MEET THE WIFE?

Op 26 november 1923 ging vandaag de comedy ‘Meet the wife’ van start op Boadway, werd het graf van Toeranchamon geopend en werd de stad Tokyo vrijwel volledig verwoest door een aardbeving.

Een jaar van omslag, een kantelpunt in de geschiedenis, en niet in het voordeel van de democratie’, zo lees ik in een bijdrage daarover in ‘Historiek’. Op die dag verscheen ook het eerste nummer van ‘TIME’ waarover werd vermeld: ‘In Time was het nooit zo dat mensen iets zegden. Ze gromden, sneerden, snauwden of kwaakten. Ze liepen niet gewoon, ze schreden, stuiterden, sprongen of schoten vooruit.’

En op de hengstenboerderij van De Kluis in Hoogstraten begon een bibberend borelingske spartelend aan de haar toegemeten jaren. Het zouden er net geen 74 worden. Maar in ieder geval lang genoeg om de moeder te worden van de zingende ‘8 van Martens’. Haar aanblik in onze familiale ‘Spieghel Historiael’ is nog altijd niet verbleekt.

Zoals Elias Canetti zegt in zijn ‘Boek tegen de Dood’: ‘Geef het niet op, nooit, geef het niet op in je rouw. Nog steeds ‘zie’ je haar voor je, en ook als je blind wordt – ook dan zie je haar nog voor je. Om die onvervreemdbare beeltenis gaat het, de beeltenis die nooit blind wordt.’

Maar ook zegt hij: Geen enkele dood eindigt. Verstop die doden van jou. Ze melden zich vanzelf. Bepotel hen niet voortdurend. Ze vinden het vreselijk aan jou overgeleverd te zijn. Sterven is niet: helemaal in iemands macht komen.’

Echter, de gedachte aan dat kleine pasgeboren Leonieke op die koude vriesdag doet mij naar verwarmende woorden zoeken om haar daarmee in te duffelen. Om daarmee even haar moeder te zijn, in plaats van haar dochter. Sowieso een gedachte om te koesteren.

Ze zou later een bloedhekel krijgen aan haar naam, die nochtans geënt was op de sterrenregens van de Leoniden. Dat kwam wellicht door de platte volkse manier van uitspreken: Lè-je-ni-jke. En inderdaad, ze verdiende beter. Nobeler, edeler, uitgesprokener. Wat had ik haar graag voorgelezen wat er onlangs over haar naam geschreven stond: ‘De Latijnse oorsprong van de naam Leonie betekent ‘Leeuwin’. Het is een elegante en krachtige naam die wereldwijd geliefd is. De kleur is goud, en staat voor rijkdom en kracht.’

Ze trouwde dan ook – als een onbewuste wens na het zien van een vallende ster? – met een goudsmid die later ‘onze vader’ werd genoemd. Dankuwel alstublieft.

AL 28 JAAR VANDAAG

Dag moeder,
verzonken in deze zwarte,
uitzichtloze eeuwigheid onder
mijn witgewassen woorden.

Achtentwintig jaar
geleden werd ik vanmorgen
wakker gebeld, om je daar
zo uitgeteld te zien liggen.

In die nog immer
ondraaglijke aanblik ervan:
met je stilgevallen mond,
halverwege je laatste adem.

Ik kan je eenzame dood
nog altijd niet verkroppen,
niet verbijten, niet gedogen,
kortom: niet dulden dus.

Tot ik weer lees wat er op je
grafsteen staat gebeiteld:
‘Ik sluimer, maar
mijn hart is wakker.’

ROZENHOEDJE

Ik heb er geen mus onder zitten,
ik draag hem in schijn argeloos.
De pluimen die er ooit op zaten
zijn vervangen door een doornenroos.

Al kreeg hij reeds meer dan vier deuken,
mijn hoed is daar tegen bestand.
Hij schrikt zich niet langer een hoedje
van de kop waarop hij is beland.

En toch bid ik mijn rozenhoedje:
zet schuilevinkje niet voor schut.
Hou, hoedje, mij onder de hoede
van behoedzaamheid’s bewezen nut.

GEDENK, O MENS

Gisteren de hoogdag, voor de heiligen dus. Die toch wel enigszins ergerlijke superieuren, op de overtreffende trap van vergelijking. Maar vandaag dan toch ook de zielen, alias de mindere goden. Alhoewel, zij die worden gemist, worden die niet vanzelf heilig verklaard?

In ieder geval: zij die gestorven zijn, groeten u. November blaast de herstbladeren van hun gezicht & hun namen. Al spelen wij doorgaans graag oortje-dood, vandaag toch maar niet. Er is weer dat vreselijke tinnitusgeluid: ‘Nooit meer! Nooit meer! Nooit meer!’

Aldus Lucebert. Want ach ja, onze zielen. Dat onwezenlijk deel van ons, dat we blijkbaar in lijdzaamheid dienen te bezitten? De dood schreeuwt in onze adem: wie wil geprezen worden, moet eerst sterven.

Gedenk, o mens. Al de gedachten die diep in de grond niet meer zijn gedacht, of al de stemmen die na het vuur nooit meer zijn gehoord. In combinatie met het prangende besef dat alles beter had gekund, althans voor wat betreft het eigen aandeel.

En dat wat nog het meest van al wordt gemist: het ouderlijk huis & de blije thuiskomst aldaar, zoals in dat gedicht van Vasalis. Zolang het maar niet ‘knuffelen’ moet worden genoemd.

Thuiskomst van de kinderen.

Als grote bloemen komen zij uit ’t blauwe duister
onder de frisheid van de avondlucht
waarmee hun haren en wangen
licht zijn omhangen,
zijn zij zo warm. Gevangen
door ’t sterke klemmen van hun zachte armen,
zie ik de volle schaduwloze liefde,
die op de bodem van hun diep-doorzichtige ogen leeft.
Nog onvermengd met menselijk erbarmen,

dat later komt – en redenen en grenzen heeft.

M. Vasalis (1909-1998)

Hoe dan ook, er liggen weer volop zieleroerselen te koop in de vers-toog van Meneer Duisterwinkel: ‘Sterven is geen verloren werk!’ ‘Als knap dood is, dan krijg jij z’n broek!’