen, en ze gaat er boven hangen om hen te zien eten, met hun 25.000 kleine rasptandjes. En o als dan die half doorschijnende kopjes tevoorschijn komen, met die aandoenlijke steeltjes daarop.

Soms kruipen ze tegen een stenen muur omhoog. Verloren gekropen, dacht ik dan, dus die zal ik eens terug op het rechte pad brengen. Dat blijkt niet waar & niet juist te zijn: op muren groeien microscopisch kleine algjes en daar zijn ze dus naar op zoek…

Onlangs kreeg ik van mijn lievelingsduo ‘kleindochter & vriend’ een alleraardigst boekje, met de simpele titel: Slakken. Van de Duitse schrijver Florian Werner, vertaald door Kees Wallis & uitgegeven bij Van Oorschot. Als een schot in de roos op mijn eigen slijmjurk!

Wat een troost na al die meedogenloze slakkenhaters op het internet. Mijn fascinatie voor die kleine ‘kruipvoetjes’ bleek er meteen door bevestigd:’In ons gehaaste leven is de slak met haar beheerste rust en haar stille doorzettingsvermogen een dier waar wij nog wat van kunnen leren’, zoals de schrijver het stelt. Mijn ogen gingen er van vonken.

Zo beschrijft hij daarin zijn bezoek aan een Britse slakkenrace in Congham:‘Vijftig mensen rondom een ronde met een natte doek bedekte tafel geschaard: het racecircuit!’ Er is een ‘snailmaster’ die de regels uitlegt. De slakken starten telkens in het midden van de tafel, waarop ter orientatie ronde cikels zijn geschilderd. Op het commando ready-steady-slow! gaan ze van start over het 33 centimeter lange circuit. Ze krijgen een rugnummer opgeplakt. De eerste slak die zijn voet op de buitenste cirkel zet, is gewonnen. Als trofee is er een zilveren beker voorzien en een verse krobsla.

‘Weldadig langzaam, onbelangrijk en zinloos. Als een compenserende tegenbeweging, als een loflied op de traagheid en dat die trend van de slak een aanvoerder maakt.’

En zo vernam ik ook dat Günter Grass in zijn ‘Dagboek van een slak’ het weekdier prees als toonbeeld van de behoedzame, stapsgewijze verandering. De slak is voor hem het symbool van de politieke vooruitgang die niet met revolutionaire sprongen, maar enkel door een kruipend voortbewegen tot stand kan worden gebracht.

Maar waarom slakken de meeste mensen zo doen gruwen? Omdat ze net zo slijmerig en amorf zijn als de zoetige snot en viezigheid die we als kind uit onze neus peuterden of uit onze bronchiën ophoestten en weer doorslikten.

Is het toeval’ vraagt Florian Werner zich af, ‘dat in de tekenfilmserie van Maya de Bij het enige dier met een voltooide universitaire opleiding dr. Heinrich is, een slak? Een retorische vraag natuurlijk. Wie zich zo behoedzaam voortbeweegt als een buikpotige, denkt zorgvuldig na over elke stap die hij zet.

“Wat een waardigheid in zo’n kruipende slak, wat een sereniteit, wat een ernst” jubelde de natuurfilosoof Lorenz al: “Een slak is bij uitstek een prachtig symbool van de diep in het binnenste sluimerende geest”.

En met de filosoof Giorgio Agamben zou je ook kunnen zeggen dat slakken ‘totipotent’ zijn, tot alles in staat. Doordat ze vastbesloten blijven zitten, houden ze alle mogelijkheden open. Het evolutionaire resultaat geeft ze gelijk.

En vervolgens deze veelzeggende bedenking: ‘Als ze zich ten langenleste toch in beweging zetten, laten ze een slijmspoor achter. Is dat niet waarnaar ook wij mensen hunkeren? Is dat niet de reden waarom we boeken schrijven, schilderijen maken, liederen componeren, statusmeldingen posten: om net als buikpotigen een afdruk achter te laten , een teken van ons bestaan? Wat wij er met veel bloed, zweet en tranen weten uit te persen, dat doen slakken er al kruipende bij. Met iedere beweging schrijven ze aan de geschiedenis van hun leven. Overal laten ze hun moeilijk te ontcijferen berichten achter, hun glinsterende tekst.

Schrijf ik het boek dat voor mijn neus ligt wel zelf, vraagt Florian Werner zich af, of scheid ik het alleen maar af, bouw ik hardnekkig van letters een pantser, zoals de slak dat doet? Is deze tekst dus mijn schelp, mijn huis? Een steen die ik als rotsblok voor de uitgang van mijn schrijfhol wentel om daarachter met rust te worden gelaten?

Wat een schitterend betoog, wat een glinsterende tekst! Ik ben er zowel de schrijver, als de vertaler, als Uitgeverij van Oorschot, and last but not least, alsook mijn milde schenkers ervan zo dankbaar als een slak op een schijf watermeloen! Voor urenlang zoet…

Ik vertraag de melodie, ik heb nooit van vlug gehouden.
Jij wou er snel heen, ik wou er als laatste aankomen.
Het is niet omdat ik oud ben, het is niet het leven dat ik heb geleid,
ik hield altijd al van langzaam, zei mijn moeder.
Ik strik mijn schoenen, maar niet om te gaan lopen,
ik kom er wel als ik dat doe. Geen startpistool nodig,
langzaam zit in mijn bloed. Bij jou moet het snel gaan,
bij mij moet het blijven duren. Al je bewegingen zijn snel,
al je bochten zijn krap. Laat mij op adem komen,
ik neem graag de tijd, ik probeer het gewoon te vertragen.